H. Familie C 2006

C-cyclus · Kersttijd · Heilige familie · wit

In het zogenaamde “directorium voor de Nederlandse kerkprovincie” waarmee de Nederlandse bisschoppen de liturgie in de Nederlandse r.k. kerken willen regelen, lezen wij bij de instructies voor deze dag: “Het feest van de Heilige Familie biedt een geschikt kader voor de viering van enkele riten of momenten van gebed die eigen zijn aan het christelijke gezin. Aangeraden wordt dat op deze dag het hele gezin aan de eucharistie deelneemt. Op deze dag kunnen ook plaatsvinden: de hernieuwing van de toewijding van heel het gezin aan de bescherming van de Heilige Familie van Nazareth, de zegening van de kinderen en de hernieuwing van de trouwbeloften van de gehuwden, nu als ouders”.

Dierbare gasten en parochianen van deze Vredeskerk: ga er maar aan staan … Want: het “christelijk gezin” - bestaat dat nog wel in Amsterdam in 2006? En zo het al bestaat, is het dan nog mogelijk dat iedereen op zondag uit bed komt om sámen naar de kerk te gaan. En dan die toewijding aan de Heilige Familie … is dat niet iets van héél erg uit de oude doos? En die “hernieuwing van de trouwbeloften van de gehuwden” hoe zit het dáármee? Voor deze viering heb ik een paar maanden terug advies gevraagd aan een paar gezinnen in deze parochie en van één van die gezinnen, een heel prima en leuk, kerkelijk behoorlijk meelévend gezin, bleken de ouders helemaal niet kerkelijk gehuwd te zijn onder het motto: “Daar hebben wij destijds niet voor gekozen, dat vonden we niet nodig.” Ik herhaal: ga er dus maar aan staan, aan de viering van dit feest, hier, vandaag. We weten allemaal: Heel veel gezinnen in Amsterdam vandaag de dag beantwoorden niet aan de kerkelijke norm van een man en een vrouw die van elkaar houden en die met elkaar getrouwd zijn, voor het leven, met één of meer kinderen. Want het komt veel voor dat ouders van elkaar scheiden en dat één of beide partners een nieuwe partner vinden waarmee met gaat samenwonen of niet en met wie men soms opnieuw trouwt. De kinderen hebben dan vaak twee huizen waar ze wonen, een huis bij papa en een huis bij mama. Wat ook veel voorkomt is dat kinderen eigenlijk maar één ouder hebben, meestal alleen een moeder. De vader is onbekend of niet of nauwelijks of op afstand betrokken. En dan kennen we in onze tijd ook de leefverbanden, gezinnen met twee papa’s of twee mama’s.

Met andere woorden, mensen: De relationele sfeer waarin kinderen tegenwoordig opgroeien is een afwisselend en bont geheel, sommigen zullen zeggen: het is een grote puinhoop, we zijn op dit vlak helemaal de weg kwijtgeraakt en het wordt hoog tijd dat we de zaak weer op orde krijgen en laten we in elk geval in de kerk het huisje bij het schuurtje, het mannetje bij het vrouwtje en de kindertjes bij papa en mama houden … Ja, ga er maar aan staan … Het gemakkelijkste is het natuurlijk om dat niet te doen. Het gemakkelijkste is het natuurlijk om de zaak maar helemaal te laten rusten en om met een grote boog om de thematiek van het feest van de Heilige Familie en de daarmee in onze tijd gegeven próblematiek; om daar omheen te lopen. Dat laatste doe ik echter liever niet. Dat zou te gemakkelijk zijn. En het zou laf zijn. Dat ligt niet in mijn aard. Liever vat ik de koe bij de horens en noem ik man en paard. Ik vind het ook belangrijk om over dit soort dingen na te denken samen en om er samen over te spreken. Want in dat samen nadenken en spreken kunnen wijn houvast vinden, een nieuw houvast misschien, ja dat kan ons helpen met het vinden van de weg in het leven, in gezinsverband en anderszins.

