Mijn vroegere stagemeester is heel ziek. Ik heb met hem en zijn gezin door de jaren een bijzondere band opgebouwd en we werkten veel samen. Nu is hij ziek en stukje bij beetje verliest hij veel van zijn kunnen. Ik vrees de dag dat dit niet goed afloopt. Er is veel verdriet om wat verloren gaat en onuitgesproken vrees dat op een dag alles verloren zal zijn. Naast de zorg om het zo dierbare leven staat de dood, we weten het maar al te goed. Dood en leven zijn het thema van de dagen rond Pasen. Het kruis op Goede Vrijdag en het lege graf van Pasen. Als we op een uitvaart de persoon die gestorven is welkom heten in dit huis zeggen we: “We verwelkomen je met het teken van de levende God”. De levende God. Als ik bij mijn zieke stagemeester zit en zijn verdriet zie om alles wat verloren gaat, denk ik, waar is hij toch, die levende God?
Voor mij is het dan even donker, zoals in het begin van het evangelieverhaal van vandaag, toen Maria Magdalena naar het graf toeging. Het is ook voor de anderen donker want ze geloven het niet dat Jezus niet meer in het graf is. En ze zetten het op een sprintje naar dat graf. En daar zien ze het, het lichaam is weg en de doeken liggen opgerold opzij. De doeken zijn opgerold. Men wil daarmee zeggen dat het graf niet is geroofd, want de Joden verdachten de christenen ervan het lichaam van Jezus te hebben gestolen. En door dat te zien, komen ze tot geloof, zegt het evangelie. Welk geloof? Dat Jezus niet meer in het graf was? Dat is op zich niet zo schokkend maar wel dat hij terug leeft! Dat is pas schokkend: dat Jezus een levende God is. Daarvoor is het niet genoeg om opgerolde doeken te zien, daarvoor moet je geloven. Niet met onze zintuigen, maar met ons hart.
De steen van het graf was weggerold, het was een open graf. Hij was niet weggerold om Jezus naar buiten te laten gaan, maar om de anderen naar binnen te laten komen. Om tot geloof te komen. Het open graf is als een uitnodiging om tot dat geloof te komen. Geloof in de levende Jezus. Levend voor altijd. En dat is ongelooflijk, zoals liefde tussen mensen soms ongelooflijk kan zijn.
Het graf was niet alleen open maar ook leeg. Jezus was niet meer daar. Maar waar is Hij dan wel? Waar leeft die Jezus? Meer dan dat Hij niet in het graf is, zegt het verrijzenisverhaal van vandaag niet. Het verhaal is niet trouwens niet bepaald een vreugdeverhaal. Petrus en de anderen zijn verbaasd en we horen in de andere verhalen dat ze eigenlijk bang waren en zich opsloten. Pas in de volgende evangelieverhalen groeit de vreugde omtrent die levende God. In de brandende harten van de Emmaüsgangers, in de vreugde dat Jezus verschijnt aan de apostelen. Het besef dat Jezus echt leeft groeit stilaan meer en meer, beginnende bij dat open, lege graf.
Dat doet het ook bij ons vandaag. De verrijzenis en het verhaal van het lege graf is immers geen verhaal over wat er gebeurde tweeduizend jaar geleden, maar om wat er vandaag gebeurt. In de Joodse rituelen rond Pasen moet een zoon op de vooravond van Pasen vragen aan zijn vader: “Waarom is deze nacht zo anders als alle andere nachten?” en de vader antwoordt dan: “Dit is de nacht waarin God ons uit de slavernij van Egypte wegleidt, waarin wij de woestijn intrekken.” Hij zegt niet dat ze dat gebeuren herdenken. Hij heeft het niet over iets van eeuwen geleden, maar hij spreekt in de tegenwoordige tijd. Deze nacht trekken we terug de woestijn in. God is bevrijdend, deze nacht. Zo is het ook met dat verrijzenisverhaal. Het is niet voldoende dat we het hebben over het lege graf van honderden jaren geleden, maar over het lege graf van vandaag. Jezus is vandaag verrezen, hij leeft vandaag. Bij ons, in ons. In ons hart, open als het open graf.
Jezus geeft leven dat niet op raakt. Het is zo duidelijk bij de broodvermenigvuldiging waar enorm veel mensen samen gekomen zijn en waar ze begeesterd door de boodschap van Jezus alles wat ze hebben samen leggen, een paar broden en een paar vissen. Alsof ze zeggen: “Ik heb niet zoveel te bieden”. Maar ze openen hun harten voor elkaar. Hun vreugdes en hun verdriet, hun angst, hun hele zelf. Door het met elkaar te delen, vinden ze elkaar en dat maakt dat hun verdriet draagbaarder lijkt en hun vreugde groter. En ze kunnen er niet genoeg van krijgen, manden en manden zijn er over. Het geeft hen leven dat geen einde kent, leven in overvloed. Dat kan alleen als we ons hart voor elkaar open stellen, de steen ervan wegrollen. Net zoals het open graf een uitnodiging was om binnen te gaan en te zien dat de dood niet het laatste woord heeft.
Daar is dan die levende God. Hij leeft in ons hart en Hij is groter dan al onze harten samen. Het is niet helemaal bevattelijk, dat is nu juist geloven. Dat nieuwe leven voelen met je hart. Weten dat Jezus er altijd is. In de laatste zin van zijn evangelie laat Matteüs Jezus zeggen: “Weet wel, Ik ben met jullie, alle dagen, tot aan de voleinding van de wereld”. Net zoals God zei aan Mozes bij de brandende braamstruik: “Ik zal u altijd bijstaan”. Is dat geen heerlijke gedachte?
Waar de menselijke mogelijkheden eindigen, bij de dood, gaat God verder. Verder dan datgene wat wij begrijpen. Het mysterie van het geloof, zeggen we dan. Als ik mee kan zorgen voor mijn zieke stagemeester, geef ik al wat leven. Maar we weten dat onze mogelijkheden maar beperkt zijn. Het is altijd een beetje Goede Vrijdag. Maar dan is er ons geloof, onze hoop, onze kennis van het lege graf. Dan is het ook altijd Pasen. “Ik ben met jullie, alle dagen” Altijd. Wat een zalig geloof.
Een open graf (2007)
C-cyclus · Paastijd · Paaszondag · wit