3e zondag van Pasen – jaar C

C-cyclus · Paastijd · 3e zondag van Pasen · wit

Homilie op de 2e Paaszondag: “Zijn ook onze deuren gesloten?” (Jo. 20, 19-31)

Tielt, 7 april 2013

Wij zitten hier samen, net als Jezus’ leerlingen, acht dagen na Pasen. Zij hadden de deuren wel gesloten, bang dat ze als zijn leerlingen zouden herkend worden, beschaamd ook omdat ze Hem in de steek hadden gelaten.

Hier staan de deuren open. Iedereen mag hier binnen. De schrik van toen is er zeker niet omdat we hier allemaal gelijkgezinden zijn.

Toch kunnen we ons afvragen of we niet een beetje op die bange leerlingen gelijken, wanneer we op ons werk of elders tussen mensen vertoeven en het geloof ter sprake komt of zou moeten komen. Zijn we dan soms ook niet bang ons christelijk gezicht te tonen, uit schrik om ons gezicht te verliezen. Ik bedoel dat we misschien niet altijd durven bekennen, zoals de leerlingen toen, dat we één van hen zijn, één van die naïevelingen die nog in God geloven.

Hier samen zitten we knusjes op dezelfde golflengte: we bidden samen, we zingen samen over die dingen van toen… met open deuren. Toch zijn onze deuren ook wel eens gesloten voor elkaar, omdat we ook hier met zorgen of schuldgevoelens zitten, die we niet met elkaar delen, waarover we op ons eentje blijven piekeren, terwijl er zoveel woorden over liefde en verbondenheid door dit kerkgebouw zinderen…

Daarom is het goed even te luisteren naar de evangelielezing van vandaag.

Tomas was er niet bij toen Jezus kwam. Zijn naam betekent “tweeling”. Is dat niet de tweelingbroer van heel wat christenen op onze dagen? Als we het evangelie van vandaag goed lezen hebben de vele twijfelende gelovigen in hem een heilige in wie ze zich goed kunnen herkennen.

Van Tomas kunnen we bijzonder veel leren om van ons gebrek aan geloof te genezen. Heel ten onrechte heeft de volksmond hem uitgeroepen tot “ongelovige Tomas”. Hij mag eigenlijk best model staan voor de gelovigen van onze tijd. Hij is, zoals zijn naam het suggereert, onze tweelingbroer.

Hij spreekt zijn twijfel openhartig uit door te zeggen dat hij eerst wil zien en pas wil geloven als hij “eerst zijn hand in Jezus’ wonde kan leggen en tasten.” Hij herinnert ons eraan dat steeds de bekoring bestaat, zeker op onze dagen, geloof te verwarren met zekerheid. In onze tijd moet alles bewijsbaar, tastbaar en zichtbaar zijn. Alles moet wetenschappelijk verantwoord en rationeel verklaarbaar zijn. Ook onder ons zijn er vele mensen, die, net als Tomas, eerst tekens willen zien: pas dan zullen ze geloven. Ze vergeten dat geloven niet zo vanzelfsprekend is. Dat was het ook niet voor Tomas. Goede Vrijdag had hem uit zijn evenwicht gebracht. Hij had Jezus’ lijden en sterven meegemaakt en was helemaal geschokt in zijn idealen en verwachtingen. Als er dan berichten kwamen dat Jezus verrezen was en leefde, wou hij zich geen tweede maal laten “vangen”. Hij wou een tweede ontgoocheling vermijden. Daarom wou hij eerst zien en pas dan geloven.

Is dat niet de ervaring van vele gelovigen op onze dagen, zeker sinds de schokkende en pijnlijke ervaringen die we in de kerk meegemaakt hebben of ontgoocheld zijn in mensen, b.v. naar aanleiding van de recente pedofilieschandalen of seksueel misbruik door geestelijken, zelfs door hogere kerkelijke geestelijken? Vreten dan twijfel, ongeloof en verbittering soms niet elk van ons aan? Dat mag best. Christenen zijn niet gevrijwaard tegen onzekerheid, duisternis en ontgoocheling. Die ervaring moeten we respecteren en met veel begrip, eerlijkheid en geduld benaderen.

