Homilie op de 5e Paaszondag: Niet zeuren over het verleden!”
(Hand. 14, 21-27 en Jo. 13, 31-35)
Tielt, 28 april 2013
Soms, als je gelovige mensen en ook priesters bezig hoort over de Kerk, lijken ze wel supporter te zijn van een voetbalploeg die elke week verliest en met degradatie bedreigd is. Dat is niet leuk. Dat wekt geen geestdrift.
Toch een enigszins begrijpelijke ontgoocheling!
Ze stellen vast dat er elk jaar minder aanwezigen zijn in de weekendvieringen. En kom me niet vertellen dat het enkel de jongeren zijn die wegblijven uit de kerk: indien hier in Tielt één derde van de mensen boven de 50 jaar naar de kerk zouden komen, moeten we bijkomende weekendvieringen invoeren. Trouwen in de kerk lijkt gereserveerd voor een kleine minderheid. In het decanaat Tielt ken ik meerdere parochies waar er dit jaar geen enkel kerkelijk huwelijk is. De meeste overledenen worden nog kerkelijk begraven, ofschoon ik vermoed dat er thans één vierde of misschien zelfs één derde enkel burgerlijk begraven wordt. Wel worden de meeste kinderen nog gedoopt. Begrijpelijk! Want, als je niet gedoopt bent, kun je je eerste communie niet doen of gevormd worden. Daaraan hechten de meeste ouders nog veel belang: misschien niet voor de geest, maar wel voor het feest. Ze gebruiken de Kerk nog als een soort evenementenbureau. Kerken worden gesloten: nu eerst de wijkkerken, maar sommige parochiekerken zullen volgen. Wanneer weet ik niet. En wat de priesters en religieuzen betreft is de toekomst rampzalig. Op het Grootseminarie in Brugge zijn er in de 6 jaar nu nog 6 seminaristen.
De kloosters op de kleine parochies verdwijnen één na één. De Paters Minderbroeders zijn in 2007 uit Tielt verdwenen.
Dat alles vinden vele mensen heel jammer. Ik vind dat ook een verarming.
En zo kunnen we voort jammeren en in een spirituele depressie belanden.
Dat deden Paulus en Barnabas niet, zoals we het hoorden in de eerste lezing uit de Handelingen van de Apostelen. Letterlijk hoorden we: “Bij hun terugkeer naar Lystra, Ikonium en Antiochië bevestigden zij de leerlingen in hun goede gesteldheid, spoorden hen aan in het geloof te volharden en zeiden dat wij door vele kwellingen het Rijk Gods moeten binnengaan.”
Jezus heeft ons niet beloofd dat de geschiedenis van de Kerk een successtory zou worden. Integendeel! We moeten zelfs het verleden niet te gemakkelijk idealiseren. Mijn heimwee naar de volle kerken uit mijn kinderjaren is niet zo groot. Integendeel! In alle kerken liep er een suisse, een soort kerkelijke politieagent, rond. En hij was er nodig, niet om de mensen te doen bidden, maar opdat ze een beetje gemanierd zouden zijn en wachten tot buiten de kerk om hun varkens te verkopen of te speculeren op de duivenvluchten. Ik heb geen heimwee naar de lange rijen biechtelingen, die vergiffenis kwamen vragen over hun pekelzonden, maar verzwegen dat ze de armen arm lieten zijn en soms uitbuitten. En velen sprongen nogal los om met de fundamentele principes van de evangelische moraal. Het aantal buitenechtelijke kinderen, ook in koningshuizen, spreekt boekdelen.
Ik heb geen heimwee naar de tijd dat de Kerk rijk was aan zekerheden: zij wist wat waar was, wat goed was en kwaad tot in de intiemste details van het menselijk leven. Soms, en misschien zelfs nu nog, heeft ze de bal misgeslagen. Ze sprak dan ook in termen van macht en sierde zich met de attributen van de machtigen der aarde. Dat heeft zijn tijd gehad en we zijn blij dat onze nieuwe paus Franciscus het heel anders aanpakt.
