Homilie voor het Feest van de Doop van de Heer – C
11-12 januari 2025
Evangelielezing: Lc 3, 15-16. 21-22
Pastorale eenheid Sint-Germanus Ardooie
Het gebeuren uit het leven van Jezus dat we vandaag in de liturgie gedenken, speelt zich af bij de rivier de Jordaan. Het is een bijzondere plek, want aan de boord van het water staat Johannes de Doper. Johannes staat daar te wachten op mensen die zich willen laten dopen. En zie, in de verte komt een groep mensen aan. Wie mogen dit wel zijn? Ik zie er rijke mensen, arme mensen, zieke mensen, mensen met een beperking, lieve maar ook snibbige mensen, en ook zondige mensen. Ja, zelfs een overspelige vrouw, een Samaritaanse vrouw, en helemaal aarzelend achteraan een groepje vluchtelingen. Johannes roept hen. Ze komen aarzelend naar voor om elk op hun beurt af te dalen in het water, om ondergedompeld te worden en opnieuw geboren te worden als nieuwe mensen. Midden in die groep bemerken we ook Jezus uit Nazareth, de Messias, de gezondene van God. Onopvallend is Hij bij hen, gewoon, haast onherkenbaar staat Hij tussen hen in…
En ook Hij laat zich dopen.
En dan gebeurt het onvoorstelbare: Jezus wordt na Zijn doop overschaduwd door de Heilige Geest. De hemel gaat boven Hem open, en er klinkt een Stem die zegt: ‘Ik hou van je, je bent Mijn dierbare beminde’. Iets belangrijkers kan tegen een mens niet gezegd worden. Daar groei je van, en je wordt ervan in de hoogte getild…
Ik neem u dan even mee naar enkele tientallen jaren later, en naar een andere plaats, een doopplaats van de eerste christenen in Griekenland, in Filippi, waar de apostel Paulus met een groepje mensen voor de eerste keer probeerde kerk te vormen in Jezus’ naam, en waar de mensen die met hem mee wilden doen zich lieten dopen.
Wat zien we op de foto op de schermen: We zien een beekje, een tafeltje en een kapelletje. We proberen even stil te staan bij elk van deze elementen.
Er is het beekje, met het water waar je bij het doopsel in ondergedompeld wordt, en waaruit je mag opstaan en verrijzen als een nieuw mens. Zo moet het gebeuren: stilhouden bij het water, ootmoedig afdalen van de trappen en in de stroming gaan staan. Je laten onderdompelen, doordrenkt worden van dat troebele water. Je laten raken en overspoelen door het leven zelf, met zijn beperkingen en tekortkomingen, met zijn gemis en verlangen, het ‘niet meer’ en ‘het nog niet’ en alles wat daar tussen ligt… Afdalen in het water, je laten onderdompelen helemaal. En dan recht krabbelen aan de overkant, en weer op de vaste grond gaan staan. ‘Opstaan’ en verrijzenis ervaren aan den lijve.
En daar aan die overkant is er een klein tafeltje, waar je rond kan gaan zitten. Want vanuit je doopsel word je uitgenodigd om zo goed mogelijk gemeenschap te maken met de mensen die je gegeven zijn… samen en verbindend!! Mensen gaan maar al te graag zitten rond dat tafeltje, want ze hebben geen zin om meteen naar huis te gaan. Ze voelen zich geraakt door hun doopsel, en ze willen er met elkaar over praten. En in mijn verbeelding zijn kinderen aan het ravotten aan de zijkant. Ik zie een jongetje dat uit zijn broodtasje enkele broodjes en 2 vissen haalt, die door Jezus meteen gezegend worden, zodat iedereen te eten heeft. Want ja, ook Jezus en Johannes zie ik daar tussen de mensen zitten, om te luisteren naar de zorgen, de problemen, het verdriet en de vreugde van de mensen. Van hun luisteren gaat steun uit en troost. Door de hartelijke sfeer die er ontstaat, de liefde en de verbondenheid, voelen Jezus en Johannes zich gelukkig. Ja, daar, op die plek, ontstaat de Kerk van Christus.
