4e zondag van Pasen – jaar C

C-cyclus · Paastijd · 4e zondag van Pasen · wit

ROEPING
Jij bent ook een van de twaalf. Je taal, je hartslag verraadt je. Je hebt met de Heer gewandeld, je bent tweeduizend jaar oud. Hij heeft je gevonden, gevoed, gebroken vermenigvuldigd. Hij geeft je van hand tot hand als dagelijks brood voor je broeders. Hij noemde je naam: liefde. Leef maar, je bent toch niet meer van jou. Je bent zijn geluk, uitgezonden om wonderen te doen - hoor de blinden luid kreunen om licht, zie de doven staan dicht om je heen, de bezetenen herkennen je stem en je voetstap en de doden dromen nog van jou. Het water wacht in de kruiken, de steen wil brood worden, de boom zal vrucht dragen als jij voorbijkomt, de berg wil in zee gaan, jouw woord splijt de harten als donkere muren en jijzelf bent de hemelpoort. Nu dan, kijk omhoog. Zie, de wind waait en zaait waar hij wil, en jij hoort zijn geruis in de bomen, de maan vaart de wereld voorbij, zie de dag zwaait aarzelend over de aarde als een witte vlag van geluk.

Dit is het teken. Je moet gaan leven voorgoed, want de velden staan zwart van de mensen, de wereld staat wit van de angst. Vraag niets. Ga desnoods wegen van wanhoop tot de pijn je geneest. Je moet weer gaan leven, geloven, geboren worden en sterven in een eeuwig ogenblik, staande op toppen van tijd, en nog hoger opklimmen de donkere nacht in, het vuur van de stilte doorstaan. Stamvader, mensenzoon worden, een boom aan de bron zijn, een wachter, een wereldstad om in te wonen, een haven om in thuis te komen, een hartstocht, een vurige wagen, een taal die iedereen spreekt. God zelf is je reisgenoot. Hij zal een stok voor je snijden, een hoed voor je vlechten, een gordel. Hij is je mantel, je leeftocht, de rots en het water, de weg. Hijzelf is het wonder en de mensen. Wie ben je toch, dat ik dit zeg. (Huub Oosterhuis)

Zouden de leerlingen van Jezus heden ten dage aangeworven worden voor hun pastorale en kerkelijke opdracht, dan zou er zonder twijfel eerst een degelijk onderzoek plaats gevonden hebben om te zien of ze wel geschikte kandidaten waren. Zoiets bijvoorbeeld:

RAPPORT

Geadresseerde: Jezus van Nazareth, zoon van Jozef Timmer en schrijnwerkbedrijf, Nazareth in Galilea. Afzender: CBVA JORDAN – bedrijfsconsulenten, Jeruzalem Geachte Heer Jezus van Nazareth, dank voor het toesturen van het curriculum vitae van de 12 mannen die u uitkoos om hun verantwoordelijke posten toe te vertrouwen in uw nieuwe organisatie. Allen hebben een indrukwekkende reeks tests ondergaan, de resultaten daarvan werden verwerkt door de computer en boven dien hebben we voor elk van hen een persoonlijk onderhoud georganiseerd met onze psycholoog-bedrijfsconsulent Ons kabinet kwam tot de conclusie dat het merendeel van uw kandidaten ervaring missen, weinig gevormd zijn en ook over weinig vaardigheden beschikken voor het soort onderneming waarin u :zich wil lanceren. Zij hebben geen groepsgeest. Wij bevelen u dus aan uw opzoekingen verder te zetten met het oog op het ontdekken van kandidaten die ervaring hebben in het beheren van zaken en die hun competentie hebben bewezen.

Simon bar Jona, bijgenaamd Petrus dan – hij is blijkbaar de kandidaat van jullie voorkeur. Na enig psychologisch onderzoek blijkt hij emotioneel onstabiel, ten prooi aan nogal wat humeursprongen. Zijn broer Andreas bar Jona heeft werkelijk geen enkele aanleg om verantwoordelijkheid op te nemen. De gebroeders Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeus, zijn geneigd hun eigen belang te stellen boven de inzet voor de gemeenschap. Zij geven – paradoxaal genoeg – blijk van te véél ambitie. Thomas heeft dan weer de neiging tot eindeloos discussiëren en kibbelen, hetgeen het enthousiasme van de groep kan afremmen. We achten ons verplicht u mee te delen dat Matteüs als gewezen tollenaar op de zwarte lijst staat van de ‘Commissie van Groot-Jeruzalem voor de rechtvaardigheid in de zakenwereld’. Jakobus, zoon van Alpheus, en Thaddeus hebben ontegensprekelijk een neiging tot radicaliseren en beiden scoorden hoog bij het onderzoek naar manisch-depressieve neigingen.

Eén van de kandidaten evenwel beschikt over grote mogelijkheden. Hij is bekwaam, heeft verbeeldingskracht, leg gemakkelijk contacten en heeft veel zin voor zaken. Hij heeft ook heel wat relaties met hooggeplaatste personen. Wij raden dus aan om Judas Iskariot te nemen als uw beheerder en rechterarm. Hij is zeer gemotiveerd, ambitieus en schuwt de verantwoordelijkheden niet. De overige profielen vergen geen verdere commentaar. Wij wensen u veel succes toe met uw nieuw avontuur.

Hartelijk groeten, CVBA Jordan, bedrijfsconsulenten, Jeruzalem

ROEPING

Telkens weer

de zware poort ontsluiten.

Ruimten betreden

Povere drempels van gemis.

Het hart gevuld

met wat zo menselijk is.

In iedere stap

herkenbaar het

eerste-uur-gebaar.

Eenzaam

gemeenzaam

verder gaan

geloven in het licht

en schaduwen niet schuwen.

Traagzaam groeien

aan de pijn

van veel seizoenen.

Het vergezicht

komt dichterbij.

De weg naar binnen

ontsluiert mij

uw aangezicht.

Ik weet

op wie ik wacht.

Zuster Caritas Van Houdt – bij haar afscheid als portier

in de abdij Sint-Trudo, Male

Roeping

Dat kleine woord van toen

hoelang is het geleden –

alsof ik heden nog de echo hoor

doorheen de maalstroom

van dit broos bestaan.

Ik weet niet meer waar het begon

het stuwen van de bron

woord dat wortelt als de bomen.

Mijn antwoord kan slechts ‘amen’ zijn

vandaag nog méér dan toen…

Seizoenen: loutering van dromen

maar blijvend zingt verwondering.

De grote zomer zal wel komen.

Zuster Caritas Van Houdt

Wolken gaan langs het raam.

Het klein gezicht trekt saam. –

Van de overzijde het sein:

**‘Ik heb u bij de naam **

geroepen. Gij zijt Mijn’.

Ida Gerhardt

Die om mij smeekt

Die om mij smeekt, die ik heb afgeweerd zolang ik kon.

Die mij niet sleurde, niet duwde, maar wenkte over uw drempel.

Die de sluier van mijn angst niet scheurde, maar optilde.

Die met enkel uw stem mij zo vermurwde dat ik wilde.

Ooit door geruchten over U geknecht. Nu zonder angsten eindelijk verwacht ik U.

Die om mij smeekt, die ik heb afgeweerd zolang ik kon.

Huub Oosterhuis

Een dag waarop wij roepen?

Roepingenzondag. Wij roepen om herders en gidsen, om mensen met een hart voor mensen. Het is echter een stille dag. We horen zo weinig roepen. Predikanten zitten ermee verveeld: wat moeten ze roepen, wie moeten ze roepen, waarvoor roepen ze mensen op? Om priester te worden? Om religieus te worden? Om leek te worden? Om gewoon verder te doen, moedig en/of gelaten? Velen weten het niet, of liever, er is al elk jaar gepreekt voor roepingen en we moeten zo weinig mensen weigeren. Waarom er dan geen bid-dag van maken? Stilletjes roepen dus! Maar stellen we daarmee de juiste vragen? Om te kunnen roepen, moet je zeker zijn en klaar zien. Dat is een eerste punt: wij zijn niet eenvoudig, niet trefzeker en niet snedig met onze woorden. En dat kan ook moeilijk anders in een tijd van overgang, in een sfeer van zoeken en tasten naar de andere oever. Want het oude is voorbij en het nieuwe wordt maar moeizaam geboren. Elke geboorte is immers moeizaam. Ik vrees zelfs een beetje, dat we met velen niet goed weten welk kind we ter wereld willen brengen! Als ouders een kind verwekken, hopen ze. Ze hopen, dat het kind hun zaak verder zal zetten, dat het in hun lijn zal leven. Maar daar zijn ze ook niet helemaal zeker van: hun kind dat vandaag wordt geboren, overmorgen al in de volgende eeuw staan. Het een kind zijn dat ontwaakt tussen apparaten en technieken en theorieën die anders zullen zijn dan vandaag. Hun kind zal spelen en werken met andere instrumenten, misschien vrijer, misschien meer versuft of meer bedreigd, misschien zorgeloos gelukkig? Ze weten het niet. En toch: het leven gaat door en mensen blijven graag vader en moeder zijn. Zij nemen het risico van de toekomst, vanuit een vertrouwen dat ze zelf geen naam kunnen geven. Zij roepen een kind tot leven en beseffen, dat dit heel riskant is. Maar ze doen het met vreugde! Soms vraag ik me af of wij op roepingenzondag en op roepingenmaandag niet hetzelfde moeten doen in onze kerk. Elkaar oproepen om met vreugde risico’s te nemen, samen, soms ziende soms blind, elkaar bevragend of wij wel met vreugde geloven, dat er toekomst is voor het waaien van de Geest? Ook al weten we, dat er in de volgende tijd andere noden zullen zijn en andere vragen. Waarvoor roepen we dan mensen op? Om met ons samen deze zoektocht te maken? Ik geloof van wel, maar dat is een rare uitnodiging: het programma van het stuk moet nog worden opgesteld als wij ons toegangskaartje al hebben besteld… Wie neemt dit risico? En vooral, wie neemt dit risico voorgoed, radicaal en onvoorwaardelijk? Kan dat nog vandaag? Of moet onze kerk niet moedig uitzien naar een andere invulling van ambten en bedieningen? Werven voor een zekere tijd? Leren omgaan met half-timers? Met vrijwilligers die het een tijdje doen en zo de voorlopigheid verduren? Ik besef wel, dat ik niet erg geschikt ben om op deze zondag luid te roepen… En toch zou ik iets willen zeggen in de vragende vorm: dat het verhaal van Jezus door mag gaan alsjeblieft. Wie zal samen met ons de nieuwe lettertjes leren spellen? Frans De Maeseneer in ‘Woorden bij woorden”

Waar moet dat heen?

Ik liet u eenmaal bij mij binnen, al weet ik niet meer hoe. Sindsdien vroeg u om een beminnen ten einde toe.

Sindsdien wilde u over mijn leven regeren als mijn Heer en eiste u het volle geven en altijd meer.

En met u kwamen uw profeten te wonen in mijn huis,

kwamen uw armen bij mij eten, kwam ook uw kruis.

Sindsdien had ik niet meer te kiezen dan u en u alleen. Wat zal ik nog door u verliezen? Waar moet dat heen?

Waar moet dat heen, dat bij mij wonen met al wat bij u hoort? Daarheen: dat u het mij zult lonen, Heer, op uw woord.

Michel van der Plas

Omwille van Hem

Een stem in de stilte, een vraag ergens diep in je slaap, die je gewekt heeft. En nog eens en nog eens. En telkens opnieuw ben je opgestaan met geen ander antwoord dan wat in de aardlaag reeds van je zoeken, je dromen en denken was neergelegd: hier ben ik.

Zo ben je gegaan langs een oud spoor, met woorden nog ouder. Die zou je dragen, ontraadselen, mens laten worden en luisteren om in het licht van de tijd opnieuw te verstaan. In alles een speuren naar waarheid en eindeloos onderweg zijn.

Omwille van hem die in duizend gezichten je overal tegemoet komt.

Kris Gelaude in TGL – jg. 72 nr. 1 – jan./febr. 2016

Jan Tullemans De roeping van enkele vissers

Woorden die geschiedenis kunnen worden…

De roepingsverhalen in de Bijbel willen elk op hun manier de uitdagende keuze verhelderen die een gelovig bestaan inhoudt. Wij kunnen als mensen meebouwen aan Gods visioen of we kunnen het vervloeken. De keuzes die wij maken tekenen onze aardse levensloop ten goede of ten kwade. Maar trouw aan dat visioen of verraad eraan schuilen in ieder van ons. De wil om mee te werken aan de opbouw van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde moeten wij van dag tot dag leren en in de eerste plaats op onszelf bevechten.

‘Deze wereld is verschrikkelijk. Er lijkt wel geen beginnen aan. God zwijgt soms zo diep in alle talen dat je denkt: Hij bestaat niet. Er is maar één oplossing: dat je ‘En toch’ zegt en ‘Hier ben ik’; en om je heen kijkt of er nog iemand is die ook – en dat je dan samen probeert te redden wat je redden kunt. En is er ‘niemand die ook’, dan maar alleen. Misschien is er wèl ‘iemand die ook’. Misschien wel twee, of drie – zo is de man Jezus er ook aan begonnen. Eerst zag Hij niemand. En toen zag Hij er één. En toen nog één, en toen nog één… Altijd zijn er nog een paar woorden, in alle talen die je kunt prevelen, kunt denken: hebt elkander lief, doe recht, en de Naam ‘Ik zal er zijn’. Prent ze in het hart van je verstand, die woorden. Hou ze vast. Spreek dat af met jezelf. Ze zullen je vasthouden Ze zouden er niet meer zijn, die woorden, niet meer geladen met de kracht van verlangen en hoop, als ze niet ieder uur ergens in de wereld, in het verborgene, gedaan zouden worden. Ze betekenen: nieuw begin, nieuwe dag. Alles wat wij willen voor ‘onze´ kinderen – en ‘onze kinderen’ dat zijn alle kinderen van de toekomst.’ (Huub Oosterhuis)

Er zijn mensen die dat woord ‘Hineini – Ik sta borg’ zo praktisch tot hun levensbeginsel hebben gemaakt, dat zij er in slagen anders te kijken en te luisteren naar mensen en situaties – niet meer bitter, schamper, destructief, niet meer cynisch-onverschillig of wanhopig zoekend naar één of ander compromis om hun vel te redden. Hun leven is geworden tot een levenslang kortgeding tegen het cynisme. Mensen die roepen: ‘Hineini, hier ben ik. Ik wil verantwoordelijk zijn. Ik wil staande blijven in mijn trouw, onbuigzaam en onbevreesd’. Ik wil graag af en toe eens in de buurt verblijven van zulke ‘Hineini-mensen’. Vertoeven in hun krachtveld. Leren van hen wat ik eigenlijk al weet, intuïtief of uit halfbewuste ervaring: dat alle woorden over nieuwe geboorte en menswording, over ‘Uw Rijk kome’ en ‘Uw Wil geschiede’ en over ‘een God bij wie niets onmogelijk is’, altijd eerst op jezelf bevochten moeten worden, en dan in stilte volbracht, vóór ze echt geschiedenis kunnen worden, heilsgeschiedenis, het verhaal van God op weg met mensen…

Gebed voor wie geroepen is…

Ik zou zelf graag een beetje zulk een ‘Hineini-mens’ willen worden. Dag na dag probeer ik daarvoor te bidden, met deze prachtige woorden bijvoorbeeld:

Woon in mij

Gij hebt ons tot vrijheid geroepen.

