Openbaring des Heren Cyclus C 2013Jes 60, 1-6
Mt 2, 1-12
Waar de ster blijft stille staan!
Beste vrienden,
******Eén van de bekendste verhalen van Felix Timmermans is het toneelstuk „Al waar de ster bleef stille staan“. De bedelaar Schrobberbeeck, de palingvisser Pitje Vogel en de herder Suskewiet trekken hun papieren ster al zingend van hoeve tot hoeve achterna en belanden tenslotte bij een oude woonwagen, midden in het Vlaamse land. Daar vinden ze Maria, Jozef en het kind. Hun ster had hen de weg gewezen. De drie mannen zijn volledig vertederd door het kind en offeren al de gaven die ze bij het zingen hebben bijeengegaard.
De echte ster van Bethlehem heeft de mensen toen ook de weg gewezen. Eerst aan de herders en dan aan de drie wijzen uit het oosten, die door de volksmond tot koningen werden verheven en zo aan het feest van vandaag zijn naam hebben gegeven. Alleen: van Koningen wordt in het evangelie niet gesproken; Hoogstens van Magiërs, eerbiedwaardige Astrologen uit het oosten. Hun spoor duikt uit het niets op en verdwijnt achteraf ook weer in het onbekende. Wat we wel weten: deze mensen waren zoekend. Het waren mensen die, meer dan alle anderen, nadachten over de zin van het leven, waarvoor het loont om te leven en waar ze God zouden kunnen vinden. Ze zijn dan samen op weg gegaan en zo is het feest van vandaag eigenlijk gewijd aan alle mensen die naar God op zoek zijn. Mensen die op de pelgrimstocht van hun leven alle vermeende zekerheden opgeven om zich vrij te maken voor de ervaring die in hun leven Bethlehem uitmaakt. Diep in hun hart hebben deze mensen een droom, de droom van een licht dat hun leven raakt en betovert. En dan ontdekken ze de ster boven Bethlehem. Het geruststellende en aangename aan dit verhaal, dat vooral over beweging en rondtrekken gaat, is voor mij het besef dat er nog tekens en wonderen gebeuren – ook vandaag nog. Als we op de ster en haar boodschap durven ingaan, dan kan dat verhaal van de drie magiërs ook ons eigen verhaal worden. Want ook midden in onze duisternis, midden in die nacht, die ons persoonlijk leven zo nu en dan omhult, die ons soms zo pijnlijk treft en die we moeten ondergaan, kunnen we soms plots die ster ontdekken. Te midden van onze vertwijfeling en onze eenzaamheid kan ons plots een licht opgaan en ons de toekomst wijzen. Het is misschien klein en schijnbaar onbeduidend, maar het geeft ons licht en hoop.
De ster van Bethlehem is er, hij bevindt zich ook aan ons firmament. Niets of niemand kan hem nog doven, hij werd ons voor altijd geschonken. Maar het is belangrijk dat we naar hem opkijken, dat we hem waarnemen en dat we ons erop voorbereiden om ons verdere leven met hem gestalte te geven, en met het kind in de kribbe waar hij naar verwijst. Ook de drie magiërs hebben zich op weg begeven en ze komen niet voor niets uit de vreemde, je kan zelfs zo ver gaan en zeggen dat ze symbool staan voor de drie toen gekende werelddelen: Europa, Afrika en Azië, en zo dus ook voor alle mensen op aarde. Mattheus zegt ons: Zoals deze mensen langs verschillende wegen en levenswegen tot bij de kribbe komen, zo kunnen jullie er ook naartoe komen. Bij de kribbe van deze kleine, en voor het menselijk oog zo onooglijke koning is er veel plaats; plaats voor iedereen die zoekt en navraagt. Iedereen kan God vinden, want God heeft een groot hart en wacht met een oneindig geduld op iedere enkeling, ook op u en op mij.
„Ster van Bethlehem, toon ons de weg.“ Deze ster zegt tegen ieder van ons: “Een redder is u geboren” Jullie leven is niet verloren en jullie tranen zijn niet tevergeefs. Jullie zijn kostbaar in de ogen van God en Hij laat daarom ook niemand in de steek. Ik vertel u nog graag een verhaal dat dit gebeuren nog even anders belicht. Het vertelt ons wat er gebeurde toen de drie wijzen de stal van Bethlehem al terug hadden verlaten. En zelfs al is het maar een verhaaltje, de inhoud ervan brengt ons toch dichter bij wat Kerstmis en ook het feest van vandaag ons willen zeggen.
