Pasen vieren is de heerlijkheid Gods vieren. Het is Jezus’ heerlijkheid vieren. Het is Gods overwinning op de dood, in de verrijzenis van Jezus vieren. Het is elkaar liefhebben, zoals Hij ons heeft liefgehad.
De Apostelen die naar Jezus luisteren zijn in het nauw gedreven. Ze staan oog in oog met de dood. Jezus, hun Leider, zal omkomen en in hun rug voelen ze de haat van de andere Joden die heel zijn beweging willen oprollen, komaf willen maken met zijn ideeën, zijn aanhang willen verstrooien. Als Jezus hun in dit uur spreekt over zijn en Gods heerlijkheid, dringen de oude verhalen van hun geloof zich op aan hun geest. In die verhalen zoekt hun herinnering hoe zij Jezus’ woorden kunnen verstaan, hoe zij hun angst kunnen overwinnen, loskomen uit hun beklemming. Zij delen in de doodsangst van Jezus en horen Hem spreken over Gods heerlijkheid die zich in Hem zal manifesteren.
Terwijl ze naar Hem luisteren roept hun hart tot God. Hij alleen kan hen redden. En de woorden die Jahwe tot Mozes sprak, toen Israël de zee voor zich zag en Farao met zijn leger hen naderde dringen tot hen door. Het waren de woorden die zij straks, in de liturgie van Pasen weer zouden vieren: “Wat roept ge Mij toch! Beveel de Israëlieten verder te trekken. Gij zelf moet uw hand opheffen, uw hand uitstrekken over de zee en ze in tweeën splijten. Dan kunnen de Israëlieten over de droge bodem door de zee trekken. De Egyptenaren zullen weten dat Ik Jahwe ben als Ik Mij verheerlijk ten koste van Farao, zijn wagens en zijn wagenmenners”.
De dagen van schrik zijn nu lang voorbij. De hof van Olijven, de verwarde processen, de lijdensweg, de kruisdood en het graf, maar ook de verschijningen en Pinksteren. Dat Jezus verrezen is, is nu de hoeksteen van hun geloof en van het geloof van de hele Kerk. Nu begrijpen zij, en de hele Kerk met hen, hoe Gods heerlijkheid zich in Jezus getoond heeft, zich machtig gemanifesteerd heeft, en Johannes en de andere Evangelisten schrijven zeer doordacht en onder de inspiratie van de Heilige Geest, hun ervaringen van die dagen neer en wat ze nadien beleefd en ondervonden hebben in een steeds groeiende Kerk. Ze brengen de feiten samen en wat ze erover gedacht hebben. Hun interpretatie van wat gebeurd is, staat in de vier Evangelies.
De Apostelen begrijpen nu wat ze bij de verrijzenis niet begrepen. God die Israël redde bij de Rode Zee, heeft op dat bewuste Paasfeest, waaraan de doodsdagen voorafgingen, door Jezus te doen verrijzen uit de doden, ook hen gered, definitief gered. Hij heeft op dat bewuste Paasfeest zijn heerlijkheid opnieuw getoond, definitief, voor alle toekomende tijden, voor alle volkeren en voor elke mens. In die bewuste Paasweek “is de Mensenzoon verheerlijkt en is God verheerlijkt in Hem”. Machtig is de Heer opgetreden, de dood heeft Hij overwonnen en de Apostelen die eerst beefden van schrik, heeft Hij nadien dooreen geschud, door de Heilige Geest te zenden toen ze in het Cenakel bijeen waren. Hoe waar was het woord van Jezus, die donderdag voor Pasen: “Hij zal Hem spoedig verheerlijken”!
Hoe dringend, hoe dwingend, was nu ook dat andere woord van Jezus, dat onmiddellijk op het eerste volgde: “Een nieuw gebod geef Ik u: gij moet elkaar liefhebben, zoals Ik u heb liefgehad. Hieruit zullen allen kunnen opmaken dat gij mijn leerlingen zijt”. Zoals God aan het oude Israël eerst zijn heerlijkheid toonde door het van de dood te redden, en het daarna in de tien geboden de opdracht gaf door hun vertrouwen Hem te eren en te danken en elkaar te redden uit alle nood, zo moesten zij nu God verheerlijken, op de Verrezene vertrouwen en elkaar liefhebben, in zijn Naam gered worden en de anderen redden.