Dat wij die vrijheid niet misbruiken om, in het wilde weg, ieder zijn eigen gang te gaan.

Gij die het woord tot ons gesproken hebt dat onze ziel vervult, wees vuur in ons wees goede wil in ons ; dat wij naar wegen zoeken om elkaar van dienst te zijn.

Dat uw geest ons drijven zal. Dat wij niet belust zijn op onszelf, afgekeerd van onze naaste en van U –

wij die wel liefhebben willen, toch doen wij het niet.

Bescherm mij tegen mijzelf. Dat ik niet losgeslagen leef, onbestuurd, en buiten uw bereik. Dat ik niet geld en macht aanbid, bezeten van bezit, verslaafd.

Dat wij elkaar niet bijten en verscheuren.

Doe ons afgekeerd zijn van geweld. Dat wij verzoening stichten, vriendschap sluiten. Dat meedogendheid en wijsheid in ons midden groeien zal.

Dat recht en vrede in ons midden wonen.

Gij die niet woont in enig werk van mensenhanden, Gij die ons hebt gemaakt, neem uw verblijf in ons.

Woon in mij in eeuwigheid.

Huub Oosterhuis in ‘Dan zal ik leven’

De wereld wordt on-eindig groot…

De ander komt ook nooit alleen in iemands leven binnen, spreekt nooit enkel namens zichzelf. Hij is altijd ook woordvoerder voor allen die naast hem staan. Hij of zij zou ieder ander kunnen zijn, elk – ander. In zijn appèl op mijn verantwoordelijkheid en solidariteit vertolkt die ene de stem van al de anderen, de Stem ook van de Allerhoogste Ander. Uitverkiezing, geroepen worden betekent volgens de Bijbel: een verantwoordelijkheid mèèr hebben… Die ander komt naar mij toe van ergens elders, van al zo hoge, van al zo veer. Hij breekt mijn wereld open, maakt haar eindeloos veel groter dan die was, maakt haar oneindig. De ‘einder’, de horizon van mijn bestaan valt nu nog nauwelijks te overzien. Vanaf dat moment wordt alles anders. Niet meer de behoefte, maar het verlangen wordt de grondtoon in mijn leven. Niet meer de autonomie van mijn willen maakt de dienst uit, maar het gehoor geven aan, het zich verantwoorden, de menselijkheid. Via de zwakke plek in mijn wereld, via de kantlijn, de marge komt de ander/de Ander aan het licht. Een vraag bereikt mij, en ik moet antwoord geven. En door het feit dat ik dat doe, ja sterker nog: op vóórwaarde dat ik dat doe, verschijnt mij de Oneindige. In het gelaat van de mens die mij aanziet dringt Hij zich onweerstaanbaar op. Niet meer ‘ik’ stel de grenzen van mijn wereld vast, maar hij/Hij die de grenzeloze is. Telkens weer blijk ik ergens te beginnen waar ik het niet verwachten kon, buiten de horizon van ‘ik en mijn wereld’. Nooit meer ben ik principe, begin en einde van mijn eigen leven. Ik ben voorgoed ‘buiten mijzelf’… Iets volstrekt nieuws begint. Mijn wereld, alles wat voor mij betekenis heeft – het is allemaal veel groter geworden. Er zijn geen grenzen meer. Ik ben de wereld van het/de Oneindige binnen gestapt…

                  ‘Toen heb jij, eenzaam als je was,
	minnaar zonder beminde, 
                    stem zonder weerklank,
	man zonder vriend,
	toen heb jij zo aanhoudend en hartstochtelijk
	gebonsd op mijn deur, dat ik wel horen moest.
	En ik werd ik.
	En Jij, wat ik verder ook van Je denk,
	Jij werd een God van mensen ...’

                      (Huub Oosterhuis, in ‘Zien – soms even’)

Dat verlangen wordt ook nooit volledig vervuld, maar diept zich gaandeweg uit, blijkt groter te worden naarmate een mens er meer van leeft.

Geen mens ontkomt aan de keuze: voor of tegen deze weg. Je kunt vluchten in allerlei verdovingen, maar ook grenzeloos ondergaan in het burgerlijke bestaan met zijn kleine zorgen voor het eigen leven. Waken is dus nodig, waken en bidden. Waken is weten van de grenzen en toch de droom niet uit je hart verliezen. Het is niet gelukkig proberen te zijn zonder hoop. Met dichtgeknepen ogen turen naar het licht van de einder, zoals een wachter uitziet naar de morgen. ‘Hoe ver is de nacht, wachter, hoe ver?’ ‘Nog is het nacht’, zegt de wachter, ‘maar straks is het dag…’

Waken en bidden is je afvragen wat je moet doen. In het perspectief van Zijn koninkrijk gaan staan, een wereld waar brood en liefde is voor allen. Jezelf tegen het licht houden van ‘recht en ontferming’; je openen voor het toekomstvisioen van die God die rusteloos op zoek is naar mensen die willen zeggen: ‘Ik zal borg staan’, ‘Hier ben ik…’ Bidden is smeken: ‘Verhaast de dag van Uw gerechtigheid’. En je beschikbaar stellen om mee te doen in elk nieuwe begin.

Juda is nuchter van liefde en verlangen, - hoe paradoxaal dat ook mag klinken. Resoluut kiest hij voor trouw aan zichzelf en zijn bestemming. Wat was zijn bestemming ook al weer? Dat hij zich gezonden weet tot bevrijding van zijn broers. En trouw zijn aan zichzelf is: opstaan en bereid zijn om te gààn. Reikhalzend uitzien naar de dag dat openbaar zal worden wie wij zijn – ‘zoals een hert reikhalst naar levend water’…

Op weg gezonden

Je gaat Hem achterna en ziet de mensen allerwegen. Soms is Hij één van hen, gewoon een man, een vrouw, een kind, alleen maar ergens onderweg. Of Hij staat kwetsbaar aan de kant, met in zijn blik een vraag, een oogopslag van hoop, misschien een toegestoken hand of een vermoeide schouder. Je gaat Hem achterna en zoekt zijn stem tussen de velen. Soms doet het pijn hoezeer de stilte zwijgen kan, terwijl de stenen moesten spreken. Maar toch is Hij nooit ver vandaan, soms achter je, soms naast je. Dan legt Hij over jou zijn kracht. Zijn woord dat zich weer laat verstaan. De warmte van zijn adem. Je gaat Hem achterna. En wordt de mens die Hij geroepen heeft, om onverdeeld voor anderen veelvoud te kunnen zijn, vijf broden en twee vissen. Jouw naam heeft Hij genoemd, om in de vloed te staan van lief en leed. En namens Hem te worden: altijd-iemand-anders-tochtgenoot. Je gaat Hem achterna. En vraagt de zegen van zijn handen om lief te hebben, los te laten, telkens weer te herbeginnen. Dat Hij je wegen toont, zijn schaduw bieden zal en je tot mantel is. Dat Hij je aan mag raken en ten diepste zal beminnen.          Kris Gelaude

Kom dan, bron van klaarheid. Stem in ons, ontdooi ons. Verhelder ons. Oriënteer ons. Schrap in ons, stuur bij en corrigeer.

Stil de storm in ons. Toon ons waar het op aan komt. Laat ons aanvoelen wat goed is en slecht. Wijs ons terecht. Roep ons. Duw ons. Stuw ons. Trek ons. Vuur ons aan.

Doe beroep op ons. Blijf ons roepen. Ga met ons waar niemand gaat. En beloof ons dat Gij er altijd zult zijn, dat Gij altijd met ons mee zult gaan.

(bron mij niet bekend)

Ieder mens wordt in de Schrift minstens twee keren geroepen. Of beter: roeping herhaalt zich steeds op-nieuw. Anders mag het geen roeping heten – dan is het veeleer een dwaze inval, een vlaag van zinsbegoocheling, een vorm van pretentie misschien of van zelfoverschatting, een éénmalige opstoot van religieuze bevlogenheid of schoonmenselijke goeie wil. Precies het feit dat een roeping zich herhaalt, dat men die Stem die er eerst was niet kan vergeten of niet uit zijn hart kan verbannen, is een bewijs dat ze écht is.

Roeping is een repeterende breuk. Of beter: een inbreuk vanwege God en de mensen in je leven. En dat komt telkens terug, in schokgolven als het ware. Dat móet, anders is zo’n roepingsbesef niet te vertrouwen. Zie naar Mozes, zie naar Petrus, zie naar de kleine Samuël in de tempel bij priester Eli, zie naar Jezus van Nazareth. Telkens weer dezelfde Stem die roept, met dezelfde aandrang, vergezeld van hetzelfde onweerstaanbare ‘moeten’. ‘Eénmaal, andermaal, verkocht…’ – dat is de magische spreuk waarmee het lot van een geroepene in de Schrift uiteindelijk wordt bezegeld…

Luc Blomme – Brandend braambos


HERDER ZIJN IS HOEDEN EN BEHOEDEN.

PASTORAAL VOOR HET ‘NIEUWE NORMAAL’…

Om te beginnen:

In een doopviering waarin nogal wat kinderen aanwezig zijn, gebruik ik vaak als evangelieverhaal de parabel van de goede herder en zijn verloren schaap. Ik lees en vertel/acteer dan eerst het verhaal, waarbij ik herhaaldelijk als ‘roep-naam’ van het verloren schaap de naam van de dopeling zelf invul (De herder roept bijvoorbeeld herhaaldelijk: “Emma, waar ben je..?”) Ik heb dan van te voren een heel aantal knuffelschaapjes in de kerk of kapel verstopt, en voeg er altijd ook nog een paar ezels aan toe - om maar te laten zien wie er in deze vreemde onherbergzame wereld niet allemaal kan verloren lopen… En dan mogen de kinderen met zijn allen op zoek gaan naar alle verloren schapen, om ze één voor één thuis te brengen in de kring van ‘dopende mensen’… Ze moeten ze niet in de eerste plaats naar mij brengen, zeg ik dan tegen de volwassenen, want dat is een groot en hardnekkig misverstand: dat ik en ik alleen de ‘pastor’ zou zijn in deze – neen, het zijn de ouders en grootouders, de peter en meter enz… die deze dienst van ‘huispastoraal’ dag aan dag aan deze kleine dopeling zullen moeten bewijzen. Ik ben slechts bemiddelaar in zo’n doopviering, om ieder op zijn of haar pastorale verantwoordelijkheid te wijzen. Ik stop ook altijd een groot zwart schaap mee weg (ooit gekocht in Ikea!) – en vaak wordt dat het eerst ontdekt en gevonden. Sommige kinderen zijn immers – als het goed zit – van nature reeds heel erg ‘pastoraal begaafd’… Het komt er op aan zulke natuurlijke talenten zo vlug mogelijk op te sporen – in de maatschappij, maar zeker ook in de Kerk. Kijk maar eens wat ze tegenwoordig in de voetbal- of tenniswereld aan ‘scouting’ doen… Wie trefzeker het zwarte schaap weet te vinden, het meteen (voor hem of haar) opneemt en thuis probeert te brengen: die is ten eerste en ten zeerste geschikt voor het Rijk Gods. Ik vind dit in elk geval een zeer belangrijke vorm van ‘roepingenpastoraal-in-de-praktijk en in het klein’. Het komt er daarbij als ‘talentscout’ vooral op aan goed te kijken wat er gebeurt: hoe de kinderen bijvoorbeeld bij het ontdekken van die verloren gelopen ezel even aarzelen – een beetje vertwijfeld naar één van de volwassenen kijken en met grote ogen vragen: hoort die er òòk bij, ‘in godsnaam’, ja of neen..? Dan moet je als volwassene snel en overtuigend ja-knikken: natuurlijk hoort die er ook bij. Want een goede herder maakt nooit een onderscheid…

De pastor-herder

Een echte herder woont niet in een huis van zekerheden. Zijn stal heeft nog geen zoldering – vaak wordt er kou geleden. Die stal is maar een stenen muur, die je wat kan beschutten. Daar schuilen rond een waaiend vuur de herder én de kudde.

En samen zoeken zij vandaar, de herder en de schapen, naar weiden, leven voor elkaar – al weten zij soms niet goed waar. Zo gaan zij, ongewapend, wetend: God zal niet slapen. Uit Jan Duin: ‘Bij tijden’

Enkele belangrijke pastorale lessen voor de Kerk. Voor wie, met wie moet de Kerk vandaag aan ‘pastoraal’ doen? Voor wie moet zij kiezen..?