De drie voorname gasten van Jozef en Maria, die bij ons meestal „de drie koningen“ worden genoemd, hadden met hun gevolg Bethlehem amper verlaten of daar dienden zich s’avonds laat drie andere bezoekers aan; zonder gevolg, heel onopvallend en onaanzienlijk. De eerste ging in lompen gekleed en keek hongerig om zich heen. Hij had vermoeide ogen die veel te veel miserie hadden gezien. De tweede liep krom voorover en zijn handen waren met zware kettingen gekluisterd. Van het lange dragen ervan waren zijn polsen helemaal wond geschuurd. De derde tenslotte had verwarde haren en de vertwijfeling stond in zijn ogen; zijn rusteloze blikken dwaalden rond alsof hij iets zocht dat hij verloren had. Al de andere bezoekers, die rond het armzalige kribbetje stonden weken schuw achteruit voor die nieuwkomers. Dan sloten ze zich aaneen en vormden een dichte kring rond de stal om die nieuwkomers buiten te sluiten. Het gemompel tegen dat „vreemd gespuis“ werd steeds maar sterker. Toen kwam Jozef naar buiten om de mensen gerust te stellen en sprak: „Bij dit kind mag iedereen komen, arm of rijk, beklagenswaardig of voornaam, betrouwbaar of verdacht. Niemand kan het voor zichzelf alleen opeisen, zelfs wij, zijn ouders, niet. Laat die mensen dus binnen! “ En daar stonden ze dan alle drie voor de kribbe en keken lang zwijgend naar het kind. Niemand wist, toen hij ze daar zo zag staan, wie er het armst aan toe was: Het kind op zijn bedje van stro of diegenen die er naar stonden te kijken. Ze leken allemaal wel ondergedompeld in dezelfde miserie. De man in lompen, de man in ketens, de man met de treurige blik en het kind. Dan brak Jozef plots het zwijgen. Hij wilde zijn dankbaarheid toch ook tegenover deze sukkelaars uiten. In een nis lichtten de gaven van de drie magiers op. Jozef nam ze en bood ze aan de drie sukkelaars aan: De man in lompen bood hij het goud aan, de geketende de Myrrhe en de bedroefde de wierook. Maar de drie schudden eensgezind het hoofd en weigerden de geschenken aan te nemen.
De eerste antwoordde: „dank u, goede man, maar bekijk mij eens. Wie bij mij goud vindt zal me onmiddellijk van diefstal verdenken.” De tweede zegde: “Ik ben aan mijn wonden gewoon en ben door hen taai en sterk geworden, hou de myrrhe maar voor uw kind. Hij zal ze later misschien nodig hebben.” En de derde zei tenslotte: „Ik kom uit de wereld van de geleerden en de filosofen. Door hen ben ik afgedwaald en kan niet meer geloven. In de woestijn van de rede ben ik God kwijtgeraakt. Waartoe heb ik dan nog wierook nodig? Die zou alleen nog maar mijn twijfels verhullen. In zijn nevel zou hij me alleen nietszeggende beelden doen zien, die God niet kunnen vervangen.” Dan gingen ze alle drie dicht bij het kind staan en zegden: “Jij bent, net zoals wij, ook niet uit de wereld van Goud, wierook en myrrhe. Jij hoort in onze wereld van twijfel, kommer en kwel. Daarom brengen we jou datgene wat we met je gemeen hebben.” En dan legde de eerste enkele van zijn lompen bij het kind en zei: “Neem mijn lompen. Wanneer ze je later de kleren van het lijf rukken en je alleen en naakt zal zijn, dan kan je ze dragen. Denk dan aan mij.“ De tweede nam zijn ketens en zei: „ Neem mijn ketens. Eens zullen ze ook jou ermee ketenen als ze je gevangen nemen en wegvoeren. Denk dan aan mij.“ Tenslotte boog ook de derde zich over het kind en zei: „Neem mijn twijfels en mijn Godverlatenheid. Ik heb niets anders. Alleen kan ik die niet dragen, ze zijn me te zwaar. Deel ze met mij. Neem ze in je op en draag ze voor God.” Dan stonden de drie late gasten op. Ze richtten zich op en je had het gevoel dat er iets zwaars van hen was afgevallen. Ze hadden de plaats gevonden waar ze hun lasten konden achterlaten. Ze wisten en voelden dat hun lasten en zorgen bij dit kind in goede handen waren: de nood, de kommer en de kwel en ook de Godverlatenheid. Dan gingen ze met vaste schreden en vol vertrouwen naar buiten en keerden terug in hun leven van alle dag.
Zo kan iedereen, rijk en arm, gelovigen en twijfelaars, met zijn zorgen en problemen bij het kind terecht. Wij moeten er alleen maar naar uitkijken waar de ster blijft stille staan.
Amen.