Na het eten gaan ze met zijn allen naar het kapelletje om er samen te bidden. Het is een plaats om stil te worden, te bidden voor elkaar en voor alles wat je ter harte gaat. Je vindt er rust bij jezelf om die dan door te geven aan je naasten. Na de stilte staat ineens iemand recht en zegt: we zijn nu gedoopt en over ons is de Geest gekomen. Dus kunnen wij nooit meer onverschillig blijven voor de vragen die ons beroeren en de oproep die er van uit gaat om er te zijn voor elkaar, in Jezus’ en in Gods Naam.
En ineens staat er nog iemand recht met de vraag: laten wij ons net als Jezus ook door de Geest leiden?
Naar die plek van ons doopsel, om verder ondergedompeld te worden in de liefde en de dienstbaarheid?
En nog een ander vraagt: worden ook wij door het water van de doop eindelijk bevrijd van onszelf, ons egoïsme, onze onverschilligheid, ons eigenbelang?
Proberen wij mee de paden te effenen voor een wereld van liefde, vrede en gerechtigheid?
Zo is Jezus dus gedoopt: in de Geest, en met water. En telkens wanneer wij dit verhaal horen, worden ook wij in diezelfde Geest en met datzelfde water gedoopt.
Water… meer dan zomaar wat druppels. Water dat uit de hemel valt, weldoend en zegenend, lavend en verfrissend. Om het harde, het dorre, het onvruchtbare-verdroogde zacht te maken en te laten herleven gaat er niets boven water.
En wij vragen dat Gods Geest over ons wordt uitgegoten, nog een keer. Dat we herboren worden, vandaag nog als het kan. Dat we voorzichtig durven afdalen tot in de diepte van het leven. En dat we nog een keer die Stem mogen horen die als het ware uit de hemel komt en zegt tegen elk van ons: ‘Jij bent de moeite waard!’ En dat we na de onderdompeling met volle moed en overtuiging weer met vernieuwde tred opklimmen naar de mensen toe, naar de tafel van gemeenschap en het kapelletje van het gebed.
Zo moge het zijn, en steeds meer worden, ook hier en nu, in deze plaatselijke kerkgemeenschap die wij samen vormen.
Ja waarlijk, zo moge het zijn. Amen.
Diaken Marcel Derluyn en zijn vrouw Gerda De Costere
Glasraam in de grote ‘kerk aan het meer’ bij de Chinese stad Suzhou - De doop in de Jordaan
‘Hij moet groter worden, en ik kleiner’ (Joh. 3,30)
JEZUS GEDOOPT IN DE JORDAAN
De Jordaan is de laagste van alle rivieren ter wereld. Hij draagt dan ook zijn naam met ere: ‘Yardén’ wil zeggen: de ‘Afdaler’ (van het werkwoord ‘yarad’ – ‘naar beneden gaan’). Als rivier is de Jordaan in feite de diepst afdalende waterloop van heel de planeet. Ze ontspringt aan de voet van de Hermon en daalt zo’n vierhonderd meter onder de zeespiegel af, om dan in de Dode Zee uit te monden.