De herdersstaf is en blijft de maat-staf in de Schriften, vanaf het begin (Kaïn en Abel – Genesis 4) tot op het einde (Matteüs 25, het laatste oordeel)…

De Zoon des mensen, die ten tijde van het grote onderscheid, het laatste oordeel, de schapen aan zijn rechterhand zal zetten, en de bokken aan zijn linkerhand, Hij is en blijft tot op het eind een echte Herder, die als enig criterium ter beoordeling van een mensenleven de vraag zal hanteren of wij op onze beurt wel herders zijn geweest voor elkaar – vooral voor de armsten en de kleinsten. De maat-staf voor zijn eindoordeel op de ultieme deliberatie is noch min noch meer een herdersstaf… Op de Grote Dag aan het einde der tijden informeert de Mensenzoon niet naar de stand van zaken omtrent onze orthodoxie of ons wekelijks kerkbezoek. Hij is alleen geïnteresseerd in de stand van onze pastorale zaken, en of wij in onze kerkgemeenschap wel samen hebben geherderd. Zo is het trouwens volgens de Schriften gesteld met het laatste, het ultieme oordeel over àlle koningschap en leiderschap. De scepter van een echte koning in de Schriften is de herdersstaf. En in alle bijbelse verhalen over de mens-op-zijn-best, zal je zien dat het de herder is die de scepter zwaait… Ieder van ons is geroepen tot het behoeden van de weerloze waarde der menselijkheid. Het is onze verdomde plicht op de voorposten te staan om wie verloren dreigt te gaan, rusteloos te gaan zoeken en thuis te brengen. ‘Er is geen verandering in het leven zo weerbarstig en onwaarschijnlijk, of zij wordt door waarachtige liefde mogelijk gemaakt’, las ik ooit ergens. Van de ontmoeting met een echte herder word je een ander mens. Mensen die mens zijn geworden met vallen en opstaan, beseffen soms maar al te goed hoe zij daaraan voorafgaand gezocht en gevonden werden, telkens weer… Misschien moeten wij als Kerk zelfs zo’n veilig baken in de woelige zee van deze welvaartsmaatschappij zijn, dat gelovigen en ongelovigen het lef hebben te dwalen, te zoeken, te verkennen, de weg te verliezen een tijd lang… Omdat ze weten dat er vlakbij een Kerkgemeenschap bestaat vol vindingrijke herders, die durven te zeggen tegen elk mensenkind: “Ga maar je eigen weg in het leven, verlies je maar, raak maar zoek… Maar wij verliezen jou nooit vanzeleven niet – niet uit het gelovige oog en niet uit het pastorale hart.”

Het verhaal van de goede herder en zijn honderd schaapjes – maar omgekeerd…

En dan een (heel scherpe, profetische!)uitspraak van Karel Staes die ik ooit ergens las – toch niet de minste wat ‘vondelingenpastoraal’ betreft: “Ik denk wel eens dat onze Moeder de Heilige Kerk de parabel van de goede herder ondertussen stilaan heeft omgedraaid. De goede herder liet negenennegentig schapen achter om het ene schaap te gaan zoeken dat verloren was. Onze Kerk houdt op vandaag vaak nog slechts één schaap van de vroegere honderd over, en houdt het stevig in de klem, om het te scheren, te melken, te bepraten en met wetten en regels te bepreken. En ondertussen laat men de negenennegentig die hopeloos op zoek zijn om ergens een veilige thuis te vinden in het leven, achteloos verloren lopen…” Men redeneert in onze Kerk nog zeer vaak volgens een zeer ‘economische’ logica, en hanteert ook pastoraal en klerikaal de wetten van de efficiëntie en de haalbaarheid. En dus lijkt het soms beter hier en daar een schaap of tien op te offeren (ze waren toch al verloren voor de ‘goeie zaak’), dan ze op de duur allemaal te verliezen. Tenzij misschien, als elke herder voortaan weer volgzaam zou willen zijn als te voren, en de kerkelijk-pastorale boel niet telkens in het honderd zou laten lopen met al dat uitzichtloze ‘zorgen voor’…. Honderd op honderd schapen veilig en risicoloos thuis is vaak nog altijd het ideaal, uitgangspunt en streefdoel – en dus moeten het schaap of de herder die eigenzinnig verloren liepen, zich eerst maar ‘bekeren’ en op eigen houtje terugkeren naar de ware schaapstal…
De tijd dat meneer pastoor per definitie zijn schaapjes in de Kerk voor eens en altijd op het droge had, is al lang voorbij. Het zijn niet de verloren schapen die moeten terugkeren naar de ware schaapstal – het zijn wij, de ‘pastores’, die dringend naar hen toe moeten (de boze wereld in!) om hen te zoeken, te vinden, te helpen dragen en ons zo door hen te laten bevrijden van onze overdreven drang naar veiligheid, naar nestwarmte en kerkelijk cocoongedrag…

Een herder-bisschop op zoek naar zijn Kerk en zijn schapen…

En dan ook nog een schitterende anekdote over Mgr. Jacques Gaillot, nu noodgedwongen bisschop van het virtuele Partenia, maar eertijds druk bezig in het pastorale ambt van zijn officiële bisdom Evreux – Normandië. Hij verhaal is te vinden in zijn boek ‘Woorden zonder grenzen’. Hij vertelt daarin hoe hij op een dag op weg was naar een klein dorpje in zijn diocees om er de twaalfjarigen te gaan vormen. En hoe hij toen zijn eigen kerk niet vinden kon… Het gaat zo: ‘Ik kwam juist op tijd aan. Het dorpje, waar ik tevoren al eens was doorgereden, moet zo’n drie- à vierhonderd inwoners tellen. Merkwaardig genoeg kon ik de kerk niet vinden. Het dorp lag er totaal verlaten bij. Ik draaide en keerde. Vruchteloos. In de verte zag ik een gebouw dat best wel eens de kerk zou kunnen zijn. Ik daarop af! Maar het bleek een oude schuur te zijn, met wat tractoren ervoor. Het werd later en later en ik dacht bij mezelf: Wat jammer dat iedereen nu in de kerk zit!’ Ik was nog in gedachten verzonken, toen ik op een nieuwe weg een man bemerkte, gekleed in een blauwe overall. Hij was de bomen in zijn tuin aan het snoeien. Ik haastte me naar hem toe: ‘Wat een geluk dat u niet in de kerk bent! Ik kan de kerk waar ik verwacht word hier maar niet vinden. Dat is toch wel het toppunt voor een bisschop!’ De man glimlachte. Hij begreep mijn verwarring en toonde me de weg. Hij zei resoluut dat ik rechtsomkeer moest maken. In mijn haast om er te geraken, draaide ik te vroeg een weg in, die alweer niet naar de kerk leidde. Vanuit zijn tuin had de man met zijn ogen mijn wagen gevolgd. Toen hij zag dat ik de verkeerde kant opreed, haastte hij zich naar zijn garage, sprong in zijn wagen en zette de achtervolging in. Mijn Goede Herder slaagde er in me te doen stoppen en zette me veilig en galant op de juiste weg. Hij bracht me zonder ongelukken tot bij een klein kerkje, dat verscholen lag in een dal. Er stonden een massa wagens omheen en het zat vol met mensen die zich afvroegen of de bisschop nog wel zou komen. Dan vertrok de man opnieuw naar zijn tuin, zonder dat ik de tijd had om hem te bedanken. Even later, na de vormselplechtigheid, toen de mensen in het gemeentehuis een glas dronken op de vriendschap, ben ik discreet even weg gegaan om die niet-praktikerende man te gaan opzoeken en te bedanken omdat hij zijn bisschop op weg gezet had naar de kerk…’ Mgr. Gaillot zei over dit voorval later: ‘Gelukkig dat niet iedereen op elk moment in de kerk zit, anders zouden we soms de weg naar die Kerk van ons niet eens meer vinden… Buitenstaanders die voor de ‘goede zaak’ verloren lijken, kunnen ons soms helpen om onze eigen kerk te her-ontdekken…’

Conclusie: een profetische boodschap van Mgr. Romero uit El Salvador:

Jef Ravelingien schrijft in TGL – jg. 66 – 2010/6 – nov. / dec.: ‘Ik hoor het Romero nog zeggen, in die plechtige aula in Leuven – ik parafraseer even: “Bij ons, in ons bisdom, is het allemaal veranderd toen we beslist hadden geen prioriteit meer te schenken aan onze binnenkerkelijke problemen, maar aan de schrijnende leefomstandigheden van onze mensen” Waarom is dat het eerste wat er moet gebeuren? Hoe geraak ik anders weg uit mijn vooroordelen tegenover een mij minder bekende wereld? Hoe kan ik anders die mensen leren respecteren, als ik hun lijden en gevecht niet kan? Is er een andere weg om van ze te leren houden? Wellicht is die eerste stap essentieel. Een confrontatie aandurven met bijvoorbeeld een krottenbuurt is een heel andere bewustwording dan het inkijken van statistieken. Zoals een krantenbericht over anonieme verkeersdoden je nooit even sterk zal aangrijpen als de uitvaart van een verongelukt buurmeisje. Bij Romero en mijn vrienden-priesters in El Salvador bleek die eerste shock (ergernis, woede,…) noodzakelijk. Vooral als aanzet naar nog veel volgende stappen: meer willen weten en begrijpen, oorzaken en mogelijke remedies ontdekken, met bondgenoten aan verandering werken, enzovoort. Dus: een heel proces van verandering. Mogelijk een processie van Echternach: het vervagen van het origineel visioen, het geruisloos afhaken van medestanders, het onbegrip en tegenwerking… Moeheid, gebrek aan praktijkgeloofwaardigheid, analyses die onrijp blijken te zijn… Wie kent die aanvechtingen niet? Maar bevrijdingstheoloog Jon Sobrino bemoedigt dan: ‘Alleen zij die onderweg zijn, kunnen de hoop koesteren ooit aan te komen…’’

Nog een (binnen)kerkelijk toemaatje…

Een Kerk zonder priesters? Niet makkelijk en ook niet écht wenselijk… Maar misschien is dat nog te doen – mits de nodige (her)organisatie.

Een Kerk zonder ‘pastores’ (m/v) en herders? Ondenkbaar en ondoenbaar…

Niemand kan ernaast kijken dat de Kerk bij ons vandaag bloedt uit de wonden van het zogenaamde priestertekort. Als die wonden niet geheeld worden dreigt de kerk in haar bestaande gestalte er op relatief korte termijn aan dood te bloeden. Nu moeten we niet blijven zeuren over het priestercelibaat en de toegang van vrouwen tot het priesterambt. Dat zet geen zoden aan de dijk. In een preek ter gelegenheid van ‘roepingenzondag’ schreef de Limburgse bisschop Schruers enkele jaren geleden: “Is dit niet de roeping van elke christen: een herder zijn voor medemensen, vanuit de vriendschap met God groeien in vriendschap met elkaar en in de wereld?” Niemand zal dit betwisten, maar het lijkt teveel op een doekje voor het bloeden. Het bloeden kan maar doeltreffend gestelpt worden door christenen die bereid en bekwaam zijn een herderschap in de volle bijbelse zin op zich te nemen: zorgen voor de taken die nodig zijn om een gemeenschap van gelovigen goed te doen leven. Christenen dus die metterdaad werk willen maken van een noodzakelijke herdefinitie van het kerkelijke herdersambt. Iedere gelovige, of die nu man of vrouw is, die op deze manier van zijn geloof zijn beroep wil maken, moet daartoe de kans en de nodige (ook financiële) middelen krijgen. Zoals iedereen weet worden er in Vlaanderen en in heel West-Europa op dit moment nauwelijks nog priesters gewijd. Kan dat? Een kerk zonder priesters? Het hangt ervan af wat men onder ‘priester’ verstaat… Zonder herders, voorgangers en leiders kan de Kerk uiteraard niet bestaan. Maar een andere tijd vraagt een andere kerkordening en een ander soort priester, vooral een andere parochiepriester of pastoor. Door het priestertekort is het gevaar dat priesters mislezers worden, die in het weekeinde van de ene parochie naar de andere toeren. Het zijn dan service-priesters van een soort ‘parochiale Touring-Wegenhulp’. Dit kan niet blijven doorgaan. Een priester kan toch niet naar vier, vijf, zes parochies of meer gaan! Een parochie is toch ook geen geestelijk tankstation! De plaatselijke geloofsgemeenschap zal bekwame, opgeleide, bezielende gelovigen, mannen en vrouwen, gehuwd of ongehuwd, moeten kiezen en vragen aan de bisschop om ze te wijden. Het is toch duidelijk een ‘teken van de tijd’ dat Gods Geest niet alleen celibataire mannen roept. Op vandaag mogen en moeten we spreken van een ‘meervoudig herderschap’, uitgeoefend door gelovigen met specifieke kwaliteiten. In veel gemeenschappen zijn er zulke mensen. Er bestaat een reservoir van mensen, vrouwen zowel als mannen, die bekwaam en bereid zijn om een herderlijke taak op zich te nemen. Mensen met de gave van het woord, mensen met leiderskwaliteiten, mensen die verstand hebben van besturen, mensen die medemensen kunnen bezielen, mensen met bijzondere gaven om te wijden en te zegenen, mensen die begaafd zijn om voor te bidden en bekwaam om anderen te leren bidden. Dat is de richting waarin moet gedacht worden. De richting waarin de smalle opvatting van het priesterschap wordt losgelaten en de weg wordt gevolgd naar een meervoudig priesterschap: een veelheid van verscheiden priesterlijke en zorgende taken die door verschillende mensen, naargelang van hun bijzondere gaven en talenten, worden waargenomen. Zo kunnen we erin slagen het bloeden van de kerk te stelpen en de ontelbaar vele schapen op de dool, thuis te brengen. Het heeft er nog altijd de schijn van dat men van kerkelijke hogerhand blijft aarzelen om consequent in die richting te denken. Maar dat is geen reden om de armen te laten hangen. We hebben het al vaker zien gebeuren dat de vitaliteit van het christelijk leven sterker is dan de kerkelijke leer. En wanneer dit ‘verzekerd’ is in onze kerkgemeenschappen en straks in onze nieuwe ‘pastorale eenheden’ – dan (en dan pas!) is het belangrijk van de kwestie van het voorgangerschap en het priesterambt… op-nieuw te bekijken. En uiteraard moet ook daar dringend iets worden aan gedaan – waar wachten de ‘Herders’ van Rome en elders toch op, om de profetische waarschuwing van Jeremia uit de eerste lezing ter harte te nemen, het ‘huurling zijn’ wat dat betreft toch eindelijk eens af te zweren.. In een interview met het tijdschrift van Wereld-Missiehulp zegt pater Frans Damen (68), provinciale overste van de paters Passionisten:

‘Hoe moet je aan jonge mensen uitleggen dat de vrouw in de Kerk geen leidinggevende functie mag uitoefenen, lees: priester worden. Zo sluit je meteen 50 procent van de mensen uit. En, op 18 jaar moet een jongeman, die priester wil worden, eeuwige trouw beloven aan een celibatair leven. Zo gaat het er toch niet meer aan toe in deze wereld. We zitten in de rats omdat we cultureel achterop zijn geraakt. Erger nog, de Kerk is herleid tot een Fremdkörper’.

