Homilie op Pinksteren 2013: Als een vonk in sprokkelhout (Joh. 20,19-23)
Tielt, 19 mei 2013
Er bestaat een oud verhaal over een smid die zelfstandig wilde worden. Hij kocht een aambeeld, een hamer, een blaasbalg en ging aan het werk. Maar wat hij ook probeerde, er kwam niets uit zijn handen. Zijn smidse bleef dan ook leeg en levenloos. Toen ging hij naar een oude smid en vroeg om raad. En die zei: “Je hebt alles wat je nodig hebt, behalve de vonk.”
Die vonk, daar gaat het om op Pinksteren. Want Pinksteren is het feest van de enthousiastelingen en van de doorzetters: het feest van niet bij de pakken neerzitten, van het hoofd niet langen hangen.
Alles wat je nodig hebt, dat hadden Jezus’ leerlingen. Jarenlang waren ze met Hem opgetrokken, ze hadden naar Zijn woorden geluisterd en Zijn wondertekenen gezien. En toch. Na Jezus’ Hemelvaart zaten ze bijeen in een soort rouwretraite. Uit vrees voor de Joden hadden ze zich afgesloten van de buitenwereld, achter gesloten deuren. Maar de verrezen Jezus laat zich niet afschrikken door een gesloten deur. Hij laat zich niet buitensluiten. Hij komt binnen en gaat in hun midden staan. Hij geeft hun als het ware de vonk, de kracht, om naar buiten te treden en van Hem te getuigen, zonder vrees. Op die eerste pinksterdag bleek het vuur, door Hem gebracht, allerminst gedoofd, want het sloeg in vlammen op hen over. Zij braken de barricaden rondom hun schuilplaats open en traden, bezield door een heilig vuur, vrijmoedig naar buiten. Als een onstuitbare geestelijke tsunami heeft, in herhaalde stoten en golven, die dynamiek van Pinksteren in de eerste eeuw duizenden harten veroverd, mensen vervuld met de gaven van de Heilige Geest: vriendschap, liefde, vreugde, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, vertrouwen, zachtmoedigheid, zelfbeheersing, wijsheid en sterkte. Iemand noemde het vuurwerk van het Pinkstergebeuren de grote “big bang”, de oerknal, van het christelijk leven.
Veel mensen in onze maatschappij hebben, net als de onervaren smid in het verhaal, alles wat ze nodig hebben. En toch zijn ze futloos, levensmoe, depressief, ontredderd zelfs. Ze wonen in een mooi huis, hebben niets te kort, zijn gezond en hebben drie parels van kinderen. En toch is hun huwelijk geen stukje paradijs, maar een paradijs in stukjes. Zo zijn er ook veel jongeren. Her en der willen ze geluk sprokkelen, soms in ongeremde seks, drugs of alcohol, maar het is sprokkelhout waaraan ze zich bezeren en dat geen warmte en geluk biedt. En dan sluiten ze de deur van hun hart. De vonk ontbreekt, het heilige vuur, dat warmte en geborgenheid biedt en mensen knusjes doet genieten van elkaar.
Is die Geest, die de eerste christenen na het pinksterfeest bezielde, dan in slaap gevallen? Is die wondere atoomenergie van de Geest nu uitgedoofd? Waar is die Geest van God gebleven in onze huidige samenleving van materialisme en individualisme, van moraal en geloof à la carte, naar eigen smaak, met eigen goden en vele afgoden?
We moeten weer elkaar ontvonken, elkaar verwarmen. Soms kun je eerst niets anders dan sprokkelen, brandhout vergaren en samen wachten op de vonk. Misschien is het slechts een kleine vonk, maar toch zo deugddoend. Dan ga je die goede geest, die Heilige Geest voelen als je mensen ontmoet die het druk hebben en toch niet gehaast zijn, maar tijd hebben om een handje toe te steken. Dan zal je die geest ervaren als je aan mensen iets vraagt en dat met de glimlach doen, zonder hun wenkbrauwen te fronsen en in hun agenda te kijken. Iets van die goede geest ervaar je als je opbelt en ondervindt dat de telefoon vriendelijk wordt opgenomen. Je ervaart die goede geest als iemand je onverplicht en zonder bijbedoelingen een complimentje geeft.
Als je er een beetje op let, moet je toch zeggen dat je die goede geest meer ervaart dan je denkt. Maar dat kan pas in contact met de anderen. Blijkbaar moeten we aan elkaar de Geest geven en blijkbaar moeten we van elkaar die Geest ontvangen. Dan word je springlevend en maak je anderen springlevend. Dat deden de ontredderde eerste leerlingen na Jezus’ Hemelvaart. Biddend waren ze samen in een bovenzaaltje, afgesloten van de drukte van het leven van alledag. Ze waren elkaar nabij, elkaar tot steun. De sprokkeltjes hoop en vertrouwen die in elk van hen nog leefden, brachten ze zorgvuldig samen. Ze stapelden ze zorgvuldig op en hielden ze droog. Dat moeten ook wij doen: elkaar steunen als we het moeilijk hebben en samen bidden: “Kom, Heilige Geest en ontsteek in ons het vuur van uw liefde.” Ontvankelijk blijven ook totdat de vonk van Gods Geest in het sprokkelhout van onze stukgeslagen dromen slaat. Dan kun je, net als de apostelen, de deuren weer openbreken en vol warmte je geluk uitschreeuwen en weer wat hoop en vreugde brengen bij vele mensen om je heen, die bang zijn en moedeloos en een triestig leven leiden.
Ik wens elkeen van harte een deugddoend Pinksterfeest.
Gabriël. Buyse, pastoor-deken em. Tielt