Na de twee verschijningen van de verrezen Heer in het cenakel zijn de leerlingen teruggekeerd naar het hun vertrouwde Galilea. De vrouwen hadden de boodschap van die onvergetelijke paasmorgen doorgegeven: “Hij gaat u voor naar Galilea. Daar zult ge Hem zien” (Mt. 28,7,10). In dit symbolenrijk verhaal leren we Petrus kennen vanuit de kijk van de geliefde leerling Johannes.
1. Vooreerst zal Petrus een andere soort visser worden.
\
- Zeven leerlingen zijn bijeen, onder wie Petrus en Johannes. Nog geen Pinksteren. Petrus neemt het initiatief: Het leven gaat verder; we gaan weer vissen zoals weleer: ’s nachts dus, de hiervoor geschikte tijd naar menselijke berekening. Bij Joannes is de nacht symbool van het ongeloof, de tijd van Gods schijnbare afwezigheid. De wateren van meer en zee betekenden bij de Semieten vreesaanjagende gevaren. En ze vangen niets. Hun menselijke berekeningen komen niet uit.
\ - Wanneer het dag wordt staat Jezus als een strandloper op de oever, op vaste veilige bodem in het opkomende licht: teken van Gods nabijheid. Ze herkennen Hem niet. Die Onbekende zegt hun dan toch maar weer van wal te steken en het net rechts uit te werpen. Dat doen ze. Het wordt een reuze succes. Zoals bij het lege graf is het weer Johannes die eerst met de ogen van de liefde de werkelijkheid snapt: “Dat is de Heer”. Onmiddellijk reageert Petrus, komt stoer en onstuimig in beweging, zwemt naar de Heer toe, keert dan plots naar de boot terug en sleept het net aan: een vangst van 153 vissen, symbolisch getal dat verwijst naar het aantal bekende vissoorten in de oudheid, en zinnebeeld hier van heel de gevarieerde mensheid die moet worden gered. Het doet denken aan de parabel: “Het Rijk der hemelen gelijkt op een sleepnet, dat in zee geworpen, vissen van allerlei soort bijeenbrengt.” (Mt. 13,47). En dat het net niet gescheurd is, zinspeelt erop hoe de Kerk doorheen de geschiedenis niet mag worden verdeeld. Petrus zal visser van mensen zijn ( Mk. 1,17; Lc. 5,10). De tekst is missionair en oecumenisch, en verwijst daarom meteen naar het “Sacrament van de liefde” waarrond de wereldkerk zal groeien; op een houtskoolvuur heeft Jezus zelf zijn maaltijd klaar: brood en vis. Met dit teken laat Hij verstaan dat Johannes juist heeft gezien: Hij is het, dezelfde die kort voor Pasen aan de oever van hetzelfde meer met 5 broodjes en 2 vissen de menigte had gevoed. Brood en Vis zullen de tekenen blijven van de H. Eucharistie.
* Dat ontbijt verloopt in stilte. Tweemaal was de verrezen Christus hun al verschenen, terwijl ze zich uit vrees hadden verscholen in het cenakel. Hij had toen telkens zijn wonden getoond en hun vrede toegewenst. Nu durft niemand nog vragen: “Wie zijt Gij ?”Jezus’ aanwezigheid overstijgt hen meer dan ooit. Ze schamen zich. Een van hen had Jezus verraden. Alle elf waren ze gevlucht behalve Johannes. In Jezus’ houtskoolvuur ziet Petrus terug het houtskoolvuur in het voorhof van de hogepriester toen hij de Heer verloochend had (Joh.18,18). En hij herinnert zich dat de Heer op de vooravond van zijn lijden had gezegd: “Simon, Simon, weet dat de satan heeft geëist u allen te ziften als tarwe; maar Ik heb voor u gebeden dat uw geloof niet zou bezwijken. Wanneer ge eenmaal tot inkeer gekomen zijt, versterk dan uw broeders” (Lc. 22,31-32). Petrus droomt.
2. Visser Simon Petrus zal herder worden.
\ - Na de maaltijd richt Jezus zich precies tot Simon die Hij al “Petrus - Steenrots” had genoemd. Driemaal in stijgende lijn vraagt Hij hem of hij van Hem houdt. Meer nog dan die anderen. Meer nog dan Johannes. Hij vraagt niet: “zijt ge sterk, bekwaam, geleerd…” De enige hiërarchie is deze van de liefde. Bij zijn afscheid had Jezus zijn leerlingen niet dienaren maar vrienden genoemd (Joh. 15,15). Petrus denkt nu aan zijn driedubbele verloochening en snikt het uit: “Gij weet alles, Heer, gij weet dat ik u liefheb.” Op dit woord zegt Jezus dat hij herder van zijn kudde zal zijn. Het is een geweldig woord. Voor de Joden was alleen God herder van zijn volk. Dat refrein keerde bij de profeten steeds terug. Jezus had van zichzelf gezegd: “Ik ben die goede Herder”. Dit was een van deze beroemde “Ik ben-woorden” waardoor God zich zelf in Christus liet blijken. Dat herderschap juist gaat nu over op een zwakke mens. Het herderschap van de liefde in de kracht van de Heer. Later zal Petrus op zijn beurt ook zijn medeherders oproepen: “Weid Gods kudde (…) van harte en niet uit dwang, met toewijding (…). Toon u een voorbeeld voor de kudde” (1 Petr. 5,2).
\ - Wie liefheeft, geeft zijn leven. “De goede herder geeft zijn leven voor de schapen” (Joh. 10,11) – “Geen groter liefde kan iemand hebben dan deze dat hij zijn leven geeft…” (Joh.15,13). De laatste consequentie van zijn herderschap zal het martelaarschap zijn. Jezus voorspelt deze logica: “(…) wanneer ge oud zijt, zult ge uw handen uitstrekken, een ander zal u omgorden en u brengen waarheen ge niet wilt. Volg Mij”. // Vandaag zegt Jezus tot iedere herder in ons: “Bemint ge Mij ? Volg Mij”. Wij heten graag christenen, maar wie van ons zijn bereid Hem consequent te volgen ?