En, als er geen priesterroepingen meer zijn, vooral door uitsluiting van vrouwen en gehuwden, dan moet gezocht worden naar andere vormen van echte verantwoordelijkheid in gemeenschap en de Kerk. Hij/zij moet dan de volle verantwoordelijkheid krijgen. Dit moet dringend gebeuren: de opgelopen schade is al aanzienlijk. Op langere termijn zal ongetwijfeld het priesterambt daarin wel weer een specifieke plaats krijgen’.( WMH – Wereld Missie Hulp – april/mei/juni 2012 – jg. 21)

Managers gevraagd! Mensen die de techniek hanteren om mensen maximaal te doen renderen. Zij boeken resultaten in duidelijke cijfers en grafieken. Management is een vak dat hoog in aanzien staat. Meer, het is een filosofie die zegt dat de onderneming belangrijker is dan de mensen die er werken. Management is echte koopwaar geworden. Managers zijn huurlingen. Zij kunnen van de ene firma overstappen naar een andere, want: alleen de resultaten tellen. Lijnrecht tegenover de manager staat de herder. Hij is bezeten door menselijk geluk. Hij bindt zich aan mensen met een band waar iets van liefde in zit. Herder zijn is geen vak, het is een toewijding, en soms heldhaftigheid. Men vindt herders in begeleiding en wederaanpassing van verslaafden en ex-gevangenen, in verzorging en verpleging, in opvoeding en sociale begeleiding, overal waar gewerkt wordt aan menselijk leed of menselijke pijn, die niet in cijfers kan uitgedrukt worden. Herders worden niet meer gevraagd en nog minder gewaardeerd. Zij kunnen geen cijfers, geen tabellen voorleggen. Zij hebben geen ‘resultaten’. Daarom is onze tijd zo arm aan menselijk geluk en zo rijk aan overbodige goederen. Manu Verhulst

De plaatsen waar de Kerk van de toekomst in de eerste plaats aan ‘pastoraal’ moet doen, zijn alle ‘vind-plaatsen’ waar gekwetste, door het verleden en de onkansen getekende mensen leven: op palliatieve zorgen, bij (ex)gedetineerden, bij aids-patiënten, bij asielzoekers, vluchtelingen en mensen zonder papieren, bij oorlogsslachtoffers, bij nabestaanden van zelfdoding, bij echtgescheidenen, uitgeslotenen, gemarginaliseerden, armen… Het volstaat daar iets van mededogen zichtbaar en tastbaar proberen te maken, en meteen zullen wij als Kerk weer geloofwaardig worden… ‘Ik geloof niet in de God waar jij mij af en toe over spreekt’, zei ooit een clochard in Parijs tegen Abbé Pierre. ‘Maar als die God van jou is wat jij nu reeds zoveel jaren voor mij doet, dan interesseert Hij mij toch heel erg…’

Zeg tegen iemand dat ik hier ben…

Fernando Silva leidt het kinderziekenhuis in Managua. Op de avond voor Kerstmis had hij tot heel laat doorgewerkt. De vuurpijlen knalden al en vuurwerk begon de hemel in kleurig licht te zetten, toen Fernando besloot om weg te gaan. Thuis werd er op hem gewacht om feest te vieren. Hij maakte een laatste ronde langs de zalen om te zien of alles in orde was. En terwijl hij daarmee bezig was, hoorde hij voetstappen die hem volgden. Voetstappen van watten: hij draaide zich om en zag dat een van de zieke kinderen achter hem aanliep. In het halfdonker herkende hij hem. Het was een jongetje dat alleen was. Fernando herkende zijn reeds door de dood getekende gezichtje en die ogen die excuus vroegen of misschien toestemming. Fernando ging naar hem toe en het jongetje raakte zijn hand aan: ‘Zeg asjeblief…,’ fluisterde hij,* ‘zeg asjeblief tegen iemand dat ik hier ben…’*" uit ‘Het boek der omhelzingen’ van Eduardo Galeano.

NUMMER ZOEKEN

Mijn dossier was zoek geraakt. Ik wist mijn nummer niet meer Ik moest mijn nummer zeggen. Mijn naam was niet genoeg. Aan een naam hebben we niets, zei het loket. Uw nummer hebben we nodig. Dan kunnen we zoeken in het bestand, u zit onder een code. Ik heb toch een naam, zei ik. We kunnen u alleen op nummer vinden, mijnheer. Ik vergeet soms, zei ik. Ik ben suikerpatiënt. Ik ben soms ontregeld. Daar hebben we niets mee te maken. Dat zijn dokterszaken. Wij willen alleen uw nummer.

Een lange rij stond achter mij. Er klonk steeds meer gemompel. Wie vergeet nu zijn nummer. Dan moet je wel stom zijn. We hebben hier allemaal een nummer. Toen ging er een deur open. Komt u maar even hier rustig zitten zei een vriendelijke stem. Ik haal wat koffie voor u. Toen ze terugkwam met haar koffie, wist ik mijn nummer weer. Hoe is uw naam, zei het jonge meisje. Ik noemde mijn naam. Zo heet mijn vriend ook, zei ze. Ik vind het zo een mooie naam…

uit een boekje van Welzijnszorg: ‘Uit de schaduw’

Sieger Köder - Jezus, de Goede Herder

‘En als hij het gevonden heeft, neemt hij het vol blijdschap op zijn schouders, en draagt het naar huis’ (Lc. 15,5)


ROEPINGENZONDAG IN TIJDEN VAN CORONA EN LOCKDOWN…

Jan Tullemans De roeping van enkele vissers

Die om mij smeekt

Die om mij smeekt,

die ik heb afgeweerd zolang ik kon.

Die mij niet sleurde,

niet duwde, maar wenkte

**over uw drempel. ** **Die de sluier van mijn angst niet scheurde, maar optilde. **

Die met enkel

uw stem mij zo vermurwde dat ik wilde.

Ooit door geruchten

over U geknecht. Nu zonder angsten

eindelijk

verwacht ik U.

Die om mij smeekt,

die ik heb afgeweerd zolang ik kon.

Huub Oosterhuis

Een dag waarop wij roepen?

Roepingenzondag. Wij roepen om herders en gidsen, om mensen met een hart voor mensen. Het is echter een stille dag. We horen zo weinig roepen. Predikanten zitten ermee verveeld: wat moeten ze roepen, wie moeten ze roepen, waarvoor roepen ze mensen op? Om priester te worden? Om religieus te worden? Om leek te worden? Om gewoon verder te doen, moedig en/of gelaten? Velen weten het niet, of liever, er is al elk jaar gepreekt voor roepingen en we moeten zo weinig mensen weigeren. Waarom er dan geen bid-dag van maken? Stilletjes roepen dus! Maar stellen we daarmee de juiste vragen? Om te kunnen roepen, moet je zeker zijn en klaar zien. Dat is een eerste punt: wij zijn niet eenvoudig, niet trefzeker en niet snedig met onze woorden. En dat kan ook moeilijk anders in een tijd van overgang, in een sfeer van zoeken en tasten naar de andere oever. Want het oude is voorbij en het nieuwe wordt maar moeizaam geboren. Elke geboorte is immers moeizaam. Ik vrees zelfs een beetje, dat we met velen niet goed weten welk kind we ter wereld willen brengen! Als ouders een kind verwekken, hopen ze. Ze hopen, dat het kind hun zaak verder zal zetten, dat het in hun lijn zal leven. Maar daar zijn ze ook niet helemaal zeker van: hun kind dat vandaag wordt geboren, overmorgen al in de volgende eeuw staan. Het een kind zijn dat ontwaakt tussen apparaten en technieken en theorieën die anders zullen zijn dan vandaag. Hun kind zal spelen en werken met andere instrumenten, misschien vrijer, misschien meer versuft of meer bedreigd, misschien zorgeloos gelukkig? Ze weten het niet. En toch: het leven gaat door en mensen blijven graag vader en moeder zijn. Zij nemen het risico van de toekomst, vanuit een vertrouwen dat ze zelf geen naam kunnen geven. Zij roepen een kind tot leven en beseffen, dat dit heel riskant is. Maar ze doen het met vreugde! Soms vraag ik me af of wij op roepingenzondag en op roepingenmaandag niet hetzelfde moeten doen in onze kerk. Elkaar oproepen om met vreugde risico’s te nemen, samen, soms ziende soms blind, elkaar bevragend of wij wel met vreugde geloven, dat er toekomst is voor het waaien van de Geest? Ook al weten we, dat er in de volgende tijd andere noden zullen zijn en andere vragen. Waarvoor roepen we dan mensen op? Om met ons samen deze zoektocht te maken? Ik geloof van wel, maar dat is een rare uitnodiging: het programma van het stuk moet nog worden opgesteld als wij ons toegangskaartje al hebben besteld… Wie neemt dit risico? En vooral, wie neemt dit risico voorgoed, radicaal en onvoorwaardelijk? Kan dat nog vandaag? Of moet onze kerk niet moedig uitzien naar een andere invulling van ambten en bedieningen? Werven voor een zekere tijd? Leren omgaan met half-timers? Met vrijwilligers die het een tijdje doen en zo de voorlopigheid verduren? Ik besef wel, dat ik niet erg geschikt ben om op deze zondag luid te roepen… En toch zou ik iets willen zeggen in de vragende vorm: dat het verhaal van Jezus door mag gaan alsjeblieft. Wie zal samen met ons de nieuwe lettertjes leren spellen? Frans De Maeseneer in ‘Woorden bij woorden”

**ROEPING **

Jij bent ook een van de twaalf. Je taal, je hartslag verraadt je. Je hebt met de Heer gewandeld, je bent tweeduizend jaar oud. Hij heeft je gevonden, gevoed, gebroken vermenigvuldigd. Hij geeft je van hand tot hand als dagelijks brood voor je broeders. Hij noemde je naam: liefde. Leef maar, je bent toch niet meer van jou. Je bent zijn geluk, uitgezonden om wonderen te doen - hoor de blinden luid kreunen om licht, zie de doven staan dicht om je heen, de bezetenen herkennen je stem en je voetstap en de doden dromen nog van jou. Het water wacht in de kruiken, de steen wil brood worden, de boom zal vrucht dragen als jij voorbijkomt, de berg wil in zee gaan, jouw woord splijt de harten als donkere muren en jijzelf bent de hemelpoort.

Nu dan, kijk omhoog. Zie, de wind waait en zaait waar hij wil, en jij hoort zijn geruis in de bomen, de maan vaart de wereld voorbij, zie de dag

zwaait aarzelend over de aarde als een witte vlag van geluk.

Dit is het teken. Je moet gaan leven voorgoed, want de velden staan zwart van de mensen, de wereld staat wit van de angst. Vraag niets. Ga desnoods wegen van wanhoop tot de pijn je geneest. Je moet weer gaan leven, geloven, geboren worden en sterven in een eeuwig ogenblik, staande op toppen van tijd, en nog hoger opklimmen de donkere nacht in, het vuur van de stilte doorstaan. Stamvader, mensenzoon worden, een boom aan de bron zijn, een wachter, een wereldstad om in te wonen, een haven om in thuis te komen, een hartstocht, een vurige wagen, een taal die iedereen spreekt. God zelf is je reisgenoot. Hij zal een stok voor je snijden, een hoed voor je vlechten, een gordel. Hij is je mantel, je leeftocht, de rots en het water, de weg. Hijzelf is het wonder en de mensen. Wie ben je toch, dat ik dit zeg. (Huub Oosterhuis)

Roeping

Dat kleine woord van toen

hoelang is het geleden –

alsof ik heden nog de echo hoor

doorheen de maalstroom

van dit broos bestaan.

Ik weet niet meer waar het begon

het stuwen van de bron

woord dat wortelt als de bomen.

Mijn antwoord kan slechts ‘amen’ zijn

vandaag nog méér dan toen…

Seizoenen: loutering van dromen

maar blijvend zingt verwondering.

De grote zomer zal wel komen.

Zuster Caritas Van Houdt

ROEPING

Telkens weer

de zware poort ontsluiten.

Ruimten betreden

Povere drempels van gemis.

Het hart gevuld

met wat zo menselijk is.

In iedere stap

herkenbaar het

eerste-uur-gebaar.

Eenzaam

gemeenzaam

verder gaan

geloven in het licht

en schaduwen niet schuwen.

Traagzaam groeien

aan de pijn

van veel seizoenen.

Het vergezicht

komt dichterbij.

De weg naar binnen

ontsluiert mij

uw aangezicht.

Ik weet

op wie ik wacht.

Zuster Caritas Van Houdt – bij haar afscheid als portier

in de abdij Sint-Trudo, Male

Wolken gaan langs het raam.

Het klein gezicht trekt saam. –

Van de overzijde het sein:

**‘Ik heb u bij de naam **

geroepen. Gij zijt Mijn’.