Er groeit immers alom in de wereld het vermoeden dat zo een Kerk niet overeenkomt met het ideaal van de liefde, dat Jezus ons vandaag in het evangelie voorhield: niemand negeren, liefdevol omzien naar mensen in droefheid of miserie, luisteren vooral naar de sukkelaars die geen stem hebben in onze maatschappij. We hoeven niet te zeuren omdat de Kerk een toontje lager moet zingen. Wie heeft gezegd dat de Kerk altijd het hoogste en laatste woord moet hebben? Jezus niet! Wie heeft er gezegd dat de Kerk groot moet zijn? Jezus niet! Integendeel! Hij sprak altijd over de kleine kudde. We hoeven er niet om te treuren dat ons zoveel zekerheden uit handen worden geslagen. Wie heeft er gezegd dat de Kerk rijk aan zekerheden moet zijn? Jezus niet! Jezus preekte geen zekerheden, maar zaligheden.
De Kerk kan niet langer alle taken vervullen, die ze vroeger had opgenomen. Misschien best! Ze moet zich heroriënteren. Een Kerk in crisis betekent niet een Kerk in verval. Crisis komt van het Griekse woord “krinein”, wat “oordelen” betekent. Elke crisis is dan ook een uitdaging, een uitnodiging om na te denken over onze taak als christen, over wat er belangrijk is en hoe wij het moeten aanpakken.
De Handelingen van de Apostelen tonen hoe creatief Paulus en Barnabas te werk gingen: “In elke gemeente stelden zij na gebed en vasten oudsten voor hen aan en vertrouwden hen toe aan de Heer, in wie zij geloofden.”
Misschien moeten ook wij kiezen voor een compleet nieuwe aanpak. Wij hebben zoveel vrijwilligers in onze parochies, in onze buurten, in onze sociale organisaties, zoveel toegewijde mensen, onder wie er wel een of meer in de toekomst zouden kunnen gewijd worden. Dat is dus niet nieuw. We hebben het zopas gehoord: de Kerk is in de eerste eeuwen zo begonnen.
Als ook wij thans in die richting zouden zoeken, sluiten we ons aan bij de vroege traditie van de Kerk. En zou de Kerk niet meer gediend zijn met toegewijde mensen dan met gewijde bedienaars die soms uitgeblust zijn?
De Kerk heeft dan zeker toekomst, maar de toekomst ligt in het verre verleden.
Laten we hopen dat zij, die verantwoordelijkheid dragen in de Kerk, ook in die richting gaan zoeken.
Niet zeuren dus over het verleden, maar hoopvol de toekomst inkijken!
Gabriël Buyse, pastoor-deken em. Tielt
Homilie op de 6e Paaszondag: “Geen zwaardere lasten opleggen dan
het strikt noodzakelijke!” (Hand. 15, 1-2.22-29 en Joh. 14,23-29)
Tielt, 5 mei 2013
De Bijbel is boeiend als je teksten naast elkaar plaatst zoals vandaag in de lezingen. In de eerste lezing hoorden we dat sommige volgelingen van Jezus zeiden: “Indien je naar Mozaïsch gebruik je niet laat besnijden, kun je niet gered worden.” Maar in het evangelie zegt Jezus: “Als iemand Mij liefheeft zal hij mijn woord onderhouden.” Hij sluit zich daarbij aan bij het besluit van de apostelen in de Handelingen, namelijk dat je aan de mensen geen zwaardere lasten moet opleggen dan het strikt noodzakelijke.
Daarover wil ik het vandaag hebben.
Een kind kwam thuis van school en zijn moeder vroeg: “Wat heb je vandaag op school geleerd?” Waarop het kind antwoordde: “Ik heb mijn naam geleerd.” “Hoezo, zei de moeder; je kent toch je naam!” “Toch niet, zei het kind, vandaag hoorde ik voor het eerst mijn naam. Ik dacht dat ik “doe dat of doe dat niet heette, want dat hoorde ik altijd en overal. Nu pas hoorde ik dat mijn naam niet zo klinkt.”
Overal hebben mensen de neiging elkaar wetten voor te schrijven, elkaar toe te roepen “Doe dat” of “Doe dat niet… Gedraag je zo of gedraag je zo niet, anders zal je niet slagen in het leven. Kleed je zo en niet anders, want de meeste lopen zo gekleed. Drink dat of drink dat niet, dan voel je je beter. Luister naar dat, want dat is een tophit. Koop dat, dat is het paradijs, maar je moet wel even langs de kassa passeren. Zo moet je leven en zo moet je stemmen en zo moet je denken…” Dat zijn allemaal geen erge dingen: je voelt zelf wel dat het te gek is, dat het allemaal maar wind is, dat ze enkel maar achter je centen aanzitten of macht over je willen krijgen.
