ALLEMAAL SCHULD BEHALVE DE DIEF!
Met Pasen vieren we het geheim van de lente; dat de overwinning is aan het licht; dat de dood niet Jezus’ bestemming was.
Van Albert Einstein wordt verteld hoe hij eens onderweg was naar de bank om geld te halen. Toen hij terugkwam merkte hij dat hij zijn jas in de auto had laten liggen. Hij werd omringd door een aantal voorbijgangers die druk begonnen te praten: “Eigen schuld! Had je maar beter op je spullen moeten passen.” “Nee, de chauffeur had de jas beter moeten bewaken!” “Welnee, de portier van de bank had de dief moeten betrappen.” Einstein staat erbij en knikt. “Ja zeker, we zijn allemaal schuld, behalve de dief, die moet er tenslotte van leven!”
We dragen allemaal onze eigen verantwoordelijkheid in het ondoorzichtbare en onzegbaar ingewikkeld web van onze samenleving.\
OVER PILATUS, PETRUS, JUDAS EN KAJAFAS
Pilatus bijvoorbeeld. Hij is laf. Hij moet toezien op dat lastige joodse volkje met zijn eigenzinnig geloof, met zijn kakelende profeten en driftige idealisten. Hij heeft geen zin om scheidsrechter te zijn over kibbelende fanatici. Van hem gaan ze hun gang maar, zolang er maar geen openlijke botsing komt met de kerkelijke overheden. Dus liet Pilatus toe dat ze de Nazareeër kruisigden.
Petrus toont zich wat meer betrokken. Hij heeft een zwaard meegenomen voor alle zekerheid. Hij heeft er zelfs mee gezwaaid. Maar toen het menens werd kreeg hij het benauwd. Toen de strijd niet meer te winnen was, warmde hij zich aan een vuur. “Nee, die profeet met dat Galilese dialect, die kende hij niet!”
Judas wilde eraan verdienen. Er zijn altijd mensen die rijk worden van de oorlog, die winnen bij de armoede van anderen. Veertig zilverlingen leverde het hem op; tallozen doen het voor minder.
Annas en Kajafas speelden hun rol. Het waren gewiekste leiders, zonder corruptie klim je niet zo hoog op de ladder van de hiërarchie. Ze moesten er vooral voor zorgen dat de hoge heren de indruk hadden dat zij het volk onder de duim hadden. Tja, dan kan het natuurlijk wel eens nodig zijn om een onschuldige te offeren. Dat is dan de prijs voor de lieve vrede met Rome. Ze vonden het in het algemeen belang, de executie van de man die op zijn ezel Jeruzalem veroverd had. Zo zullen ze tegen zichzelf hebben gezegd voor het slapen gaan.
Ze hadden allemaal schuld, de andere leerlingen, de vrouwen, iedereen speelde zijn rol in het spel, waarin Gods liefde wordt vermoord.\
OVER ONS ALLEMAAL
Zo is het vandaag de dag. Volkeren worden uitgebuit, kinderen sterven in de straten van de wereldsteden waarin ze proberen te overleven, onbemind en ongewenst; in oorlogsgebieden laait haat op jegens moslims of chinezen, katholieken of Palestijnen, joden of Hutu’s. Mensen worden gediscrimineerd omdat ze anders zijn, het gebeurt allemaal in onze wereld. De duisternis etaleert zich dagelijks op de voorpagina van onze kranten. We kijken trots naar onze economische resultaten, maar we weigeren te zien wie er de slachtoffers van zijn in Europa en daarbuiten.
De Annassen en Kajafassen die hier en daar een oorlogsmisdadiger berechten, maar de grootste boeven laten lopen. De Petrussen die af en toe eens fel uithalen en demonstreren of een handtekening zetten, en dan weer inslapen. De Judassen die er rijk van worden, die over lijken gaan. Ze zijn er nog allemaal. Het evangelieverhaal is zo levend als de dag van heden.\
HET LICHT OVERWINT
In dat donkere wereldje laat de gelovige een woord van hoop horen. De duisternis heeft niet overwonnen en zal niet aan het langste eind trekken. De liefde van God is niet kapot te krijgen. Al die Kajafassen met hun gewichtigheden, die Judassen met hun penningen, al die Pilatussen met hun hocus pocus, al die wij, we kunnen de vlam van de liefde niet doven. Die zal blijven branden, zelfs in het eigen hart, en die zal overwinnen. Zoals hij, die Nazareeër, die profeet met zijn genezende handen, die man op zijn ezel, zoals hij nog steeds door ons op handen wordt gedragen en bestaat bij God. Mogen dat paasgeloof ons nieuw elan geven.\
DE EIEREN VAN MARIA
Lieve kinderen, Weten jullie wat we met Pasen vieren? Dat is een moeilijke vraag. Ik vroeg het een keer op school. De hele klas was meteen stil! Annelies stak haar vinger een beetje aarzelend op, zo van misschien weet ik het. Nou, wat denk je? vroeg ik. “Ik weet het niet zeker hoor, aarzelde Annelies. Ze keek even snel naar het plafond en gaf toen een snoezig antwoord: “Ik dácht”, zei ze, “ik dácht dat toen Maria eieren uitdeelde aan de apostelen.” Ik zag het voor me. Jezus was dood, zijn moeder en zijn vrienden waren ontzettend verdrietig en bang; ze hadden al dagen niets gegeten. En dan opeens is er die overtuiging: Jezus kan niet dood zijn. Hij moet wel bij God zijn. Zijn graf lijkt op een ei waar nieuw leven uitkomt. En Maria zei: “Toe jongens, eet eens wat”.