Ida Gerhardt

Zouden de leerlingen van Jezus heden ten dage aangeworven worden voor hun pastorale en kerkelijke opdracht, dan zou er zonder twijfel eerst een degelijk onderzoek plaats gevonden hebben om te zien of ze wel geschikte kandidaten waren. Zoiets bijvoorbeeld:

RAPPORT

Geadresseerde: Jezus van Nazareth, zoon van Jozef*.** Timmer**-** en schrijnwerkbedrijf, Nazareth in Galilea.* Afzender: CBVA JORDAN – bedrijfsconsulenten, Jeruzalem Geachte Heer Jezus van Nazareth, dank voor het toesturen van het curriculum vitae van de 12 mannen die u uitkoos om hun verantwoordelijke posten toe te vertrouwen in uw nieuwe organisatie. Allen hebben een indrukwekkende reeks tests ondergaan, de resultaten daarvan werden verwerkt door de computer en bovendien hebben we voor elk van hen een persoonlijk onderhoud georganiseerd met onze psycholoog-bedrijfsconsulent. Ons kabinet kwam tot de conclusie dat het merendeel van uw kandidaten ervaring missen, weinig gevormd zijn en ook over weinig vaardigheden beschikken voor het soort onderneming waarin u :zich wil lanceren. Zij hebben geen groepsgeest. Wij bevelen u dus aan uw opzoekingen verder te zetten met het oog op het ontdekken van kandidaten die ervaring hebben in het beheren van dergelijke zaken en die hun competentie hebben bewezen.

Simon bar Jona, bijgenaamd Petrus dan – hij is blijkbaar de kandidaat van jullie voorkeur. Na enig psychologisch onderzoek blijkt hij emotioneel onstabiel, ten prooi aan nogal wat humeursprongen. Zijn broer Andreas bar Jona heeft werkelijk geen enkele aanleg om verantwoordelijkheid op te nemen. De gebroeders Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeus, zijn geneigd hun eigen belang te stellen boven de inzet voor de gemeenschap. Zij geven – paradoxaal genoeg – blijk van te véél ambitie. Thomas heeft dan weer de neiging tot eindeloos discussiëren en kibbelen, hetgeen het enthousiasme van de groep kan afremmen. We achten ons tevens verplicht u mee te delen dat Matteüs als gewezen tollenaar op de zwarte lijst staat van de ‘Commissie van Groot-Jeruzalem voor de rechtvaardigheid in de zakenwereld’. Jakobus, zoon van Alpheus, en Thaddeus hebben ontegensprekelijk een neiging tot radicaliseren en beiden scoorden hoog bij het onderzoek naar manisch-depressieve neigingen.

Eén van de kandidaten evenwel beschikt over grote mogelijkheden. Hij is bekwaam, heeft verbeeldingskracht, legt gemakkelijk contacten en heeft veel zin voor zaken. Hij heeft ook heel wat relaties met hooggeplaatste personen. Wij raden dus aan om Judas Iskariot te nemen als uw beheerder en rechterarm. Hij is zeer gemotiveerd, ambitieus en schuwt de verantwoordelijkheden niet. De overige profielen vergen geen verdere commentaar. Wij wensen u veel succes toe met uw nieuw avontuur.

Hartelijk groeten, CVBA Jordan, bedrijfsconsulenten, Jeruzalem

Waar moet dat heen?

Ik liet u eenmaal bij mij binnen,

al weet ik niet meer hoe.

Sindsdien vroeg u om een beminnen

ten einde toe.

Sindsdien wilde u over mijn leven

regeren als mijn Heer

en eiste u het volle geven

en altijd meer.

En met u kwamen uw profeten

te wonen in mijn huis,

kwamen uw armen bij mij eten,

kwam ook uw kruis.

Sindsdien had ik niet meer te kiezen

dan u en u alleen.

Wat zal ik nog door u verliezen?

Waar moet dat heen?

Waar moet dat heen, dat bij mij wonen

met al wat bij u hoort?

Daarheen: dat u het mij zult lonen,

Heer, op uw woord.

Michel van der Plas

Omwille van Hem

Een stem in de stilte,

een vraag ergens diep in je slaap,

die je gewekt heeft.

En nog eens en nog eens.

En telkens opnieuw

ben je opgestaan

met geen ander antwoord

dan wat in de aardlaag reeds

van je zoeken,

je dromen en denken

was neergelegd:

hier ben ik.

Zo ben je gegaan

langs een oud spoor,

met woorden nog ouder.

Die zou je dragen, ontraadselen,

mens laten worden

en luisteren

om in het licht van de tijd

opnieuw te verstaan.

In alles

een speuren naar waarheid

en eindeloos onderweg zijn.

Omwille van hem

die in duizend gezichten

je overal tegemoet komt.

Kris Gelaude in TGL – jg. 72 nr. 1 – jan./febr. 2016


De twee crises van de kerk

**Jonna van den Berge-Bakker **en Marten van der Meulen

Theologie.nl – 14 februari 2025

Wat kun je doen met degenen die ‘toevallig’ op je pad komen? (Beeld: Marina Novitkaia via iStock.com)

Hoe moeten kerken die te maken hebben met een proces van krimp reageren? Jonna van den Berge-Bakker en Marten van der Meulen bespreken twee crises waar de kerk mee te maken heeft. Zijn kerken nog bewust van hun roeping?

De Ark is een geloofsgemeenschap die jaren te maken heeft gehad met een krimpend aantal leden. De geloofsgemeenschap komt bij elkaar in een niet zo opvallend kerkgebouw ergens in een nieuwbouwwijk in het midden van het land. Jongeren en kinderen waren er vroeger veel, maar inmiddels bestaat de actieve geloofsgemeenschap voornamelijk uit oudere mensen. Op een gegeven moment kwam de kerk voor de vraag te staan: hoe willen we kerk-zijn? Het gevoel bestond dat als ze op bestaande voet verder zouden gaan de kerk een langzame maar zekere dood zou sterven. De predikant van de gemeente besloot om, zoals ze het zelf zei, ‘een paar draden uit het verleden’ weer op te pakken. De gemeente was vroeger op allerlei manieren verbonden geweest met de wijk. In gesprekken met elkaar en met mensen in de wijk besloot de gemeente zich opnieuw te richten op de buurt en het eigen gebouw beschikbaar te stellen voor de wijk. De wens om meer naar buiten gericht te zijn, leefde breed. Een keerpunt was de komst van een groep Syrische vluchtelingen in een AZC in de buurt. In antwoord op de vragen die ze van deze mensen krijgen, organiseren ze een taalcafé, kledinguitgifte en maaltijden. Door hun betrokkenheid bij deze vluchtelingen komen ze in contact met allerlei organisaties. De contacten die ze opdoen en het proces dat ze doormaken met elkaar, zorgt ervoor dat De Ark langzamerhand een gemeenschap wordt met een sterkere diaconale betrokkenheid. Ze ontdekken daardoor opnieuw hun roeping, hoewel dat soms ook een tijdje duurt. ‘Soms valt het kwartje pas achteraf, dat het de stem van God was in de ander,’ aldus één van de gemeenteleden. En de kinderen en de jongeren, komen die terug? Nou niet echt, maar gek genoeg maken ze zich er niet zo druk meer om. De Ark – een echt bestaande, maar geanonimiseerde kerk – staat niet alleen: veel geloofsgemeenschappen in Nederland gaan door een soortgelijk proces van krimp. Zij vragen zich af hoe ze moeten reageren. Gek genoeg helpt het als kerken ontdekken dat zij niet met één crisis, maar met twee crises te maken hebben. Bovendien maakt het uit welke crisis ze eerst aandacht geven. We merken in de praktijk dat het aandacht geven aan ‘crisis 2’ kerken ontspanning geeft. Kerken vinden dan nieuwe antwoorden op hun roeping en durven concrete en soms moeilijke keuzes te maken. Sommige gemeenten groeien of tonen een nieuwe vitaliteit De kerk in Nederland heeft het moeilijk Het is voor iedereen duidelijk dat het niet zo goed gaat met de kerk in Nederland. Er is al tientallen jaren een proces van afkalving aan de gang. Deze treft bijna alle denominaties en kerken. Dit is verdrietig: het betekent afscheid nemen van mensen, van hoe de kerk eerder was en functioneerde. De neergang maakt mensen soms zo moedeloos dat ze de goede dingen die er ook zijn niet meer zien. Daarnaast is er sprake van wat de predikant Wim Dekker geloofsverlegenheid noemt: we denken niet meer vanuit de werkelijkheid van God, als de Eerste. De analyse van Dekker wordt breed gedeeld. Mensen voelen aan dat de crisis niet alleen te maken heeft met krimp van leden, maar ook met een dieper probleem dat met ons geloof te maken heeft. Toch zijn er wel zeker tekenen dat er nieuwe dingen gebeuren in kerken, of tekenen van verrassende creativiteit. De casus hierboven is daar een voorbeeld van. Kerken en gemeenteleden vinden manieren om door te gaan met wat ze al deden of vinden nieuwe manieren om kerk te zijn. Sommige gemeenten groeien of tonen een nieuwe vitaliteit. Dit is een kleine, maar belangrijke trend die veel minder zichtbaar is dan het grotere beeld van sluiting en verval. Toch is deze tegenstroom net zo belangrijk om de huidige situatie van de kerk te begrijpen. Veel geloofsgemeenschappen vinden het lastig om een koers te bepalen. Wat zijn realistische mogelijkheden voor verandering of vernieuwing? Het onderscheiden van twee verschillende crises helpt om wegwijs te worden in een rommelige praktijk. We werken eerst beknopt uit wat deze twee crises zijn en stellen vervolgens dat kerken die vernieuwing zoeken als eerste crisis 2 moeten adresseren. Dan komt crisis 1 ook in een ander licht te staan. Crisis 1 en 2 De kerk in Nederland heeft te maken met twee crises. Crisis 1 is de afkalving van de kerk. Crisis 2 is dat kerken vergeten waartoe ze geroepen zijn. Beide zijn verwant, maar het is belangrijk ze te onderscheiden. Crisis 1 is de crisis waarin wij ons ‘toevallig’ bevinden. Het is de situatie van veel kerken in de afgelopen decennia, in de meeste westerse samenlevingen, waaronder Nederland. Crisis 2 is in feite een permanente crisis omdat wij voortdurend onze roeping vergeten, negeren en frustreren op steeds nieuwe en ingenieuze manieren. We doen dat als individuen, maar ook als kerk. Reactie op crisis 1 Het goede nieuws is dat crisis 1 kerken kán helpen aandacht te besteden aan crisis 2. Dit is echter niet vanzelfsprekend. De afkalving van de kerk roept meestal twee andere reacties op: die van kramp of van reparatie. Kerken in de kramp steken veel energie in het doorgaan met wat er nog is. Vooral het woord ‘nog’ is een veelgebruikt en veelzeggend woord. Het geeft aan dat mensen zich ervan bewust zijn dat wat ze doen waarschijnlijk niet lang meer zal duren, maar ze gaan toch door. Ook De Ark ging lang door op hetzelfde pad, waardoor het langzamerhand een sterfhuisconstructie had kunnen worden. Die keuze is begrijpelijk. Vaak voelen mensen niet de ruimte om te herontdekken wat de roeping van hun kerk is in hun eigen context. Kerken in de kramp steken veel energie in het doorgaan met wat er nog is Een andere reactie op crisis 1 is het verlangen om het kerksysteem te repareren. Dit uit zich in allerlei voorstellen om de symptomen van de crisis aan te pakken. Kerken bedenken manieren om meer mensen bij hun geloofsgemeenschap te betrekken, ze willen relevant zijn voor de buurt, of ze starten programma’s voor betere geloofscommunicatie. Deze reparatiebenadering is springlevend in Nederlandse kerken. Niet zelden worden voorbeelden van getalsmatig groeiende kerken bestudeerd om de succesfactoren te ontdekken, zodat andere kerken daarvan kunnen profiteren. Veel voorstellen voor vernieuwing zijn in feite reparaties – het gaat om het herstel van de kerk. Zowel kramp als reparatie kunnen leiden tot moedeloosheid en teleurstelling: je bent maar één van de weinigen die zich in wil zetten voor de kerk. Of je voelt de last van het voortbestaan van de kerk op je schouders rusten. De achteruitgang is triest omdat veel dingen die dierbaar zijn verdwijnen. Natuurlijk vinden wij herstel van de kerk ook belangrijk. Het is fijn als er veel mensen komen op zondag, de gebouwen mooi en goed onderhouden zijn, er veel vrijwilligers zijn en de werkers goed opgeleid, et cetera. Toch kun je ook prima kerk zijn met weinig mensen, zonder gebouw en met niet zo veel middelen. Ons punt is dat al deze dingen – veel of weinig – in dienst moeten staan van waartoe je als kerk geroepen bent. Aandacht voor crisis 2 Wat nu als kerken zich niet als eerste richten op crisis 1, maar op crisis 2 en opletten waar hun roeping te ontdekken valt? Bij roeping denken we niet aan iets heel ingewikkelds. Zo wordt het vaak wel opgevat. Maar wij denken aan alledaagse dingen, en vooral aan mensen. Roeping komt op je pad, meestal van buiten, en is te horen in de stem van wie jou nodig heeft. Daar waar je talenten en de nood van de wereld elkaar kruisen, daar is je roeping. Voor kerken betekent dit dat ze mogen leren luisteren en ontdekken wat er van Godswege naar hen toe komt. Kerken komen in de modus van ontvangen en antwoorden op de roeping die ze ontdekken. In de casus van De Ark was de keuze om hun gebouw beschikbaar te stellen voor de wijk niet alleen ingegeven als oplossing voor een krimpende kerk, maar vooral door het ontdekken van de nood die in de wijk aanwezig is. In theologische taal zou je kunnen zeggen dat kerken gericht moeten zijn op het Koninkrijk van God. Je richt je als kerk op de werkelijkheid van God, die je niet beheerst en waar je zelf ook afhankelijk van bent. Er valt dan iets te proeven in de kerk van het koninkrijk. En wat er in en door de kerk gebeurt, draagt dan bij aan Gods goede wereld. Een kerk die Gods goedheid zoekt, weet ook dat ze die zelf niet kan en hoeft te realiseren. Hoewel er dus iets op het spel staat, is de kerk bevrijd van een drang om volmaakt te zijn. Roeping komt op je pad Het belang van de volgorde Crisis 2 is de eigenlijke crisis van de kerk, en hier zou dus haar aandacht op gericht moeten zijn. Maar crisis 1 wordt niet automatisch opgelost door aandacht te besteden aan crisis 2. Het voorkomt geen krimp. Verre van dat. De kerk zou klein en onbeduidend kunnen blijven. In sommige gevallen blijkt crisis 1 zelfs een zegen, omdat het uiteindelijk leidt tot aandacht voor crisis 2. Sommige kerken hebben alles geprobeerd en zijn tot de conclusie gekomen dat alles wat te maken heeft met crisis 1 onoplosbaar is. Dat geeft hun de kans om de redenen achter al hun inspanningen te bevragen. En die vraag brengt hen in de juiste richting, namelijk naar hun roeping als gemeente. Niet alle kerken doen dit. We komen ook kerken tegen die bewust of onbewust kiezen voor de optie van een langzame maar zekere dood. Maar sommigen laten de druk los om succesvol, groot of relevant te zijn. Ze laten het idee los dat ze eerst genoeg (jonge) kerkgangers, vrijwilligers, geld en gebouwen nodig hebben om hun missie te vervullen. Verandering begint met onderscheidingsvermogen We merken in de praktijk dat het maken van onderscheid tussen crisis 1 en 2 geloofsgemeenschappen helpt om te zien wat ze aan het doen zijn. Beginnen bij het geven van aandacht aan crisis 2 brengt ontspanning en opluchting. Het wordt vervolgens eenvoudiger om (moeilijke) keuzes te maken die samenhangen met crisis 1. Conclusies Het eenvoudige onderscheid tussen crisis 1 en 2 kan helpen bij keuzes zoals die waar De Ark voor stond: hoe gaan we door? Hoe gaan we ons gebouw inzetten? De vraag die aandacht geeft aan crisis 2: ‘Hoe kunnen we iets doen met ons verlangen om te antwoorden op de nood in de wijk?’ levert een ander antwoord op dan de crisis 1 vraag: ‘Hoe kunnen we onze zondagse eredienst zo lang mogelijk volhouden?’ Kerken die bezig zijn met wat op hun pad komt als roeping, zullen een route volgen die meer vreugde en verrassing zal brengen. En wie weet wordt het kerkgebouw ook weer vol op zondag of andere dagen in de week – hoewel dat van secundair belang is. Verandering begint met onderscheidingsvermogen en het uitleven van Gods goede wereld. Dit is iets wat je kunt doen met alle mensen om je heen, ook met degenen die ’toevallig’ op je pad komen en misschien niet tot een geloofsgemeenschap behoren. Een gemeenschap waar mensen samen de goedheid van God ontdekken, wordt een kerk. De kerk hoeft dus geen georganiseerde, grote en succesvolle gemeenschap te zijn met genoeg mensen om de kerkbanken te vullen, maar mag een kerk zijn die zichzelf verliest én nieuw leven vindt door Christus.  en  zijn onderzoekers Toekomstgericht kerk-zijn bij de PThU en Protestantse Kerk in Nederland.


