* De voorgelezen Schrifttekst is enkel het slot van Jezus’ hoogpriesterlijk gebed. Hij staat in het geheel van het Johannesevangelie op de vooravond van zijn passie, als zijn eindrekenschap aan God over zijn zending. Hij doet denken aan de afscheidsrede van Paulus te Milete, waarin ook de apostel als verantwoording geeft: “Ik heb in niets nagelaten om u Gods raadsbesluit in zijn volle omvang te verkondigen” (Hand 20,27). Zo zegt Jezus hier: “Uw Naam heb ik hun geopenbaard…” (Joh 17,26). Dit lijkt de kern en de samenvatting van wat Hij ons in zijn aards leven heeft gebracht.
1. De Naam die Jezus ons bracht is “Abba - Vadertje - Lieve Papa”.
-
Eens hadden zijn leerlingen Hem gevraagd hoe zij moesten bidden. Dan had Hij hun gezegd: “Wanneer ge bidt, zeg dan: ‘Abba’, Lieve Papa, Uw Naam worde geheiligd…” (Lc 11,1-2). Met Jezus begon een nieuwe gebedscultuur, deze van de intimiteit met God, het gebed van het hart. Het woord ‘Abba’ (Vadertje) had voor Jezus’ tijdgenoten een revolutionaire klank. Dat was nieuw. De aanroeping van God als Vader was bijna onbestaande. Ook in de psalmen niet. De grote bidders van het Oude Verbond stonden stil voor een afstandelijke God: “Heer Jahweh, Almachtige Koning… Niemand kan U weerstaan…” (Esther 4,2), en: “Kom, vallen we neer en buigen wij ons, en knielen wij voor God die ons schiep…” (ps.94/95 invitatorium). Deze klemtoon van eenzijdige verhevenheid bleef tot op vandaag ook bij de Moslims verabsoluteerd in hun godsbegrip “Allah”.
-
Eens zei me een Jehovahgetuige: “De christenen hebben de naam van God vervalst door Hem Vader te noemen. Want voor de brandende braamstruik gaf God aan Mozes zijn ware naam: ‘Ik ben die ben’, ‘Ik ben Jahweh’ (artificieel verworden tot Jehovah). “Dit is mijn naam voor altijd” (Ex 3,14-15). Die naam ‘Jahweh’ is een zeer moeilijk te vertalen woord. Die naam is niet zomaar statisch. Hij is leven. Hij verbergt een diepere inhoud. Sommigen vertalen: “Ik zal er zijn voor u” of: “Ge zult wel zien, ge zult wel ervaren wie Ik ben”. De Onnoembare werd noembaar, maar Hij bleef vaag. Mysterie. Jezus heeft deze raadselachtige naam niet verloochend maar wel uitgediept en verklaard: “En nu, Vader, verheerlijk Mij bij nu, met de heerlijkheid die Ik bij U had eer de wereld bestond. Ik heb Uw Naam geopenbaard.” (Joh 17,6). Het diepste van ‘Ik ben’ is dat Hij Liefde is, en dat wij in dit liefdesverhaal mogen binnentreden met het kinderwoord: “Abba, Lieve Vader”. Dat is dé ontsluiering. Die naam verandert onze relatie met God en verandert daarom heel ons leven.
2. Die Naam kunnen we echter maar uitspreken met Jezus en in zijn Geest.
-
Dat woord ‘Abba’ bleef bewaard in het Aramees, Jezus’ moedertaal. Het had op zijn lippen een onvergetelijke resonantie, die de unieke relatie verraadde die Hij met de Vader beleven mocht. Als Zoon was Hij het die in de schoot van de Vader was (Joh 1,18). “Niemand kent de Zoon tenzij de Vader, en niemand kent de Vader tenzij de Zoon, en hij aan wie de Zoon Hem wil openbaren” (Lc 10,22). Niemand kon zo in het hart van God kijken als Jezus. Jezus sprak altijd vanuit die achtergrond. Heel zijn leven bewoog zich in het bewustzijn van dit vaderschap, opvallend al vanaf zijn terugvinding in de tempel: “Wist ge dan niet dat Ik in de dingen van mijn Vader moest zijn?” (Lc 2,49), over toen Hij het uitjubelde dat alleen de kleinen Gods geheimen konden ontvangen: “Ik prijs U, Vader, Heer van Hemel en aarde…” (Lc 10,21), tot wanneer Hij in zijn hoogpriesterlijk gebed nu vraagt dat allen één mogen zijn: “zoals Gij Vader in Mij en Ik in U…” als teken van geloofwaardigheid voor heel de wereld (Joh 17,21), en tot het uur waarop Hij “Abba” zal zuchten in zijn doodstrijd (Mc 14,36), en op het kruis: “Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest” (Lc 23,46). Waar de Joden zo trots gingen op de menselijke vader van wie zij afstamden, kende Jezus blijkbaar maar één Vader, de hemelse. Toen Jezus zijn leerlingen het Onzevader toevertrouwde, gaf Hij hun meteen het voorrecht en het vermogen met Hem binnen te treden in diezelfde intimiteit die Hij met de Vader beleefde. Zij konden dan ook niet anders dan binnentreden in Jezus’ perspectief, de vraag naar het Rijk Gods, Rijk van liefde en genezing van de zieke wereld. Daarom kunnen ook wij maar ‘Abba’ zeggen met en in Jezus. ‘Abba’ is de aanspreking die van Hem is.
-
Wij kunnen dat woord maar uitspreken met Christus en in de Geest die ons bezielt. De Geest immers omvormt ons en brengt ons in deze bijzondere relatie met Christus, in een aangenomen kindschap. Paulus herinnert ons eraan: “Gij allen zijt kinderen van God door het geloof in Christus Jezus” (Gal 3,26), en: “Al wie door de Geest van God worden geleid, zijn kinderen van God…” En dan past hij het toe: “De Geest die gij ontvangen hebt is er niet een van slaafsheid, die u opnieuw vrees zou aanjagen. Gij hebt een Geest van kindschap ontvangen, die ons doet roepen: ‘Abba’, Vader !…” (Rom 8,14-15). Hij herneemt: “Het bewijs dat ge kinderen zijt, bestaat hierin dat God de Geest van zijn Zoon in onze harten heeft uitgestort, die roept: ‘Abba’, Vader !…” (Gal 4,6-7).
* Daarom is Pinksteren het slotfeest van heel het mysterie van Jezus’ menswording, leven, sterven en verrijzen. De Geest is degene die ons één maakt met elkaar in Christus en op weg zet naar het Vaderhuis. God ooit als onze Vader herkennen wordt onze onvoorstelbare vreugde en heerlijkheid.