De kunst is te doen wat Tomas deed: niet met gesloten ogen verzinken in de modderpoel en niet leven in de illusie dat het geloof een zomaar vanzelfsprekende zekerheid is. Misschien moeten ook wij eerst door de twijfel van de ongelovige Tomas gaan om uiteindelijk, net als de gelovige Tomas, tot geloofsovergave te komen. Misschien moeten we daarvoor de nodige tijd nemen. Zou het niet goed zijn aan kinderen en jongeren de tijd te gunnen om hen in geloof te laten groeien, zonder iets te forceren? Groei heeft tijd nodig.

Dat is b.v. zo in het verwerken van verdriet. Er zijn altijd zekerweters die het gaan uitleggen. Maar de beste troosters zijn degenen die niet weten wat ze moeten zeggen. Een zekerweter zegt dan b.v.: “Je vrouw of je kind is bij de Heer.” Dat lijkt een gelovige uitspraak, maar als een dergelijke eeuwenoude geloofsuitspraak te vroeg komt, is het een dooddoener die alleen maar pijn doet. Pas als degenen die zijn achtergebleven na soms een lange en moeizame strijd zelf een beetje verrezen zijn en opgestaan uit hun verdriet, pas dan en als ze het zelf zeggen is het een waarachtige geloofsbelijdenis.

Je kunt mensen niet verplichten tot geloof. Niet zien en toch geloven, dat is prachtig, zegt Jezus. Maar dat heeft zijn tijd nodig, dat moet nog groeien. Dat alles kun je van Tomas leren. Noem hem dan ook geen patroon van de ongelovigen, maar van de eerlijk zoekende gelovigen. Dan doe je zijn naam alle eer aan: hij is je tweelingbroer, zoals zijn naam het zegt.

Zoekende gelovigen, dat mogen en moeten wij allemaal zijn, zelfs als je geen Tom of Tomas heet.

Gabriël Buyse, pastoor-deken em. Tielt


HOMILIE OP DE DERDE PAASZONDAG : VISSEN ZONDER IETS TE VANGEN

(JO. 21, 1-19)

Tielt, 14 april 2013

De evangelieverhalen in de paastijd zijn verschillende inrijpoorten naar een ontmoeting met de verrezen Heer. Deze keer loopt de weg langs de oever van het prachtige meer van Tiberias.

Het begin van het verhaal is gehuld in een veelzeggende duisternis. Het is niet alleen nacht over het meer, maar ook in het hart van de apostelen is het donker. Ze zijn ontgoocheld en ontmoedigd. Nu Jezus er niet meer is, rest enkel nog terug te keren naar hun vroegere stiel : weer gaan vissen. Maar die nacht vingen ze niets. Nieuwe ontgoocheling!

Dat vissen zonder succes is blijkbaar ook het verhaal van vele goed menende christenen, zeker in onze tijd. Ondanks hun edelmoedige inzet blijven hun netten dikwijls leeg.

Maar laten we eerlijk zijn. Zonder het verleden te veroordelen, moeten we toegeven dat de Kerk in sommige tijden te ijverig achter het net heeft gevist. Dan denk ik aan de conservatieve houding van sommige verantwoordelijken in de Kerk. Te lang lag het bootje van Petrus roerloos vast geankerd in een veilig beschutte haven, waar niets te vangen viel. Te dikwijls is men blind gebleven voor de nieuwe problemen in een snel veranderende maatschappij, o.a. het probleem van de arbeiders in de geïndustrialiseerde 19e eeuw, de nieuwe problemen en mogelijkheden ons geboden door de spectaculaire vooruitgang van de wetenschap in de 20e eeuw.