Hier volgt de tekst die Jan Dumon ter beschikking stelde, volgend op zijn tussenkomst in de Priesterraad van 7 maart 2018, Groenhove, Torhout. Jan leidde deze tekst als volgt in:

In plaats van een verslag (dat riskeerde of weinig zeggend of te algemeen te zijn, zeker voor de afwezigen op de PR van verleden keer) heb ik mijn bijdrage uitgeschreven (soms met iets minder, soms met iets meer dan de uitgesproken tekst, want ik had alleen een schema). Ik hoop dat het zo ook dienstiger is voor de gespreksgroepen van volgende keer.

Levende gemeenschappen en nieuwe kijk op een oud ambt. Pleidooi voor een paradigmawissel in hoofd en hart.

I

“Wanneer u een wolk ziet opkomen uit het westen, zegt u terecht: er komt regen, en zo gebeurt het… de verschijnselen van hemel en aarde kunt u beoordelen, waarom kunt u deze tijd dan niet beoordelen?” (Lc 12,54-56). Een religieuze gemeenschap kan zich inderdaad zodanig in haar eigen heilige overtuigingen, tradities en organisatiegewoonten nestelen dat zij blind wordt voor wat er zich buiten haar eigen vertrouwde wereld afspeelt en haar radicaal in vraag stelt. Dit besef was ook tot het Tweede Vaticaans concilie doorgedrongen, getuige de verwijzing in verschillende van haar documenten naar deze noodzaak om de tekenen van de tijd te onderscheiden. Een tijd die, meer dan een halve eeuw later trouwens alweer radicaal is veranderd. Het is opvallend dat discussies over de priester of het ambt in het algemeen in onze Kerk sterk worden gekleurd door de ervaring van ‘priesterkort’ en dat er dan meteen een oplossing van het probleem wordt gezien in het niet langer zoeken naar priesterkandidaten exclusief onder celibataire mannen. Ofwel zoekt men de oplossing in het vervangen van priesters door ‘leken (van catechisten tot voorgangers in de Eucharistie) op al of niet geoorloofde wijze volgens de huidige kerkorde. Theologische argumenten worden dan al of niet gebruikt en discussies rond de ‘identiteit’ van de priester of de eigenheid van de wijding (bv. in relatie tot het leiderschap van een gemeenschap) zijn dan nooit veraf. Hoezeer een dergelijke benadering ook belangrijke kwesties aan de orde stelt, toch blijft ze zeer sterk zoeken naar oplossingen binnen het bestaande denk-gevoels-en institutioneel kader en juist niet vanuit een aandachtig onderscheiden van de tekenen van de tijd. Ik denk dat deze laatste benadering prioritair is en dat het dan meteen duidelijk wordt dat wij niet verder komen met een reorganisatie maar ook niet met creatieve (re)animatie binnen een ‘systeem’ dat zelf in de huidige cultuurcontext in ‘buiten spel’ positie staat Zoeken naar een nieuwe invulling van leven en werk van de priester kan dus niet gebeuren binnen de paradigma’s van een heel andere tijd. Paradigmawissels zijn nodig. En precies omdat deze paradigmawissels het fundament zijn van elk concreet beleid, wil ik mij hier tot deze benadering beperken. Ik sluit mij daarbij heel dicht aan bij de aanpak waarmee paus Franciscus in woord en daad, in expliciete reflectie en in symboolhandelingen, de hervorming van de kerk en haar missie in onze wereld inhoud geeft. Zoals staatssecretaris Kardinaal P. Parolin het uitdrukkelijk stelt: het is paus Franciscus om een paradigmawissel te doen. In onze cultuurcontext betekent paradigma veel meer dan een louter model. Het begrip is populair geworden vanuit het werk van Thomas Kuhn, The Structure* of *ScientificRevolutions, 1962. Grote wetenschappelijke vooruitgang ontstaat wanneer een bestaande wetenschap, onder druk van steeds meer feiten en waarnemingen die zij niet meer weet te verklaren in het gangbare paradigma, omslaat naar een nieuw paradigma dat wel deze nieuwe gegevens een plaats weet te geven. Zo’n nieuw paradigma hoeft daarom niet definitief te zijn, het laat wel toe een fundamenteel verstaansmodel te hanteren waarin vooruitgang kan gerealiseerd worden. Voor niet wetenschappers zijn de meest begrijpelijke voorbeelden van dergelijke paradigmawissels wellicht het omwisselen van een kosmologie waarin de aarde het centrum is naar het heliocentrisme, of ook het omwisselen van een creationistisch naar een evolutionair paradigma. Intussen is het begrip paradigma ook in de menswetenschappen courant geworden en wordt het even goed gebruikt om fundamentele en dragende existentiële belevingswijzen aan te duiden waarbinnen de dagelijkse ervaring zin en inhoud krijgt. Zo verandert een koppel dat ervan overtuigd geraakt dat de liefde en trouw plaats heeft gemaakt voor onverschilligheid of haat van paradigma. Zo is het geloof in een liefhebbende God, in een Verrezen Gekruisigde een paradigma. Veel meer dan een denkmodel dus maar een dragende grond waarop levenservaringen betekenis en waarde krijgen.

II

Laat me dan enkele - onder andere - paradigmawissels aanduiden die voor een nieuwe invulling van leven en dienst van de priester fundamenteel zijn en waarvan wij misschien al te vlug zouden kunnen denken dat zij al voltrokken zijn. Wellicht beweegt er al duidelijk iets in die richting maar zijn ze nog lang niet genoeg veralgemeend en ook niet voldoende geïnternaliseerd om echt van een paradigmawissel te kunnen spreken.

