Het uiteindelijk gebed (2007)

C-cyclus · Paastijd · 7e zondag van Pasen · wit

* Deze zevende en laatste paaszondag laat ons reikhalzend uitzien naar Jezus’ toekomstvisioen, het grootse gebeuren dat voor de Kerk op komst is, en dat de Pinkstergeest moet voltooien.

* We beluisterden daarnet het einde van Jezus’ Hogepriesterlijk gebed op het Laatste Avondmaal. Het is de langste bede van Jezus. Het is als “het Onzevader volgens Johannes”. In dit laatste gebedsgedeelte komen twee fundamentele en beslissende verlangens van Jezus naar voren:

1. Jezus bidt voor allen die ooit door zijn woord tot geloof zullen komen.

(a) Zojuist had Jezus gebeden voor zijn leerlingengroep. Die zorg wordt nu verruimd naar heel de mensheid. Hij voorziet dat zijn woord zal worden uitgedragen, niet alleen naar de Joden, maar naar alle volkeren over de wereld. Merkwaardig dat zijn bede eerst niet gaat over de verkondiging zelf van zijn goede boodschap, maar over de eenheid onder de gelovigen. Het is alsof Hij meteen een voorgevoel had van de gevaren die deze prille eenheid zouden bedreigen. Zijn eerste zorg.

  • Bij de christenen zijn er spanningen gekomen en is er verdeeldheid. Johannes zag het in zijn tijd al gebeuren. Maar heel onze samenleving is getekend door haat, nijd, geweld en foltering. We voelen er ons vaak machteloos tegenover. De politieke wereld wil die verdeeldheid in mooie maar onvolkomen woorden op verschillende wijzen bestrijden: verdraagzaamheid (waarbij soms de vrije meningsuiting als onverdraagzaam wordt gebrandmerkt), antidiscriminatie (marxistische term die uitpuilt van dubbelzinnigheid en vaak totaal verkeerd wordt gebruikt), vreedzame coëxistentie (waaronder de stille haat blijft smeulen), globalisering (alleen vanuit de economische hoek)…

  • “Mijn eenheid, mijn vrede geef Ik u, niet zoals de wereld die geeft…”. Jezus bad dat allen één zouden zijn naar het model van eenheid die in God is, en door hun deelgenootschap aan dit leven zelf van de Vader en de Zoon in de Geest: “Zoals wij één zijn. Dit is: vanuit Ons die één zijn”. Het gaat om eenheid in een belangloze liefde, die we zelf niet kunnen maken; in rijke verscheidenheid, waarin ieders eigenheid wordt gerespecteerd. Geen naamloze fusie zonder reliëf. Geen grijs pluralisme. In de christelijke eenheid is er ruimte voor alle rassen, culturen en talen. Die ware eenheid is de heiligheid van alle christenen. Het gaat hier om de wortels van de ware oecumene.

(b) Daarom gaat die eenheid vooraf aan de verkondiging. Ze moet een teken zijn van God onder ons, het getuigenis, het waarmerk van alle apostolische bedrijvigheid: “Opdat de wereld zou geloven…” De gekende Franse predikant le Père Monier zei het ronduit: “De moderne zonde is de zonde van de verdeeldheid”. Verdeeldheid in de gezinnen, in de buurten, in de gemeenschappen, tussen volkeren, in de Kerk… is de zonde van deze tijd. Onze zonde is dat we niet genoeg beminnen. Men verweet hem dat hij contacten had met schurken (des voyous): “je verwekt schandaal”. En hij antwoordde: “Mocht Christus terugkeren, zou Hij die omgang had met tollenaars en zondaars net hetzelfde doen.” Dezelfde Père Monier was het die beweerde: “De vooruitgang van de christen bestaat in de terugkeer naar een grotere innerlijkheid.” Daar bekeert men zich tot de ware liefde, de “agapè”. De populaire Père Duval zong destijds op zijn gitaar: “De hemel is daar waar men elkaar liefheeft.” Hebben in het verleden niet velen zich tegen de Kerk gekeerd, omdat haar leden zo dikwijls een tegenteken gaven door hun ontrouw aan het evangelie van de liefde ? Verdeeldheid in de Kerk maakt de Kerk ongeloofwaardig. Bernadette Soubirous zei, toen de Pruisen naderden (1870): “Ik heb minder schrik voor de Pruisen dan voor de slechte katholieken”.

2. Die eenheid op aarde moet open bloeien en voltooid worden in de eeuwige vreugde.

Jezus’ hoogpriesterlijk gebed vloeit verder over in de bede voor onze eindbestemming: “Vader Ik wil dat zij die Gij Mij gegeven hebt met Mij mogen zijn waar Ik ben, opdat ze mijn heerlijkheid aanschouwen… Ik heb hun uw naam geopenbaard… opdat de liefde waarmee Gij Mij hebt bemind in hen mag zijn en Ik in hen.” Hij had reeds gezegd: “Ik kom terug om u op te nemen bij Mij opdat ook gij zult zijn waar Ik ben.” Jezus vrààgt hier niet. Hij zegt gewoon: “Ik wil”. Hij mag zo spreken. Zijn wil valt samen met die van de Vader. Naar het woord van de kerkvader Ireneus: “De glorie van God is de levende mens; en het leven van de mens is God te zien.” Hierop is ons leven gericht.

  • Daarom is dit de uiteindelijke bede, die alle andere beden samenvat, opslorpt, uitzuivert, bekroont en afsluit. Onze vele smeekbeden zijn maar voorlopige tussenstadia, trappen, alvorens deze grote finale smeking komt. Het zal het slotakkoord van ons leven zijn. In de eerste lezing hoorden we in eenklank de stervende Stefanus: “Heer Jezus, ontvang mijn geest.” En in de tweede lezing de eindbede van het boek Openbaring: “Ja, Ik kom spoedig. Ja, kom Heer Jezus!” Deze horizont geeft een lichtgloed, die ons nu reeds vervult met een vreugde, die niemand ons ooit ontnemen zal.

Zoeken in Preken Online