Soms ook hebben kerkleiders en priesters hun gezag gebruikt op terreinen waar het niet nodig was. Denk maar aan de bemoeizucht van de Kerk inzake huwelijksmoraal , waardoor onnodig veel gehuwden met schuldgevoelens belast werden en waardoor veel nodeloos leed geleden werd. We hadden aan gehuwden veel belangrijkere normen kunnen voorhouden dan een enge seksuele moraal, waarover haast niets te vinden is in het evangelie. Denk maar aan de zwartekousenkerk, waarin verantwoordelijken in de Kerk meenden dat dat ze de lengte moesten bepalen van de rok van de meisjes en vrouwen of van de mouwen van hun blouse of de hoeveelheid textiel van hun badpak. Wie zich daarmee bemoeide trok altijd aan het kortste einde, zowel letterlijk als figuurlijk.

We moeten durven toegeven dat de Kerk soms achter het net heeft gevist. Dat hoeft ons niet te ergeren of te verwonderen. Kerk is voor een stuk mensenwerk, bij definitie onvolkomen.

Wat meer pijn doet, is de ervaring van opvoeders, catechisten, priesters, diakens en pastorale werkers, die zich onbaatzuchtig inzetten voor de Kerk, maar ondervinden dat hun netten leeg blijven, zowel links als rechts van hun kerkbootje. Ze zijn ontgoocheld omdat, ondanks al hun inzet, ze moeten vaststellen dat er elk jaar meer lege stoelen zijn in de weekendvieringen. Ten tijde van het IJzeren Gordijn maakte een humorist de bemerking : “In het communistisch regime mag je niets zeggen, want er luistert steeds iemand mee. In het vrije Westen mag alles gezegd, want er luistert toch niemand.”

Het lege-nestsyndroom! Zwoegen zonder iets te vangen! Net als bij de ontgoochelde apostelen na het vissen zonder succes een hele nacht lang.

Totdat de verrezen Heer zijn leerlingen die het noorden kwijt waren, opnieuw kwam opvissen in Galilea. Hij kwam hun zeggen dat er meer vis in het meer stak dan ze vermoedden. Er stak ook meer in hen. “Plus est en vous!” was zijn boodschap. Dat enthousiasme, dat vertrouwen gaf de Heer hun mee. Het geloof dat het de moeite blijft zijn levenswerk verder te zetten en zijn bevrijdende boodschap van geluk voor de mens te verkondigen.

Niet beleren met passe-partoutantwoorden, maar door samen in Jezus’ geest op zoek te gaan naar een antwoord op de ernstige levensvragen, naar een zinvol en gelukkig leven. Een aalmoezenier in een ziekenhuis staat voor patiënten met lege handen. Hij heeft geen dossiers, geen instrumenten, geen medicamenten in de hand. Maar hij worstelt samen met de zieke bij de vraag van het lijden. Zieken kunnen zijn leermeesters worden. Dat is ook de ervaring in een gesprek met een ontgoochelde jongen of meisje, met een man of vrouw van wie het huwelijk dreigt stuk te gaan. Dat is ook zo als je goed bent voor een

arme : misschien ontvangt wie geeft meer dan wie krijgt.

Ontgoocheling bij de lege netten na al je inzet kan omslaan in geestdrift als je je verzoent met de grote verscheidenheid in onze samenleving en in de Kerk. Daarop wijst het evangelieverhaal. Op Jezus’ woord vingen ze 153 stuks vis, hetgeen wijst op 153 vormen van geloofsbeleving. En het net scheurde niet.

Geestdrift in de pastoraal kan blijven als je de Heer Jezus herkent in je midden en Hem ziet in de vele drenkelingen in onze maatschappij die met moeite het hoofd boven water kunnen houden, die aan lager wal zijn geraakt of die uitgestoten of vereenzaamd zijn. We moeten die drenkelingen opvissen uit hun verlorenheid, hun een helpende hand aanreiken, hun een houvast bieden en aan boord trekken. Reken daarbij niet te veel op een tastbaar en spectaculair resultaat. Dat werd ons door de Heer nooit beloofd! Integendeel!

Daarvoor hoef je niet gewijd te zijn. Toegewijd is al voldoende! En vooral een groot geloof. Dat is precies de vraag.

Gabriël. Buyse, pastoor-deken em. Tielt

Zoeken in Preken Online