Melchior, Balthasar, Gaspar: we kennen ze alle drie. Het zijn de drie koningen. Ze bezoeken ons elk jaar opnieuw. Met een ster in de hand. In een travestie, die aan Sinterklaas doet denken, bellen ze aan onze huizen. Ze zingen een kerstlied, of iets wat erop gelijkt, of iets wat er helemaal niet op gelijkt. Soms zijn het ook maar drie-koningen met z’n tweeën. Ooit zag ik eens één drie-koning alleen… Dan is het natuurlijk hopeloos. Dan heeft het niets meer te maken met de eigenlijke boodschap.
Nu, driekoningen is zelf al bedenkelijk. Wie is toch ooit op het idee gekomen om dit feest zo te noemen? In de boeken staat, dat het ons niet verwonderen mag: ze gaven toch goud, wierook en mirre. Drie gaven, dus ook drie personen. En die gaven waren niet zo gewoon. Dus waren die gaven koninklijk. Vandaar de drie koningen!
Nu ben ik geen rabiaat tegenstander van folklore en evenmin van volksvroomheid. Helemaal niet. Maar is het nog een volkse vertaling van datgene wat in de oude boeken staat? Daarop is het antwoord negatief. Er staat iets anders. Er staat iets over wijzen uit het Oosten, zonder getal en omstandigheden. Er staat ook, dat ze iets wilden geven, terwijl onze driekoningen meestal liefst iets ontvangen… Daar loopt de volkse vertaling dus fout.
Wat moeten we dan met dit feest? Mogen wij ter wille van de volksvroomheid de waarheid van de Schriften zomaar verdoezelen? Onze geloofsbroeders uit het Oosten zouden met ongelovige ogen naar ons kijken en spreken over verraad. Voor hen is dit het grote feest! Voor hen is het Kerstmis dat naar buiten treedt. Voor hen is dat het echte Kerstfeest. Kerstmis in volle tooi. Hij is aan de wereld gegeven en de wereld heeft hem nu gezien. Het is een feest met het karakter van een proclamatie: hier is nu God! Zoekende mensen hebben het zo bevonden.
De mensen die het zo bevonden hebben, dat zijn dus die wijzen. Het zijn de zoekende mensen. Gelukszoekers, Godzoekers. Zij zijn het beeld van alle God-zoekers. Ze zongen geen liedjes, ze stelden zich vragen: waar is God te vinden, is het waar dat Hij op aarde verschenen is? Is het waar, dat Hij zich vinden laat als wij de goede ster volgen? Dat is natuurlijk eventjes mysterieus voor ons, maar wellicht ook niet? Wij lopen toch allemaal achter sterren aan? Gelukssterren, horoscopen, stars, lichtpunten? Wij zijn allemaal een beetje zoekers, die geloven dat het geluk uit de hemel valt? Dat is het strookje irrationaliteit in ieder van ons, dromers van geluk.
Dat zijn voor mij die wijzen uit het Oosten. Het Oosten is vanouds de plaats van het zoeken, het Westen is vanouds de plaats van het weten. Zoekende mensen gaan dus van het Oosten naar het Westen: daar zullen ze de waarheid zien! Dat doet dus de wijze mens: hij zoekt waarheid. De verstandige mens is anders: hij bezit de waarheid. Dat is het cruciale punt in het hele verhaal. De zoekende mens zoekt daar waar het te vinden is: in het Westen. Dat is voor hem Jeruzalem. Daar zijn er mensen die weten, die over de waarheid beschikken, die de waarheid bezitten. Dus, de zoekende mens trekt naar Jeruzalem. Daar wonen de geleerden van de Schrift, de Schriftgeleerden, mensen die weten.
Daar viel, volgens Matteüs echter het licht uit, daar viel de ster uit. Daar was het niet. Ze lazen wel wat uit de oude boeken, ze zegden wel woorden over de koning die komen moest, maar het eigenlijke wisten ze niet. Ze waren te zeer boek-gericht en te weinig open voor hetgeen onder hun ogen gebeurde. Zo zijn geleerden nog. Ze kennen wel de boekenwijsheid, maar niet de wijsheid van het leven. Ze konden in theorie wel iets zeggen over Betlehem, maar dat was alleen maar theorie. Maar daarmee wist de wijze mens genoeg: hier brandt de lamp niet.
Naar Betlehem dus. Dat is de plaats. Dat is het juiste adres. En zie, daar bleef de sterre stille staan. Daar was het dus. Betlehem. De stad van Jozef uit de oude verhalen, de stad van Naömi en Ruth, de stad van David. De stad waar brood wordt gebroken voor de broeders, voor de wereld. Als je God zoekt, mag je dit adres niet overslaan. Als je geluk zoekt, mag je dit oord niet voorbijgaan. Geleerden zullen het daar niet gaan zoeken, wijzen wel.
Daar stond de ster dus stil: hier was het! En toen ging hun hart open:ze gaven goede, rijke gaven, gaven van verering en aanbidding. Dit was het punt van aankomst na een lange zoektocht. In Betlehem moet je God zoeken!
Ze hadden geen zin meer om ooit naar Jeruzalem terug te keren. God is elders te vinden: daar waar mensen brood breken voor elkaar. Op de plaats waar mensen deze gaven ontvangen, leren ze ook hun goede gaven te geven. De wijze mens weet nu waar de lamp brandt. Zo eenvoudig is het leven.
Betlehem, schrijf dit kleine plekje voortaan met een grote letter, lieve wijze mens.