Je laten dopen betekent dat je bereid bent om af te dalen in het water dat komt uit de Bron, en dat je je wilt laten onderdompelen in de stroom van het alledaagse leven. Dat je van het water wilt leren wat het is: ‘dienaar-diaken van de mensen’ te zijn. Het water is nederig, zei de Poverello Franciscus ooit. Want het zoekt altijd de laagste plaats op… Franciscus heeft “zuster water” dan ook tot symbool gemaakt van de nederigheid en noemt haar “nuttig, nederig, kostbaar en kuis”. Inderdaad, water verheft zich nooit, stijgt nooit op, maar daalt altijd neer, tot het zijn laagste punt bereikt. Niet voor niets heeft Jezus van Nazarteh zich bij het begin van Zijn ‘openbaar leven’ laten dopen in het water van de ‘Jordaan’ – dat betekent letterlijk: ‘De Afdaler’… Dit stemt tot nadenken. Onze roeping bestaat uit niets anders dan diaconie. De leerschool van de ‘humaniora’ doorlopen betekent: klein leren zijn. De remedie is simpel: je moet de dieperik in. Een radicaal ander stand-punt leren innemen. Aan de onderkant (her)beginnen. Afdalen, lager dan het diepst stromende water binnen de aardkost. Nederdalen ter helle. Om dan misschien ooit te kunnen verrijzen op de derde dag, volgens de Schriften…
Gedoopt in de Jordaan…
In die tijd,* toen het volk vol verwachting was** en iedereen zich aangaande Johannes de vraag stelde,** of hij niet de Messias zou zijn,** gaf Johannes aan allen het antwoord:** “Ik doop u met water,** maar er komt iemand die sterker is dan ik;** ik ben niet waardig** de riem van zijn sandalen los te maken.** Hij zal u dopen met de Heilige Geest en met vuur.”* Toen al het volk zich liet dopen,* en Jezus na zijn doop in gebed was,** geschiedde het dat de hemel openging** en de Heilige Geest in lichamelijke gedaante,** als een duif, over Hem neerdaalde,** en een stem uit de hemel sprak:**
“Gij zijt mijn Zoon, de welbeminde,
in U heb Ik mijn behagen gesteld.”*
Lucas 3, 15-16. 21-22
Er staat een man in de Jordaan. Zijn naam is Johannes. Mensen dopen is zijn lust en zijn leven. Met vaste hand leidt hij ze de rivier in, één voor één, en dompelt hen onder. Door het vruchtwater heen trekt hij ze naar een nieuwe geboorte toe, oefent met hen in kopje onder gaan en weer naar boven komen, in vergankelijkheid en verrijzenis. Vuil van jaren aan de zielen vastgekleefd wordt losgeweekt en weggespoeld. Wie opgevist is uit het water heeft ogen blij als een kind dat nog maar pas geboren is… En tussen al die mensen: een jongeman uit Nazareth. Zie, hij doet zijn kleren uit, daalt in het water af en laat zich dopen. Wanneer hij druipend van het doopwater tegen de oever opklautert ziet hij de hemel open gaan boven zijn hoofd. Ineens is zijn bestaan niet langer dof en uitzichtloos maar licht en open; de onrust en de pijn van het niet-weten en maar half-vermoeden wie hij is en waarom, is opgeheven. Plotseling is hij niet meer eenzaam en alleen, maar opgenomen in een samenhang, een verbond en een verband, een routeplan, een bestemming. Is een plotse doorbraak van inzicht en doorzicht en uitzicht, weten wat waarheid is en schijn, besef van roeping en verantwoordelijk-zijn. ‘Vol worden van de heilige Geest’ heet dat in de taal van de Schrift. Er zijn van die blikseminslagen in een mensenleven, waarbij je met niets ontziende duidelijkheid beseft: dàt is mijn roeping, dàt moet ik doen! Ieder mens heeft behoefte aan een groot perspectief. Soms even een opening in de hemel waaruit een bundel licht op je leven valt, een Vogel hoop die neerdaalt, een Stem, Woord om antwoord op te geven… Dan ziet hij de Geest als een duif op zich neerdalen. Gods tederheid strijkt op hem neer en nestelt zich tussen zijn opgeheven armen. Het is een zilverwitte duif, de vleugels wijd gespreid, de pootjes open als voorzichtige handen die de dopeling worden opgelegd. Die Vogel Gods zit daar dan te roekoeën van plezier. Je kunt zijn hart van opwinding zien bonzen in zijn keel. Zijn liefde gaat zichtbaar op en neer tussen zijn veren. De geest, die witte vogel van de hoop die reeds vanaf het begin der schepping op verkenning