3° Paaszondag C (2010)

C-cyclus · Paastijd · 3e zondag van Pasen · wit

Het evangelie van deze zondag spreekt mij aan door zijn subtiele gemoedelijkheid en menselijkheid die in dit verband uniek zijn. Het zijn woorden die als een onverwachte verrijking zijn toegevoegd aan de oorspronkelijke tekst van het evangelie. Wie dit stuk geschreven heeft, heeft een nieuwe kijk willen geven op Jezus van Nazareth en zijn opstanding uit de dood. Zeven apostelen bij elkaar, op het einde van een dag, alsof ze maar wat stonden te lummelen, en niets anders te doen hadden. Dan deed Petrus een voorstel: “Ik ga vissen.” Zoals nu iemand zou zeggen: “Ik ga een eindje fietsen.” Daar hadden ze wel oren naar en ze klommen samen de boot in. Ze ploeterden de hele nacht maar vingen niets. Toen tegen de morgen, die man op het strand, om wat vis vroeg, kreeg hij dan ook een heel kort antwoord: “Nee”.
Wel is het een wonder dat ze in zo’n rotstemming, zijn raad toch opvolgden en het nog een keer wilden proberen. En toen was het raak: het net zat zo vol vis dat ze het niet op konden halen. Ze hadden niets in de gaten behalve Johannes, die zag om wie het ging, juist zoals eerder, bij het graf. Maar hij wordt niet bij name genoemd, heel veelzeggend heet hij: “De leerling van wie Jezus veel hield.” Dat kan er maar één zijn in de ogen van de schrijver! En hij zei: “Het is de Heer.” Toen Petrus dat hoorde maakte hij zich breed en sprong het water in, om te laten zien wie echt de eerste was. Lucas beschrijft ook een wonderbare visvangst en daar zegt Petrus: “Ga weg van mij, want ik ben een zondig mens.”
In dit verhaal zei Petrus niets, hij trok wel het overvolle net met vis het strand op.
Toen ze aan land kwamen, vonden ze al een vuurtje met vis en brood er op. Heerlijk, na een nacht hard werken stond het eten op hen te wachten. Toch vroeg Jezus om nog van de vis te brengen die ze juist gevangen hadden. Hij riep ze: ‘Jongens, komt ontbijten.“Hij deelde het brood en de vis uit. Ze waren te verlegen om iets te zeggen of te vragen. Niemand hoefde nog te vragen wie hij was, want dit was de derde keer dat ze Jezus zagen na zijn dood. Zo heel gewoon. Petrus had nog wat goed te maken, hij wilde nog wat goed maken. Want hij hoorde nog steeds die haan kraaien sinds hij drie keer gezegd dat hij Jezus niet kende. Drie keer vroeg Jezus hem, heel plechtig, “Simon, zoon van Johannes, hebt gij mij lief? Twee keer zei Petrus: “Ja, Heer, gij weet dat ik u lief heb.” De derde keer waren zijn tranen het antwoord. In dit verhaal geen sprake van een verheerlijkt lichaam met gaten in handen en voeten en met een open zij. Geen grote woorden, zoals “Niet zien en toch geloven.” Geen engelen in het wit. Als ik sommige teksten lees of sprekers hoor, dan krijg ik de indruk dat zij het geloof in de verrijzenis van Jezus gebruiken om zijn hele gewone mens-zijn toch maar weer ongedaan te maken.
Dit later toegevoegde stuk herinnert ons een keer niet aan Jezus’ lijden op het kruis. Wel laat het ons heel duidelijk zien dat hij het hart en de trekken van een mens had zoals wij allemaal: voor lui die de hele nacht gezwoegd hebben een ontbijt klaar maken, dat hij heel veel houdt van Johannes, dat hij het ook goed wil maken met Petrus en die haan tot zwijgen brengen. De boodschap van dit evangelie begint heel plechtig:” In den beginne was het Woord, en het Woord was God en het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond,” Het eindigt heel gewoon, met het doen en laten van Jezus. Lieve mensen afwachten na een nacht hard werk, eten klaar maken en liefhebben. Zo is hij ons nabij, zo kunnen wij van hem houden. Er hoeft niets uitgelegd te worden. Die Jezus herinnert me niet aan een God maar aan een mens. Een mens zoals Truus Crins, die vandaag precies een jaar geleden begraven werd. In haar afscheidsbrief schreef zij: “Het belangrijkste dat ik mee zou willen geven aan mijn aller- aller- allerliefste kinderen is de liefde. Dat is waar het allemaal over gaat, onvoorwaardelijke eindeloze liefde. Jan mijn man, mijn alles. Is er ooit een grotere liefde geweest dan tussen jou en mij? Zo verschillend, en toch zo bij elkaar horend.” Nu maakt zij deel uit van dat ene grote WIJ, dat bij elke ademtocht bij ons in- en uitgaat en dat ik verbeeld zie in die twee handen die ons opvangen, vasthouden en verder brengen, onze grenzen voorbij.

Zoeken in Preken Online