Wanneer een geliefd medemens sterft, reageren nabestaanden heel verschillend, naar gelang hun aard, én de band die zij met de gestorvene hebben en, naargelang hun geloof, hun verdriet, boosheid, twijfel. Dat is in de Bijbelverhalen niet anders, ook vandaag niet op Pasen.
We komen in het zojuist gelezen verhaal drie nabestaanden tegen. Ik stel ze wat nader aan u voor. De eerste is Maria Magdalena, ook wel van Magdala genoemd, een vriendin van Jezus, een hartsvriendin mag je wel zeggen. Ze gaat als eerste naar het graf, ‘heel vroeg’, zegt ons het verhaal, het was nog donker. Haar hart zet haar in beweging, ze móet naar het kerkhof. Zij is dan ook degene, die vanuit een ellendige ziekte aan zichzelf is teruggegeven, verlost van ‘zeven duivels’: kan het erger?
Van toen af is ze niet meer bij Jezus vandaan geweest. Paniek bespringt haar nu als ze het graf geopend vindt. Waar hebben ze de dode gelaten? Ze gaat het vertellen aan de anderen en je hoort het hartzeer: waar is Hij?
Stel ik u de tweede voor: Petrus, de nuchtere. Hoe vaak heeft hij niet gewaarschuwd: wees voorzichtig, Jezus, hou je gedeisd, je vijanden loeren op je. Maar Jezus wilde niet luisteren. Toch is Petrus is zo gek nog niet. Waarom zou je het leven erbij inschieten? Liever een leugen om bestwil: ‘Ik ken die mens niet.’ Petrus kijkt even de andere kant op. Het is heel verdrietig dat Jezus in levensgevaar is, maar ja, zo gaan die dingen en… het leven moet verder!
Dan is er de derde: de beminde leerling. Men zegt dat Johannes, de schrijver van het evangelie, daarmee zichzelf bedoelde. Hij is de boezemvriend van Jezus, een vurige jongeman, die zich al vroeg bij Jezus heeft aangesloten. Ze hebben samen gelachen en gehuild, samen gedanst en getreurd, samen waren ze op de bruiloft, samen op de uitvaart, samen alles gedeeld. Hij, die nu rust in zijn graf, had gezegd, wat er te zeggen viel over God en zijn mensen; over ‘recht dat moest zegevieren’ en over ’liefde en waarheid die zullen overwinnen’. Johannes heeft er heel zijn hart en ziel aan toevertrouwd.
Daar gaan ze op weg naar Jezus’ graf. Van de twee eersten staat er, dat ze nog niet begrepen hadden, wat dat ‘opstaan uit de doden’ betekende. Maria denkt aan dieven. Petrus zegt daarop: ‘wellicht niet, want het graf is op orde.’ Ze kijken niet verder. Johannes wel, hij ziet en gelooft.
Zo ging het, zo gaat het, bij het uitdragen van een dode, maar ook als op andere manier de dood in het spel is: ziekte, conflict. Er zijn er, die niet anders dan verdriet hebben en de hemel beschuldigen: waarom ik, waarom hij of zij? Er zijn er die nuchter constateren: dood is dood, zo gaat het nu eenmaal, we moeten verder. Maar er zijn er ook, die niet kunnen berusten, die zeggen: er is meer, ik voel het diep van binnen. Een mens kan niet zomaar wegvallen in het niet, daarvoor is hij te kostbaar. Ik moet dit niet laten gebeuren, ik moet zijn leven bewaren. Al die mooie talenten, heel die investering, dat leven, het komt uit die wereld van God en het licht en daarheen keert het weer terug, maar niet zonder ons, zoals de regen niet terugkeert zonder de aarde te hebben gedrenkt.
Misschien herkent u die drie stemmen ook in uzelf. Nu eens in de rol van Maria, dan in die van Petrus, soms zijn die stemmen er allebei. De nuchterheid van het hoofd en het verdriet van het hart, ze horen bij elkaar, maar ze hebben de verlichting nodig van het geloof, de overgave aan het grote geheim, dat luidt: ‘onze God is een God van levenden.’ Ook die stem kennen gelukkig velen van ons. God Iaat Jezus niet in de dood én niemand van ons. Dat is de bevrijdende boodschap van Pasen die ons uit het lege graf tegemoet komt: de Heer is verrezen, alleluja!