Ja, lieve mensen, “het vinden van de weg”, daar is toch alles om begonnen zo lijkt mij. Dáárvoor ga je toch zeker naar de kerk, dáárvoor komen wij toch samen, om “voedsel te vinden voor de weg, voor onderweg”. Heel grappig, ons woord “gezin” komt van het middelnederlands “gesinde” of “gesinne” en dat betekent: “reisgezel” of “reisgezelschap”. Die betekenis geeft meteen ruimte. We zijn samen op weg. Je bent alleen of met een klein clubje van uiteenlopende samenstelling, met een samenstelling die soms kan wisselen; daarmee ben je onderweg … Mooi dat we met deze oer-betekenis van “gezin” meteen ook middenin de beide schriftlezingen van deze zondag ploffen. Want daarin wordt gereisd. Er wordt gereisd naar het heiligdom. Zoals wij vanmorgen naar de kerk zijn gekomen, zo is in de eerste lezing Hanna, de moeder van Samuël, met haar kleintje ook naar het heiligdom van de Heer in Silo gereisd om hem daar achter te laten nota bene onder de hoede van de priester Eli. En ook Jozef, Maria en Jezus zijn, temidden van een heel reisgezelschap, van Nazareth naar de tempel van Jeruzalem gereisd. Waarom mensen? Waarom dit reizen? Waarom naar de tempel? Waarom naar de kerk? Ik denk: dat is te bedenken, dat is om je in te scherpen, om te weten en om tot uitdrukking te brengen: Wij zijn niet van onszelf. Je bent als mens niet het eigendom van jezelf. En je bent ook niet het eigendom van je ouders. Nee, “niemand leeft voor zichzelf en niemand sterft voor zichzelf. Wij leven en sterven voor God onze Heer, aan Hem behoren wij toe.” Het leven van jou en van je kinderen eventueel: Het is een geschenk aan ons van God. En met geschenken is het zo: Als je iets krijgt, dan wil je ook weer teruggeven, dan wil je terugdóen. Hanna, de moeder van de kleine Samuël, heeft dat goed begrepen. Ze zegt: “Om deze zoon heb ik gebeden, en de Heer heeft mij gegeven waar ik om heb gevraagd. Nu geef ik hem op mijn beurt aan de Heer.” Ja, lieve mensen, zo is dat: Kinderen krijg je - om ze ook weer weg te geven: aan de mensen, aan de ándere mensen, aan een partner die je kind zelf kiest misschien op een gegeven moment; je geeft je kind aan de mensen en aan God. Je krijgt het, niet in eigendom, maar om het weer los te laten als een duif. Met je kind of met je kinderen naar de kerk gaan is in zekere zin een oefening in dat loslaten.