is, maar bijna nergens kon landen in de geschiedenis der mensen – hij wiegt nu zachtjes heen en weer van ‘contentement’. Eindelijk is er een mens gevonden naar Gods hart. Dit is waarachtig een nieuw begin! En zie, een stem, een vleugelslag van zachte woorden klopt aan zijn gehoorbeen en fluister in zijn oor: ‘Jij bent mijn liefste zoon, jij bent waarachtig een mens naar mijn hart!’ het is de geest die dat zegt. Woorden van tederheid, een hemelse ervaring. Teken van bemoediging, signaal van hoop. Gods eigen Naam wordt als een zegel op zijn hart gelegd… Ach, mocht dat jou en mij ook ooit eens overkomen! Al was het maar even: die stem kunnen horen en die duif mogen zien. Wij zouden ons net als Jezus koningskinderen mogen noemen… Dit stukje evangelie over de doop in de Jordaan wil ons vertellen dat de hoop op een nieuwe hemel en een nieuwe aarde niet vermetel is of vergeefs. Zij die hun leven durven om te keren weten soms één ogenblik lang, als in een visioen, dat het werkelijkheid wordt. Zij zien de hemel open en horen een stem die fluistert: ‘Jij bent een kind van God, méér waard dan al het goud van deze wereld…’ (Kard. Cardijn) geloof maar in je eigen taak en zending. Ik zal voor altijd met je zijn…’ Zó wordt ons Jezus’ roeping beschreven. Met dit visioen in zijn ziel is Hij naar de mensen gegaan. De Geest van god rustte op Hem vanaf die dag. Zijn roeping liet Hem niet meer los. Opgestegen uit de doop woonde Hij voortaan voorgoed in de landstreek van de hoop… Dan nog een kort postscriptum: ‘terstond dreef de Geest Hem naar de woestijn…’ staat er direct na dit heerlijke verhaal over zijn doopsel in de Jordaan. Geen triomfantelijke intocht in het Beloofde land, dus! Maar direct de woestijn in, waar de bekoringen wachten en het gevecht met de dia-bolos, de uitéén-trekker, de duivel. Veertig dagen en veertig nachten lang het risico lopen van te verzanden, te verdwalen en te verschralen in niemandsland. Al die tijd met jezelf alleen in die duizelingwekkende ruimte met niets dan wildernis en zand. Ook dàt doet de geest ons aan. Hij drijft ons de woestijn in, die harde leerschool van de realiteit. Om veertig dagen lang te oefenen om zo goed als God te worden: horen en zien de ellende van de armsten; de ogen open houden voor wat gebeurt, het hart en het geweten niet afwenden. En afdalen – partij leren kiezen voor de ontrechten, bondgenoot proberen te worden van allen die proberen menswaardig mens te zijn. Wie zich gedoopt weet en geroepen, moet zoals Jezus beseffen dat de Geest ons geen andere keuze laat… geert dedecker
Dit ene weten wij
Dit ene weten wij en aan dit één houden we ons vast in de duistere uren: er is een Woord, dat eeuwiglijk zal duren, en wie ’t verstaat, die is niet meer alleen.
Henriette Roland Holst – Van der Schalk
Hoes van de CD ‘Violins Of Hope: Live At Kohl Mansion’ – afbeelding: fragment uit ‘The blue violinist’ van Marc Chagall
Kleine akte van geloof
Hopend op meer dan dit: hopende op geluk de lachwekkend ontroerende bloesem die geen vrucht draagt
iedere ochtend een kans iedere avond een aanloop naar later misschien
en elke dag opnieuw verwachten wat niet bestaat
dit weten tot in de polsslag dit weten met elke vezel
en toch? en toch
uit Ellen Warmond: ‘De huid als raakvlak’ (1964)
‘Misschien’ is een prachtig woord in onze taal. Het is een samenvoeging van ‘Moge het geschieden’. Het drukt een verwachting uit, een hoop die wordt gekoesterd. Van ‘geschieden’ wordt gesproken als er iets plotseling gebeurt, groots, ingrijpend en veelbetekenend. Is er nog hoop? Het is moeilijk haar niet op te geven in een tijd van zoveel cynisme en fatalisme. Er is een algehele innerlijke mobilisatie nodig om een mens van hoop te blijven en om die hoop praktisch te blijven omzetten. Het begint niet bij grote besluiten van machthebbers. Kleine mensen dragen het menszijn, dragen de wereld, verwezenlijken de hoop. Zij zijn de hoop.
HERMAN VERBEEK in ‘Liedboek van de aarde’
Van harte een Zalig en Gelukkig ‘En toch’- en ‘Misschien’- Nieuwjaar toegewenst! Verbindend verbonden, geert