Erger is dat ook alle godsdiensten steeds geneigd zijn dat te doen: “Doe dat of doe dat niet, want anders…” Wij hebben ook in het christendom die fout gemaakt en daardoor zonden gecreëerd die achteraf er gene waren. Vooral op het gebied van de seksuele moraal was de kerkleiding kampioen in de voorschriften tot in het meest intieme van het menselijk leven, met als gevolg veel bezwaarde gewetens bij heel veel goed menende mensen.
In het evangelie zegt Jezus iets heel anders: “Als iemand Mij liefheeft, zal hij mijn woord onderhouden.” Hij zegt niet: “Doe dat of doe dat niet en dan zal je…” Hij bedoelt daarmee: “Als je Mij bemint, doe je dat vanzelf. Niemand hoeft het je te zeggen.” Het doen moet niet van buiten worden opgelegd; het komt vanzelf, vanbinnen uit. De liefde doet de deur open. De liefde heeft de sleutel.
In het toneelstuk Ornufle van de Franse schrijver Jean Anouilh komt een gesprek voor tussen een zanger en een pater. De zanger vraagt spottend: “Pater, waarover gaat de preek vandaag?” “Och ja, antwoordt hij zelf, dat is een domme vraag; jullie hebben maar één liedje.”
Dat is juist ook. Maar de pater had kunnen antwoorden: “Inderdaad, de liefde, je weet wel, dat waar jullie altijd over zingen.”
“Que c’est triste, Venise, quand on ne s’aime plus” (Wat is Venetië triestig als de liefde dood is) zingt Charles Aznavour. “Als je alleen maar de liefde hebt”, zingt Jacques Brel. “Als je de liefde niet hebt, dan ben je niet meer dan klinkend koper of een schelle cimbaal ,” zegt Paulus in het Hooglied van de liefde. “ Als je Mij liefhebt”, zegt Jezus en wat Jezus daarna zegt verstaat iedereen die leefheeft, want die doet immers ook wat zijn geliefde vraagt, die voelt zich ook één met de geliefde, ook al is hij even afwezig. Hij vindt in de liefde de kracht om meer te doen. Zijn hart is niet zo gauw verontrust of kleinmoedig, want hij heeft vrede gevonden. “Bij jou vond ik rust, bij jou werd alles goed”, zingt Zjef Vanuytsel.
Aan de grootse gevolgen van de liefde, aan de vrede die je dan krijgt, twijfelt wel niemand. De vraag is alleen maar: hoe krijg je iemand lief?
De eerste stap is elkaar leren kennen, zoals dat zo mooi gezegd wordt van twee geliefden. Dan word je geboeid, van die wil je alles weten. “Er was een tijd dat wij elkaar niet kenden”, zingt Miel Cools. “The more I see you, the more I want you” (Hoe meer ik je zie, des te meer heb ik je nodig), zingen The Platters en als The Platters het al wisten…
Zou het anders zijn als je Jezus gaat liefhebben? Dat gaat niet zonder kennismaking. Misschien houden veel mensen op onze dagen niet van Jezus omdat ze Hem niet meer kennen. En je leert Hem kennen, zo staat er te lezen in de Bijbel, niet in een storm, niet in groot gedruis en ik zou eraan toevoegen, ook niet in een geleerd boek, maar in het zacht gesuis van de wind, in een stil gebed of in de beleving van de liturgie.
De tweede stap om iemand lief te hebben is dat je voelt dat je bemind wordt, als je voelt dat de ander je kent en je aanvaardt zoals je bent, dat hij je de waarheid durft zeggen, maar ook dat hij je kan vergeven, dat hij dienstbaar is en altijd tijd voor je heeft, hoe druk het ook is. Dan weet je dat je bemind wordt. Jean Gabin zingt het in een eenvoudig liedje: “Quand quelqu’un vous aime, ce jour-là il fait beau” (Als iemand je liefheeft, is het een mooie dag). En The Mills Brothers zingen: “You are nobody till somebody loves you” (Je bent niemand totdat iemand van je houdt).
Ik wens elkeen veel mooie dagen: dagen waarop je de vreugde ervaart mensen te mogen beminnen en je bemind te weten door vele mensen. En mag ik eraan toevoegen: dagen waarop je Jezus bemint en je door Hem bemind voelt.”
Dan zal je geen zwaardere lasten moeten dragen en aan anderen geen zwaardere opleggen dan wat strikt noodzakelijk is.
Gabriël Buyse, pastoor-deken em. Tielt