  1. De levende Kerk, zowel in haar diepe geloofsrealiteit als in haar lokale organisatievorm, is het vertrekpunt en de context waarin over de priester kan nagedacht worden. Vaticanum II heeft duidelijk de paradigmawissel gemaakt van een Kerk gedacht vanuit de hiërarchie naar een Kerk opgevat als *Volk van God *en Lichaam van Christus waarbinnen zich het ambt (mede als (‘tegenover’-functie) als dienst situeert. Zijn we zeker dat wij altijd vanuit dit paradigma werken? Zijn sommige recente reorganisaties toch niet sterk bepaald vanuit het aantal beschikbare priesters, desnoods met het geweld aandoen aan (te) kleine maar wel levende gemeenschappen? Leken worden in onze streken nog steeds sterk gezien als helpers van de priesters. Wij zijn nog lang niet toe aan wat in andere plaatselijke Kerken, bv. in Afrika en sommige streken van Latijns Amerika een basisbesef is bij de christenen : wij zijn de kerk, dragen er verantwoordelijkheid voor en zorgen dat een priester er zinvol zijn dienst kan verrichten? Niet leken zijn de helpers van de priester maar de priester is de helper van de leken. Het spraakgebruik is hier revelerend: “wij moeten de leken verantwoordelijkheid geven” zeggen de priesters. Maar wij moeten die verantwoordelijkheid niet geven, die hebben zij al gekregen bij hun doopsel en vormsel. Wij hoeven vooral aandachtig te worden voor de vele uitingen waarmee christenen initiatief en verantwoordelijkheid (willen) nemen, ook al zal dat vaak niet zijn op de wijze die wij zelf zouden doen. Begeleiden, aanmoedigen is dan wel iets heel anders dan meteen inkapselen of zelfs afwijzen. De levende gemeenschap zou, in dit paradigma, de meest evidente plaats moeten zijn waarin mensen ‘geroepen’, dat wil zeggen gevraagd, uitgedaagd worden om allerlei ambten in de gemeenschap of in de bredere Kerk op te nemen. Voor verantwoordelijkheden in de diaconie, de catechese, zelfs de liturgie is dat al vaak werkzaam (hoewel veelal nog te beperkt tot een zoektocht van de priester) en ook voor het permanente diaconaat speelt het wel vaker mee. Maar de priesterroeping blijft nog vaak een louter individuele kandidaatstelling van iemand die zegt dat hij ‘geroepen’ is zonder dat daar een gemeenschap aan te pas komt die hem echt geroepen heeft. Ook deze individuele weg is een mogelijkheid natuurlijk maar het moet ons alarmeren wanneer dit het bijna exclusieve model is. (In Frankrijk staat men al duidelijk verder op dit punt.) Het is evident dat de huidige kerkorde het moeilijk maakt om mensen vanuit de dynamiek van de levende gemeenschap zelf tot een gewijd ambt te roepen omwille enerzijds van de exclusieve keuze voor mannen, voor celibatairen, voor alleen levenslang en ‘universeel’ ambt en anderzijds door de quasi enige vorm van priesteropleiding die, zij het met enkele afzwakkingen, nog steeds geldt. Het model van de ‘absolute’ wijdingen van priesters versterkt dit alles nog: men wijdt priesters los van een bepaalde gemeenschap, in plaats van wijding voor een bepaalde kerkgemeenschap, zoals voor een bisschop. Voor bisschoppen heeft men van dit principe nooit afstand gedaan, zij het met het kunst- en vliegwerk van de ‘titulaire’ bisdommen (hoewel het titulaire bisdom Partenia ooit een zeer levend bisdom was…). Toch mag de bestaande kerkorde, die inderdaad verlammend werkt, niet als een absolute hinderpaal worden beschouwd waar je alleen zou kunnen in berusten. Vooreerst, een wijziging in kerkorde kan maar het resultaat zijn van een dynamiek in de levende Kerk. Er is nog veel te doen om de paradigmawissel van een klerikale Kerk naar een Kerk van christenen door te voeren. Vervolgens kunnen wij alle mogelijkheden (en zelfs achterpoortjes waarvoor Belgen een neus hebben) om christenen die formeel dienst willen bewijzen en verantwoordelijkheid willen dragen daarin bevestigen, niet louter administratief, liefst in de liturgievierende gemeenschap, al naargelang voorgegaan door de plaatselijke herder, door een bisschoppelijke vicaris of door de bisschop zelf. Er staat nergens geschreven dat een plaatselijke kerk geen nieuwe vormen van ambten en aanstelling ertoe kan creëren op haar niveau. Ten slotte is het overduidelijk dat paus Franciscus niet gelukkig is met het huidige monolithische systeem en ook al uitdrukkelijk gezegd heeft dat verruimingen in de bestaande praktijk van de nationale of regionale bisschoppenconferenties moeten komen. Wij hoeven dan niet alleen te denken op de fameuze ‘viri probati’ (dat zou best in een paradigmawissel kunnen passen, maar evengoed het klerikale paradigma versterken waarin het ‘priestertekort’ de allesbepalende factor is).
  2. Wij hoeven de bestaande uitdrukkingen van een socio-cultureel ingewortelde kerk met de daarbij horende sterke institutionalisering niet af te breken, dat zal de tijd wel doen. Maar we moeten er ons vooral niet aan vastklampen en als we naar nieuwe invullingen zoeken voor leven en werk van de priester vandaag moeten wij van een ander paradigma uitgaan: dat van een zich nieuw vormende, sterk missionair georiënteerde Kerk die leeft op pluriforme wijze. Een kerkgemeenschap die ontstaat waar er niets was of een bestaande gemeenschap die zich op een nieuwe areopaag waagt is echt heel iets anders dan een reeds lang bestaande, geïnstitutionaliseerde kerk. Ik kan mij niet van de indruk ontdoen dat wij er in Vlaanderen echt lang over doen om ons te realiseren dat het hier niet gaat om een kwantitatieve vermindering maar om een kwalitatieve breuk tegenover een nog vrij recent verleden. “*La France, *pays *de mission?” uit 1943 is blijkbaar nooit echt de grens over geraakt *en wij zijn niet resoluut naar het missionaire paradigma van een kerk van vrijwilligers in een pluralistische samenleving overgestapt. Een missionaire kerkgemeenschap ontstaat vanuit mensen die geraakt zijn door wat er in hun omgeving ‘misloopt’, door mensen die uit de boot vallen, schrijnend onrecht, door de confrontatie met mensen die het leven moe zijn, zin nog bestemming voor hun leven vinden, wegkwijnen in eenzaamheid of echt niet meer weten hoe zij de eindjes aan elkaar moeten knopen. Mensen die geraakt worden door de nood - van welke aard ook - van medemensen ontbreken niet in onze samenleving, mensen die van en voor zoiets als ‘liefde’ willen leven zijn er overal. En ze ontmoeten ook vaak gelijkgezinden, wisselen uit, bevestigen elkaar in het beste van zichzelf. Soms gaan ze gezamenlijk tot actie over, in de buurt, op het werk of in de vrije tijd nemen zij initiatief. Kerkgemeenschap ontstaat wanneer zulke mensen een christen ontmoeten die hen zegt, hey tof daar ga ik ook voor. En uit vriendschap ‘voor de goeie zaak’ ontstaat communicatie, dialoog, luisteren, spreken. En misschien vertelt die christen over zijn geloof en hoeveel hij daaraan heeft. De interesse voor Jezus in het onkerkelijke Nederland of Vlaanderen ontbreekt niet als je de honderdduizenden ziet die meeleven (ter plaatse of via sociale media) met de steeds populairder wordende ‘Passion’-evenementen zoals in de Bijlmer in Amsterdam. Maar het ontbreekt aan christenen die de reflex hebben om, als het past - Paulus deed dat ook als het niet paste -, te vertellen over hun geloof en te luisteren naar het geloof of afwezigheid ervan van anderen. Moslims(van alle strekkingen) zijn daar veel spontaner in, ‘ik ben moslim’ lijkt veel makkelijker te zijn voor hen dan ‘ik ben christen’ voor een wekelijkse kerkganger. Een kwestie van paradigma? Dat het aantal christenen in vergelijking met de periode van het sociaal culturele christendom sterk verminderd is en nog verder snel daalt, hoeft op zich niet op een probleem van onze Kerk te wijzen, het is vooral een culturele mutatie en het is zeer de vraag of de eerdere periode van algemene en bijna onvermijdelijke christenheid een goed ijkpunt is. Wat wel een heel groot probleem is voor onze Kerk in Vlaanderen is de uiterst beperkte participatie van jongeren en hun bijna afwezigheid op het niveau van de lokale gemeenschappen. De vraag dringt zich dus op: is de aandacht, energie en inzet van vrijwilligers en pastoraal personeel (incl. priesters) die wij besteden aan het reorganiseren van het kerkleven voor de senioren enigszins in proportie met onze aandacht voor de jongere generaties? Een vergelijking met de (sterk groeiende) evangelische kerken en met de Islamgemeenschap in ons land, waar ook de jongeren vrij goed participeren, kan ons uitnodigen om het probleem niet te snel bij ‘de jongeren’ maar eerder in eigen huis te leggen. Het oude principe van de Katholieke Actie, namelijk dat het apostolaat in een bepaald milieu door (jonge)mensen van dat milieu moet gebeuren geldt ongetwijfeld, mutatis mutandis, voor het digitale milieu. Voor veel kerkmensen zijn sociale media en internet een middel. Voor jongeren is het een belangrijk deel van hun leefmilieu. Waar twee of meer jongeren samen zijn ontwikkelen zij een netwerk, niet zelden zelfs een of andere app om ‘hun’ milieu nog te versterken. En zij leven lang niet allemaal alleen voor de fun. Een aantal onder hen wachten stellig om niet alleen ‘object’ van jeugdpastoraal te zijn maar ‘apostel’ in hun eigen, digitale, milieu. Ik ben alvast benieuwd om te zien of de aanstaande bisschoppensynode (na drie weken) een slotdocument kan produceren dat even pertinent is dan dat van de jongeren (op een week tijd) na hun presynode.
  3. Na de twee eerste paradigmawissels wil ik er nog, wat korter, drie andere aanstippen die mij van belang lijken bij het zoeken naar een nieuwe kijk op de priester en de ambten in de Kerk. Zij hangen voor een deel vast aan de vorige paradigmawissels en vullen elkaar ook onderling aan. Allereerst moeten wij nog veel meer leren dat verscheidenheid de eenheid niet in de weg hoeft te staan. Waar het idee dat een plaatselijke kerk louter de plaatselijke succursale is van de multinationale onderneming met hoofdzetel in Rome plaats maakt voor het idee dat onze Kerk *een diepe *communio is van plaatselijke Kerken, waarvan de Bisschop van Rome niet alleen het symbool maar ook de werkzame sleutel is, komt ruimte vrij voor pluriformiteit, vooral ook op het terrein van het ambt in de Kerk. Paus Franciscus vecht moedig tegen het eeuwenoude ingebakken centralistische en dus uniforme paradigma. Voornamelijk in verband met de priesterproblematiek heeft hij zich uitdrukkelijk uitgesproken voor meer bevoegdheid voor nationale en vooral regionale bisschoppenconferenties. (De komende synode voor het Braziliaanse Amazonegebied zal een belangrijke testcase worden). Mogen wij hopen dat de Belgische bisschoppen ook bij hun Europese collega’s aansturen om voorstellen te doen en de reeds aanwezige modellen (o.m. van leken-parochieleiders) samen te leggen, te toetsen, verder te ontwikkelen vanuit de praktijk en inzichten van elk land? Vernieuwing komt van onder op, daar waar de Kerk leeft. Het lijkt er soms op alsof men er nog steeds van uit gaat alsof er in Rome toch niets te bereiken valt. Franciscus smeekt er telkens weer om dat men zich tegenover ‘Rome’ geen autocensuur zou opleggen. Het is evident, alleen al vanuit organisatiekundig standpunt, dat een zeer pluriforme en zeer snel veranderende samenleving een Kerk nodig heeft die op veelvormige manier inspeelt op telkens nieuwe situaties en noden. Dat geldt niet alleen voor de wereldkerk, het geldt ook binnen een bisdom en zelfs binnen een pastorale eenheid. Beleid in de Kerk zal altijd een beetje betekenen ‘de boel bijeenhouden’ die door altijd wat onvoorspelbare bezielde en creatieve mensen wordt geschapen, lijnen trekken die toelaten de neuzen in dezelfde richting te houden, toch als het op de evangelische hoofdtaken aankomt. Maar wat gebeurt of niet gebeurt, hoeft niet noodzakelijk het persoonlijke standpunt van de kerkleider - op welk niveau dan ook- te zijn. Het Gamaliëlmodel is nog steeds actueel (cf. Hand. 5,34-39). Net wanneer er meer ruimte is voor pluriformiteit en voor de veelzijdige inbreng van velen (men zou het in geloofstaal beter charisma’s noemen) is de inbreng van de gewijde ambtsdrager presbyter of episcoop in zijn ‘tegenover’-functie belangrijk. Maar dan wel een ‘tegenover’ dat niets te maken heeft met eigenzinnigheid maar alles met het bewaken van de trouw aan het evangelie en van de eenheid en de communio met de grote Kerk. Alles kan, zolang het in minstens stilzwijgende communio gebeurt en vooral zolang het niet tot ‘apartheid’ leidt. Het is evident dat een dergelijk ‘tegenover’ in dialoog, met geduld en met kracht van argumenten wordt uitgeoefend.
  4. Onze Kerk heeft in haar geschiedenis een merkwaardige pluriformiteit van geloofs-praktijken, devoties, spiritualiteiten, theologieën en kerkorganisaties gekend. Maar wij zijn nog steeds de rechtstreekse erfgenamen van de Romeinse centralisatie met de daarbij horende ideologische onder- of bovenbouw die dan de sterke neiging heeft zowat alles te ‘dogmatiseren’, waarbij ‘dogmatisch’ ook nog eens volgens een onhistorische waarheids-opvatting wordt verstaan. De modernistische crisis van anderhalve eeuw geleden, waar die waarheidsopvatting centraal stond, is nog steeds niet echt voorbij. Dat dogmatiseren buiten historisch en buiten taalperspectief speelt vooral op het domein van het ambt nog steeds een grote rol. Wie vertrouwd is met het Nieuwe Testament weet hoe verscheiden zowel de gemeenschappen als hun ambten (in de mate die er al waren) verschillend waren in de eerste Kerk. Wat een geluk, want in onze situatie waar de Kerk zich opnieuw moet vorm geven op heel nieuwe wijze, kunnen die eerste modellen een inspiratie en ook geruststelling zijn. De bedoeling is niet hier bij de theologie van het (gewijde) ambt stil te staan. Ik wil er alleen op wijzen dat wij ons moeten hoeden om vanuit één welbepaalde theologie over de priester, bijna als een verborgen chip in onze hersenen ingeplant, elke uitdaging of nieuwe geloofservaring die niet in het paradigma van deze theologie past meteen te verdringen. Twee voorbeelden kunnen aantonen hoe eigenaardig (en voor de huidige taal- en kennis-wetenschappen onaanvaardbaar) een dergelijke theologie soms tot stand komt. De schitterend paulinische metafoor dat Christus zich heeft gegeven tot in de dood voor zijn Kerk zoals bruidegom en bruid. Via de stelling dat de priester Christus als Hoofd vertegenwoordigt in de Kerk, wordt dan de conclusie getrokken dat vrouwen geen priester kunnen zijn. Of de eveneens mooie metafoor dat het wijdingssacrament een onuitwisbaar merkteken in de ziel inprent. Dat wordt dan de basis om elk model van in plaats en tijd beperkte wijding uit te sluiten. In beide gevallen springt men van de poëtische orde en van de metafoor over naar de ‘objectieve’ kerkorde. De metafoor geeft natuurlijk te denken, maar is daarom nog niet zomaar een onwrikbaar fundament voor een bepaalde kerkorde. De Anglicaanse kerken trekken in elk geval dezelfde conclusies niet. Net zoals elke menswetenschap moet ook de theologie zich in het bad van de ideologiekritiek wagen. In ons geval: erover waken dat zij niet (on)bewust het feitelijke model van een klerikale Kerk legitimeert. Het nadenken over nieuwe vormgeving van het ambt steunt allereerst op het trouw zorg dragen dat wij het Lichaam van Christus kunnen zijn in deze tijd ‘voor het leven van de wereld’. Enig gelovig pragmatisme, zo kenmerkend voor de eerste kerkgemeenschappen, kan dan een heilzaam tegengewicht zijn tegen een overgeërfd dogmatisme. In EvangeliiGaudium* *pleit paus Franciscus, onder meer tegen het anti historisch fundamentalisme in, voor het principe dat de werkelijkheid boven de idee gaat (cf. nr. 231).
  5. Sinds onze theologie meer Bijbels is geworden is zij zich er sterker bewust van geworden hoezeer het paradigma van de onveranderlijkheid allereerst het Godsbeeld zelf maar ook de waarheidsopvatting en uiteindelijk de Kerk is gaan bepalen. Het is intussen gemeengoed geworden dat een dergelijk paradigma alles te maken heeft met de Onbewogen beweger van Aristoteles, meer dan met de Bijbelse God van het Verbond. Binnen zo’n paradigma is het ook moeilijker om het geloven als een weg met vallen en opstaan en ook met dwaalwegen te zien. En op de Kerk (haar leer, haar liturgie, haar kerkorde) straalt dan ook al vlug dat paradigma van onveranderlijkheid af, hoezeer de feitelijke kerkgeschiedenis het tegendeel toont. Veranderen is blijkbaar voor mensen meestal een lastige opgave, tenzij de bestaande situatie onhoudbaar is geworden. Voor wie gedragen wordt door een onveranderlijk geopenbaard geloof wordt soms elke verandering in geloofsgewoonten of in de wijze waarop de geloofsgemeenschap zich organiseert of zich in de samenleving gedraagt, een moeilijk te verteren opgave; des te meer naarmate men in dat onveranderlijkheids-paradigma is opgegroeid. Moslims in Europa (maar ook in Islamlanden) worstelen er vaak mee. Het kan niet verbazen dat ook katholieken, soms grote groepen zoals in de Verenigde Staten, worstelen met paus Franciscus. Want ook zij voelen de paradigmawissel aan. Ook al valt de weerstand tegen veranderingen in de Kerk in Vlaanderen best mee, toch is er heel wat stil verdriet en soms boosheid (vooral als het om verandering van kerk gaat!). Doen wij genoeg om deze ergernissen of onbegrip op te vangen? Wordt er voldoende geargumenteerd en gecommuniceerd? Het gaat immers nooit om een puur organisatorische kwestie, het gaat om een spiritueel patrimonium waarvan de betrokkenen het gevoel hebben onteigend te worden. De vraag stelt zich vooral op plaatsen waar een kleine gemeenschap erg geëngageerd is en ook heel wat capaciteit heeft. Moeten wij niet alles doen om - daar waar christenen zich echt de lokale kerkgemeenschap voelen (cf. paradigma 1)- te vermijden dat een verandering als een van buitenaf opgelegde administratieve regel op hen neer komt? Hoeft wat meer tijd laten aan de enen de noodzakelijke veranderingen voor de anderen in de weg staan? Ook al is het in de praktijk niet gemakkelijk. Anderzijds is het vlug inspelen op nieuwe situaties een absolute noodzaak. Elke organisatiedeskundige weet dat de beste beslissing, als zij te laat genomen wordt, ondoelmatig is. Toen sociologen zoals Prof J. Kerkhofs, K. Dobbelaere e.a. 30 jaar geleden (soms meer) met vrij grote precisie uittekenden hoe de kerksituatie er vandaag in Vlaanderen zou uitzien werd daar in het brede beleid niets mee gedaan. Er werd zelfs vaak op de boodschapper geschoten, eerder dan zelfs maar naar de boodschap te luisteren. Gelukkig hebben plaatselijk sommige priesters wel geluisterd en hebben zij gedurende jaren hun parochiepastoraal volgens nieuwe paradigma’s, samen met hun gemeenschap, vorm en inhoud gegeven. Het gebeurt niet zelden in onze Kerk dat niet veranderen wordt voorgesteld of beleefd als een uitdrukking van wijsheid. Dat kan. Maar het kan ook een uitdrukking zijn van angst. Als de vertrouwde zee heel snel verandert in een onbeheersbare bedreigende watermassa en geen scheepsman kunst ertegen is opgewassen, is er nog steeds die Stem: “Waarom zijn jullie bang? Hebben jullie nog geen vertrouwen?”(Mc 4,40).