Jezus wordt op deze zondag vanouds gepresenteerd als het schoolvoorbeeld van een braaf en gedwee, van een gehoorzaam kind. Maar uit de evangelie-lezing zal duidelijk geworden zijn, dat dat helemaal niet klopt. Nee, integendeel. Hij gaat z’n goddelijke eigen gang. Maria en Jozef zijn blijkbaar hele zorgeloze ouders. Ze gaan ervan uit dat hun kind niet in zeven sloten tegelijk zal lopen. Ze reizen met dat gezelschap, ze maken deel uit van een gemeenschap en daarin voelen zij zich met hun kind veilig en geborgen. Die gemeenschap is berschermend - óók voor hun kind. Maar zij kennen hun kind niet. Zij kennen het maar heel gedeeltelijk. In dat kind daarin léven dingen, daarin leven gehéimen, mysteries, waar zij geen wéét, waar zij geen idéé van hebben … “Zonder dat zijn ouders het wisten” blijft Jezus in Jeruzalem achter. En ze missen Hem pas na een dag. En pas na drie dagen zoeken vinden zij Hem - in de tempel. En die “drie dagen”, veelgeliefden, dat is natuurlijk geen toeval. Dat verwijst al vooruit naar “de derde dag” waarop Hij na Zijn dood aan het kruis zal verrijzen. Maria en Jozef maken het nu al mee in bepaalde zin. Ze zijn hun kind kwijt en dat is al een soort sterven voor ze. Of, beter gezegd: voor hen is dat een “oefening in sterven”. En dat soort oefeningen, veelgeliefden, heeft elke ouder nodig. Je kind even kwijtraken bij De Bijenkorf of op het strand: dat is voor ouders een “blessing in disguise”, een “zegen in vermomming”: Je besterft het als ouder dan van angst, je piest in je broek, je bent ten einde raad - maar het is goed dat het gebeurt, want daarmee leer je los te laten en daarmee leer je sterven: je leert zelf los te laten en te sterven omdat je je kind moet loslaten en omdat het zal sterven: het zal sterven omdat het niet zal voldoen aan al de verwachtingen en plannen en dromen die jij met en voor je kind hebt. “Kind, wat heb je ons aangedaan?” Niks geen braaf en gehoorzaam kind. Het is er gewoon tussenuit gepiept en wat dat voor zijn ouders zal betekenen, wat het met hen zal doen - daar denkt het niet eens bij na c.q. daar trekt het zich niet van aan. Het is een soort shocktherapie. En dat hoeft helemaal niet erg te zijn. Ja, het kan heel zinvol, vormend en leerzaam zijn voor mensen als ze af en toe eens goed schrikken. “Wist u niet dat ik in het huis van mijn Vader moest zijn?” is het antwoord van Jezus die midden tussen de leraars in de tempel zit, die deel blijkt uit te maken al van een hele andere wereld waar zijn ouders niet veel van snappen blijkbaar. “Wist u niet dat ik in het huis van mijn Vader moest zijn?” Het klinkt behoorlijk afstandelijk, ja verwijtend bijna en arrogant. Zo’n blaag van twaalf jaar. “Maar ze begrepen niet wat hij tegen hen zei” zo staat er. Ik denk: Ze begrepen het wèl, Maria zeker, maar ze wilden het niet weten, nóg niet. En dan komt er: “Hij reisde met hun terug naar Nazareth en was hun voortaan gehoorzaam.” God, tóch nog. Het woord valt tóch nog, het woord: “gehoorzaam”. In de kerk, in het bijzonder voor de kerkleiding, is het een belangrijk woord waarmee men graag schermt: “geloofsgehoorzaamheid”. In het huidige Nederland ligt dat moeilijk - misschien wel precies zoals het voor de twaalfjarige Jezus misschien moeilijk was om zich te conformeren aan de ideeën, wensen en verlangens van mensen die duidelijk veel beperkter van geest, inzicht en uitzicht waren dan Hijzelf. En toch gehoorzaamde Hij - tenminste for the time being. Ik denk mensen: het is een belangrijke les die de twaalfjarige Jezus ons allen, grote en kleine mensen, hiermee kan leren, namelijk deze: Het is goed om mensen die een bepaalde leiding-gevende verantwoordelijkheid hebben (zoals ouders ten aanzien van hun kinderen); het is goed om hen in die verantwoordelijkheid te erkennen. Het is goed voor een mens om te leren het hoofd te buigen - juist misschien als je die ander boven het hoofd groeit, juist als je met kop en schouder boven die ander uitgroeit en als wat jij denkt en weet die ander boven de pet gaat … Ik denk: omdat Jezus juist ook dát kon groeide Hij in wijsheid en “kwam Hij steeds meer in de gunst bij God en de mensen.” Mogen wij Hem daarin navolgen en mogen onze leefverbanden, onze gezinnen en onze kerkgemeenschap aldus en daarmee worden: een heilige familie. Amen.

Zoeken in Preken Online