Er was eens een droom
En die droom leek vervlogen
En hij scharrelde eenzaam en oud door de stad
Door vrienden van vroeger
Verloochend - bedrogen
Een karikatuur die zijn tijd had gehad.
En die stokoude droom
Ging langs deuren en huizen
Waar ooit hij het stralende middelpunt was,
Geliefd en aanbeden
Een held in ’t verleden
Met een kroon op zijn hoofd
En met vleugels van glas.
En hij nam me mee langs wegen van liefde
Tot hoog in de bergen
Naar toppen van kracht.
En het uitzicht daarboven
Was niet te geloven
Zo mooi en zo ver
En nog nooit zo gedacht.
Maar die stokoude droom
Zwerft nu door de straten
Verhongerd, vermagerd, verarmd en halfblind
En niemand heeft tijd om wat met ‘m te praten
Alleen af en toe
Nog een gek of een kind.
Dus als je hem tegenkomt
Eén dezer dagen
Haal hem in huis
Probeer het een keer
Geef ‘m een stoel
En dan moet je hem vragen:
“Hé, ouwe droom, hoe zat dat ook weer?”
Dat jij ons meenam
Langs wegen van liefde
Tot hoog in de bergen
Naar toppen van kracht
De wereld hervormen, de hemel bestormen
Met nieuwe ideeën
Nog niet eerder bedacht.
De stokoude droom
Heeft nog heel veel te geven
Hij heeft een geheim en dat zijn we soms kwijt
Maar hij zal ons allemaal ooit overleven
Hij is zo oud als de wereld
En zo jong als de tijd.
Maar je moet ‘m beschermen
Je moet ‘m verzorgen
Je moet m’ koesteren onder de zon
Je moet ‘m vertrouwen
En vandaag al of morgen
Dan weet je het weer
Waar het ooit om begon.
Dan neemt hij je weer mee
Langs wegen van liefde
Tot hoog in de bergen
Naar toppen van kracht
En daar zal dan blijken
Dat je verder kunt kijken
En hoger kunt reiken
Dan je ooit had gedacht.
Paul van Vliet, Waar waren we gebleven?