Beste mensen,
We kunnen niet anders dan zeggen dat de lezingen die we vandaag te horen krijgen heel bemoedigend zijn.
De eerste lezing brengt ons in een notendop het verhaal van het volk Israël, een verhaal van een volk dat zich durfde toevertrouwen aan het woord van God en daarom dingen deed die je met je verstand alleen nooit zou doen.
Abraham trok met een klein aantal mensen naar Egypte, op het woord van God, en werd daar een machtig volk. Een volk dat meer en meer een bedreiging werd voor de Egyptenaren. Daarom werden ze onderdrukt, klein gehouden, vernederd. Maar de Israëlieten verloren hun geloof in een nabije God niet. Zij riepen Hem om hulp en Hij is hen tegemoet gekomen en heeft hen weggeleid, doorheen de woestijn naar het land van melk en honing.
En zoveel jaar later krijgen we opnieuw een woestijnverhaal. Een verhaal dat een gelijkaardig begin kent. Opnieuw is het God zelf, is het zijn Geest die nu niet een heel volk, maar iemand naar de woestijn brengt.
Vreemd eigenlijk. Op het moment dat Jezus na zijn doop vervuld is van de heilige Geest, wordt Hij door diezelfde Geest naar de woestijn gevoerd.
Als je bij de oppervlakte zou blijven steken, dan zou je gemakkelijk kunnen zeggen dat dit geen echte reclame is voor het werk van de Geest. Er zijn wel aangenamere plaatsen om naartoe gebracht te worden. Dat is echter de buitenkant van het verhaal.
Als je wat dieper kijkt, dan ontdek je een boeiende onderlaag. Want uiteindelijk wordt de woestijnervaring een periode van volheid, van sterkte, van vervulling (daar staat het getal 40 overigens symbool voor).
Ben je al eens blijven stilstaan bij vers 2 uit dit hoofdstuk:
Gedurende die 40 dagen at Hij niets en toen ze voorbij waren kreeg Hij honger.
Vreemd toch? Veertig dagen niet eten en pas daarna honger krijgen.
Wat zou dat kunnen betekenen?
Het kan iets oproepen van concentratie en passie. Zó met iets bezig zijn, zo in iets opgaan, dat je tijd en uur vergeet en ook vergeet te eten. In die zin wil dit verhaal ons misschien wel duidelijk maken dat Jezus zo vol was van de Geest van God, dat Hij alleen maar aan zijn Vader dacht. We kennen het allemaal: zo vol zijn van iets of iemand dat dat of die persoon je hart, je ziel en je gedachten vult.
Volledig in beslag genomen worden door iets of iemand, is daar iets op tegen? Neen. Neen, zolang het maar om mensen en dingen gaat die ons ‘rijker’ maken in de geestelijke zin van het woord. Zolang we er maar beter mens van worden, meer en meer een mens naar het hart van God.
En als we die weg gaan, steeds meer van Hem worden, dan kunnen we ingaan tegen de bekoringen, tegen alles dat ons alleen op onszelf terugwerpt, tegen alles dat ons van elkaar vervreemdt, tegen alles dat ons verder van God wegbrengt.
Tweeduizend jaar geleden was er het duivelse stemmetje om sterker te willen zijn dan God, om Hem op de proef te stellen. Zoveel jaar later is het niet anders. En dan is er maar één uitweg. Onze hand in Gods hand leggen, Hem niet loslaten en geloven dat Hij ons niet loslaat. Ook niet als geliefde mensen in ons midden sterven, ook niet als jonge ouders hun kindje verliezen, ook niet als mensen omkomen in een verkeersongeval of veel te vroeg aan een ziekte bezwijken. Ook dan laat God ons niet los.
De kans is groot dat op zo’n momenten een duivels stemmetje ons zal toefluisteren: geloof je nog wel dat God bestaat; als Hij bestaat, dan zal Hij dat toch niet toelaten, dus …
We kunnen in zo’n situaties elkaar een woestijnervaring toewensen: een moment of periode van stilte en bezinning waarin die duivelse stemmen overwonnen worden door de zekerheid dat Gods Liefde sterker is dan verdriet, pijn en lijden. Momenten waarin we van anderen woorden toegezegd krijgen dat God ons het kwade niet aandoet, maar in het lijden naast ons staat en met ons meegaat, stap voor stap.
Dit is de weg naar Pasen die we mogen gaan - een weg van groeiend vertrouwen en geloof in zijn onvoorwaardelijke Liefde - elk op onze manier, elk op ons eigen ritme.
En die weg mogen we samen gaan …
Een deugddoende veertigdagentijd gewenst!