** Met opzet heb ik er voor gekozen om de gevraagde reflecties in verband met priesterschap en ambt voor te stellen vanuit een ietwat onconventioneel perspectief, namelijk van enkele paradigma’s die beslissend zijn voor de wijze waarop wij de nieuwe uitdagingen en hun mogelijke antwoorden zien of juist niet kunnen zien. Het gaat hier om een belangrijk maar wel een beperkt thema. Het is maar één deel van de uiteindelijke uitdagingen: hoe kunnen wij de tekenen van de tijd verstaan en in deze, onze technisch wetenschappelijke cultuur, wegen tonen waarop mensen God kunnen zoeken, of beter door God gezocht kunnen worden? En hoe kunnen wij in een wereld van de globalisatie van het geld en tegelijk daardoor van de uitsluiting, op zo’n concrete manier het Lichaam van Christus zijn dat het ervaarbaar wordt, al was het maar in de modus van de hoop, dat God inderdaad een God van liefde is en elke mens naar zijn Beeld mag bestaan in veelkleurige gelijkwaardigheid? Jan Dumon, Pasen 2018 (Naderhand uitgeschreven tekst van de bijdrage op de Priesterraad, 7 maart 2018.)


Beste (kerk)mensen hier aanwezig,

van oudsher zijn er in de Rooms-katholieke Kerk zeven wijdingsgraden. Vier daarvan zijn de zogenaamde ‘lagere wijdingen’, de laatste drie zijn de ‘hogere wijdingen’.

Ik citeer even uit Wikipedia, de alom bekende ‘vrije encyclopedie’:

De vier lagere wijdingen (ook wel: kleine wijdingen) zijn: (portier, deurbewaarder of deurwachter) (lezer) (duivelbezweerder) (misdienaar)

De drie hogere wijdingen (ook wel: grote wijdingen) zijn: Subdiaken Diaken Priester

Deze zeven wijdingsgraden worden in voor het eerst genoemd in een brief van . De wijding tot wordt gezien als de volheid van het , en dus ingedeeld onder de noemer . Soms wordt de bisschopswijding apart genoemd, en dan zijn er acht wijdingsgraden. In de gold bovendien de () ook als een lagere wijding, waardoor het totale aantal op negen wijdingsgraden kon komen.

In het overgrote deel van de Katholieke Kerk zijn de vijf laagste wijdingsgraden (tot en met subdiaconaat) sinds het van op achterwege gelaten. De wijdingen van lector en acoliet werden vervangen door de ‘aanstelling’. In plaats van het subdiaconaat, waarmee de wijdeling de verplichting tot het en tot het aanging, kwam een extra gelofte van zuiverheid bij het ontvangen van de wijding tot diaken.

Voor de gelegenheid laten we de wijding tot priester even buiten beschouwing. En met de wijding tot subdiaken moeten we verder geen rekening houden, want die bestaat op vandaag eigenlijk niet meer. Dus blijven er vijf wijdingen over, vier ‘kleine’ en één ‘grote’(deze van diaken), die we nu één voor één wat van dichterbij willen beschouwen en ‘actualiseren’.

De wijding tot Portier (deurbewaarder of deurwachter)

De portier is degene die in de ‘stad van de mensen’ moet aanbellen aan deuren vol onverschilligheid, egoïsme en eigenbelang. Hij is het die belletje-trek moet gaan doen om mensen op te roepen tot gemeenschap. Hij moet de harten van de gelovigen voor God openen (zo zegt het de wijdingsvermaning) en de mensen oproepen om in gemeenschap, Gods heilsgeschiedenis (mee) te maken. Hij is het die de klokken moet luiden, die bij tijd en wijle alarm moet slaan en de kat de bel moet aanbinden, wanneer er zaken mislopen in de wereld om ons heen. Hij moet er ook voor zorgen dat de deuren van de kerkgemeenschap wijd open worden gemaakt voor iedereen, zonder onderscheid. Het ritueel dat vanouds bij deze kleine wijding hoort, van het openen van de kerkdeur en het luiden van de klokken, spreekt daarbij voor zichzelf. De kerkgemeenschap heeft deze taak en wijding altijd als zeer belangrijk aanzien. Het was weliswaar een ‘lagere’ wijding, maar men kon toch geen priester worden zonder die voorbereiding en opgedane ervaring van oproeper en portier. Het was de eerste stap naar het diaconaat en het priesterschap. Hoe kan men een gemeenschap voorgaan als men niet eerst en vooral zelf tot gemeenschap oproept. Dat heeft de Kerk zeer duidelijk gezien in haar zogenaamde ‘kleine’ wijdingen. Spijtig genoeg werd de diepe betekenis van dit alles al snel alleen maar toegepast op het kerkgebouw zelf, en niet op een persoon of een ‘gewijde bedienaar’ – en jammer genoeg ook niet op élk lid van de kerkgemeenschap, gewijd of niet gewijd…

De wijding tot Lector (lezer, duider)

De wijding tot lector geeft aan de wijdeling de opdracht zich te verdiepen in de twee grote boeken die er écht toe doen voor een christen: het Boek van het geleefde leven, en het Boek van de Schrift.

Een lector mag het echte diepe leven ‘duiden’ middenin het gewone leven. Vertaler-tolk spelen, van het leven naar de Schrift, en dan weer omgekeerd: de Schrift brengen tot bij het leven van de mensen. Hij moet de mensen helpen ontdekken waar hun eigen verhaal aan dat van Abraham en Mozes, aan dat van Jezus raakt. De juiste vragen leren stellen, en aantonen dat er mogelijke oplossingen zijn middenin de problemen, en dat er alternatieven zijn voor de onvrijheid en onmenselijkheid waarin heel wat mensen zich bevinden.

Lectoren/lezers zijn in feite kaartlezers, duiders van de weg ten leven. Zij mogen Gods Woord lezen en duiden middenin de problemen en vragen van alledag, en van de kleine mensen. Ze proberen aan mensen de juiste richting te wijzen in het leven. Versta je wat je leest in de Schrift? Hoe lees je dat? En welke conclusies trek je daar uit voor jezelf en voor je christen-zijn? En je eigen levensverhaal – hoe lees je dat? Ontdek je daar op de duur een plan in, een bedoeling, een ‘roeping’? Haal je uit die twee boeken die er toe doen – het boek van het Leven en het Boek van de Schrift iets van ‘Tora’, een wegwijzer-ten-leven?

De bezinningen en preken van een goeie lector/lezer gaan dan ook voortdurend over wat gebeurt in de wereld en de maatschappij: politiek, sociaal, economisch, financieel, in de familie, de buurt, op het werk en in de school. Het is daar dat de Heer ons roept en zendt. Daar verschijnt Hij steeds op een nieuwe en actuele wijze. De beschouwingen die een lector aan zijn toehoorders voorlegt en ‘voorleest’ gaan altijd maar in tweede instantie over de theologie, over de Kerk, de liturgie en de sacramenten. In eerste instantie gaat het over de ‘tekenen des tijds’ en over de realiteit van vandaag. Want in die (moeilijke? ongelovige? geloofsvijandige..?) realiteit bevinden wij ons altijd weer als Kerk: als Exodusgemeente, als ballingschapsgemeente, als Abrahamitische minderheid, als kleine rest, als gist in het deeg.

Mensen die het leven hebben leren lezen vanuit het Leven, verstaan veel beter wat er in de Bijbel, het Grote Boek van het Leven, te lezen valt. Het Boek der boeken staat trouwens vol met levensverhalen van samenkomende mensen op zoek naar bevrijding en menswaardigheid.

De wijding tot lector of lezer is ongetwijfeld een belangrijke stap naar het diaken-zijn en naar het priesterschap. Zo ook heeft de Kerk het altijd gezien in haar reeks van ‘kleine wijdingen’.

De wijding tot Exorcist (duivelbezweerder)

Een belangrijke stap naar de wijding tot diaken en priester is ongetwijfeld de wijding tot duivelbezweerder. Men moet eerst die ervaring opdoen, vooraleer men écht de ‘grotere wijdingen’ kan ontvangen; Ook hiervoor bestaat vanouds een ritueel in de Kerk: de wijding tot duivelbezweerder of exorcist.

Aan duivelbezwering doen is:

mensen bevrijden van angst en eenzaamheid, van verbittering en ontgoocheling, van hardheid en meedogenloosheid.

Het verlangen in mensen herstellen om een vrij mens te worden. Vrijheid scheppen om anderen vrij te laten. Mensen vrij maken van boeien die hen knechten, van ketenen die hen gevangen houden.

Onvrijheid overwinnen, vrijheid laten ontplooien en in vrijheid mensen hun eigen weg laten gaan.

Dat betekent ongetwijfeld ook een heel politiek, economisch, sociaal, cultureel en maatschappelijk programma, dat mensen vrijmaakt van ellende, onzekerheid, honger, onwetendheid, ziekte, armoede, verslaving…

Dat betekent een voortdurend pogen om vrij te worden van vooroordelen en taboes, van leuzen en slogans, van dogma’s en voorgekauwde waarheden, van doemdenken en aangepraat schuldbesef, van ondoordachte meningen en opvattingen, van apathie of onverschilligheid, van kluisters van opgelegde wetten, verplichtingen en ondragelijke lasten.

Mensen die bezeten zijn door een boze geest of demon, worden door Jezus bevrijd. Hij geneest hen en maakt hen tot vrije mensen die zichzelf kunnen zijn, niet vervreemd van zichzelf en van hun eigenlijke bestemming als mens. Hij geeft ze hun vrijheid en menselijke waardigheid terug.

Deze opdracht, deze roeping is op vandaag in de Kerk en in de maatschappij uiterst belangrijk. Mensen die uit zichzelf ontzet zijn moeten weer aan zichzelf teruggegeven worden. Want vele mensen zijn al lang zichzelf niet meer. Of ze zijn het nog nooit geweest. Velen zijn zwaar beschadigd door het leven, velen zijn zichzelf niet (meer) meester. Zij zijn in bezit genomen door andere, door duivelse en diabolische machten en krachten. Ze zijn bezeten door demonen.

De wijding tot Acoliet (misdienaar)

Het horen en beantwoorden van oproepen, het lezen en leren uit het Leven en de Schrift, het spartelend zichzelf worden als mens, het bewust worden van zichzelf, het zien van nieuwe kansen en verre horizonten, de mogelijkheid ontdekken om samen te werken aan een nieuwe toekomst – het gaat natuurlijk allemaal niet vanzelf. Er moet (vaak achter de schermen, in de ‘sacristie’ terzijde van het altaar) heel wat toebereid worden om dit mogelijk te maken; er moeten heel wat voorzorgen genomen worden en heel wat voorwaarden gecreëerd om een klimaat te scheppen waarin menswording en bevrijding, waarin geloof en hoop en liefde tot stand kunnen komen. Er zijn tal van attenties nodig, ontelbaar veel gebaren van kleine goedheid, die het concreet mogelijk maken om Kerk en gemeenschap te laten gebeuren.

Er moeten kaarsen worden aangestoken. Om ruimte te maken voor ‘het Licht dat ons aanstoot in de morgen…’ Want iedereen heeft af en toe iemand nodig die licht aanbrengt, een aanmoediging, een verhelderend woord, een beetje perspectief.

Er moet op tijd en stond brood op tafel worden gezet, om te breken en te delen met elkaar. En om voorgoed te weten: we hebben elkaar brood-nodig. Er moet wijn worden aangebracht in bekers van vriendschap en verbondenheid. Als voorproefje van het feest dat we er in het Rijk Gods nu al en ooit samen willen van maken. Het wierookvat van de bemoediging en de dankbaarheid moet worden klaargemaakt; er moet een kannetje met water zijn om bij de wijn te doen – want daarzonder kan het leven en samenleven niet. Er moet tijdig gebeld worden om op te staan, in eerbied en ingetogenheid, iedere keer dat de Levende Heer in ons midden komt…

Er moeten ook genoeg stoelen worden aangebracht in de ‘tent van samenkomst’, zodat iedereen er een plaatsje kan krijgen en weet dat hij of zij verwacht wordt. De twee boeken moeten klaarliggen, het Boek van de Schrift en het Boek van het Leven. De sleutel van het tabernakel moet klaar zitten in het slot, om bij de communie aan de Verrezen Heer de kans te geven om bij de mensen (bij àlle mensen zonder onderscheid!) terecht te komen…

Er is voor een acoliet zoveel belangrijk werk te doen om onze kerkelijke samenkomsten mogelijk te maken. Dat is toch wat vanouds in de vermaning van de wijdelingen staat bij de acolieten: je moet de kandelaar dragen om te lichten; je moet water en wijn aanbrengen opdat de eucharistie kan gecelebreerd worden. De acoliet of misdienaar moet de lendenen omgord houden, en steeds klaar staan om mensen voor de lange levenstocht toe te rusten en van mogelijkheden te voorzien met een snee brood en een veldfles wijn als dagelijks proviand voor onderweg…

De wijding tot diaken

Wanneer de diaken al die andere ‘kleine wijdingen’ niet in zich opneemt, kan het nooit lukken om een goeie diaken te zijn. Als hij al die andere opdrachten, die taken en ‘gewijde ambten’ niet geleerd heeft en zich eigen heeft gemaakt; als hij die niet blijft leren (diaken worden is levenslang leren!), is hij ongeschikt en onbekwaam om diaken te zijn in de Kerk. Hetzelfde geldt – en nog méér – voor een priester, een Bisschop en een Paus, want die zijn immers elk op hun manier en op hun tijd ooit ook diaken gewijd…

(voor dit stukje over ‘De kleine en grote wijdingen’ werd vooral inspiratie geput uit het onvolprezen boek van wijlen Piet Declercq: ‘Het volk van El Salvador – de bijbel opnieuw beleefd’)

geert dedecker

Zoeken in Preken Online