Hallo allemaal, Wij leven in een tijd van steeds groeiend individualisme. onze maatschappij propageert dat elk individu zijn eigen geluk moet smeden - desnoods ten koste van de anderen, die moeten ook maar voor zichzelf zorgen. Er bestaat daar een geleerde term voor: “desolidarisatie”! Bij Jezus is dat heel anders: Hij solidariseert zich met de zwakken en de zondaars. Hij trekt, zoals zoveel mensen van zijn tijd, naar de Jordaan en zet zich in de rij van de mensen die het boetedoopsel van Johannes willen ontvangen. Zelfs wanneer Johannes verontwaardigd tegen Hem zegt: “wat komt Gij hier doen, ik zou naar U moeten komen om me te laten dopen!” - antwoordt Hij eenvoudig: “laat maar zo”. en blijft gewoon tussen al die zondaars met hun slecht geweten staan om solidair met hen het doopsel te ontvangen… Hoe kunnen wij die op het individu gerichte maatschappij terug tot solidariteit, tot medeleven met elkaar, tot een warme maatschappij brengen. dat is de taak die Jezus ons geeft en die ook wij alleen kunnen verwezenlijken. laten we de mouwen opstropen en er aan beginnen!!
Hartelijke groeten
Frank Theré
Doop van de Heer Cyclus C 2016 (11.01.) Titus 2, 11-14; 3, 4-7
Lucas 3, 15-16.21f
Ook jij bent mijn geliefde dochter, mijn geliefde zoon
Beste vrienden,
Als een koning in zijn jonge jaren dikwijls in twijfelachtig gezelschap werd opgemerkt en graag met zeer drinkvaste kameraden op stap ging, dat weet het Internet te vertellen, maar verder spreekt daar vandaag niemand meer over. Dat meneer de minister bij het begin van zijn loopbaan een jaar heeft moeten overdoen, dat weet het internet ook, maar in het verhaal van zijn eigen leven en loopbaan is dat al lang niet meer van tel. Maar bij Jezus is dat heel anders. Dat Hij, bij het begin van zijn openbaar leven, daar gewoon aan de Jordaan tussen „jan en alleman “opduikt, en dat Hij gewoon in de rij gaat staan tussen al die mensen waarvan er velen zijn die heel wat op hun kerfstok hebben staan, en daar dan het boetedoopsel van Johannes de Doper wil ondergaan. Dat is allemaal niet vergeten, maar wordt door alle vier de evangelisten beschreven als het begin van zijn carrière. En vandaag vieren we dat zelfs met een eigen feest, alhoewel dat toch helemaal geen voordelige start is en Jezus daardoor in een wat merkwaardig licht wordt gezet. Heeft Hij dat boetedoopsel dan echt nodig? Is Hij dan zelf ook een zondaar? Waarom een dergelijk Understatement van zijn persoon? Waarom zet Hij zich hier onder Johannes.
Je voelt als het ware aan hoe moeilijk de evangelisten het hier met het gedrag van Jezus hebben en hoeveel moeite ze doen om uit teleggen waarom Jezus uiteindelijk toch groter is dan Johannes. Maar het staat vast dat Jezus zo, en niet anders, aan zijn openbaar leven begonnen is. We mogen veronderstellen dat Jezus zich op het moment van zijn doopsel ook bewust is geworden van zijn zending. Of dat nu, zoals beschreven, voor iedereen zichtbaar en hoorbaar is gebeurd, of in een soort van mystieke waarneming van Jezus zelf, dat laten we in het midden. Het is evenwel voor veel mensen, na dit doopsel, duidelijk geworden dat Jezus ‘zending heel anders was dan die je van iemand zou verwachten die echt in menselijke zin carrière wil maken. Hij, die voor ons allemaal Gods zoon is, zet zich in de rij met door fouten belaste, begrensde en dikwijls ook erbarmelijke mensen. Hij gaat zo vanzelfsprekend naast die zondaars staan als was Hij ook een van hen. De evangelist Mattheus zegt daarover: „Zo is Gods gerechtigheid.“ Het is zijn manier om aan de wereld „recht te doen wedervaren“, de wereld die Hij zelf heeft geschapen en die Hij oneindig liefheeft. Het is Gods manier om in die wereld heilzaam in te grijpen en haar terug recht te helpen waar ze in wanorde is geraakt. Het is Zijn manier om onze last te dragen en zich met ons te vereenzelvigen.
Hierbij spookt door mijn hoofd, wat de consequenties van Gods programma voor dat helen van deze wereld voor ieder van ons heeft – en hoe wij mensen met de lasten van ons verleden, zowel ons persoonlijk verleden als dat van onze volkeren en naties omgaan. Ook hoe wij met onze Kerk en met de problemen uit haar verleden omgaan. Wat ik daarmee bedoel? Hoe dikwijls hoor ik van mensen van mijn generatie, of ook van diegenen die nog later geboren zijn, dat het nu toch eindelijk eens moet gedaan zijn met die steeds weerkerende verhalen over de oorlog en over wat er toen allemaal aan heldendaden en aan verschrikkelijke dingen is gebeurd. Je krijgt dan opmerkingen zoals: „Wat gaat mij dat vandaag nog aan? Daar heb ik toch helemaal niets mee vandoen. Laat me toch met rust. Daar moeten wij toch niet meer mee belast worden enz… Maar is het werkelijk onrechtvaardig om daaraan te herinneren?
Gods gerechtigheid is heel anders: Hij legt onze last op zijn schouders. Hij wil te doen hebben met mensen die zich schuldig hebben gemaakt. Daarom moeten wij ons ook in de huid van de mensen van toen durven steken en mee verantwoordelijkheid opnemen. Wanneer we, op verschillende gebieden, het goede uit de erfenis van onze voorouders zo graag aannemen, is het dan ook niet meer dan rechtvaardig dat we ook hun last mee dragen?
Spijtig genoeg is de overheersende tendens in onze tijd dat ieder zich op zichzelf en op zijn eigen problemen terugtrekt. Steeds minder mensen zijn in staat om zich in anderen in te leven. In vaktaal noemt men dat desolidarisering. Er wordt dan, wanneer er iemand in de weg loopt, of de eigen carrière stoort, zeer snel overgegaan tot geweld. Nemen we gewoon even het voorbeeld van de sociale politiek: Hoe snel wordt die, zeker in financieel magere tijden, tot een overbodige luxe verklaard. In Griekenland en Spanje kunnen ze daar een lied van zingen. En solidariteit, bv in de zieken- of de ouderenzorg, die mag er ook in de rijkere landen niet toe leiden dat iedereen er uiteindelijk op staat dat hij alles, of zelfs meer, terugkrijgt dan wat hij ooit heeft bijgedragen.
Begrijp me nu niet verkeerd. Er zijn ook veel goede voorbeelden van solidariteit in onze dagen. Ik denk daarbij aan wat werd opgehaald tijdens de warme week op de radio, aan de vele acties voor goede doelen gedurende het jaar, aan de vele vrijwilligers die hulp verlenen aan de vluchtelingen en in de asielcentra. Ik denk ook aan de dagelijkse, meestal stille en discrete inzet van zo veel mensen voor zieke, oudere of gehandicapte medebewoners.
Maar ik denk ook aan zo menig gesprek met mensen die de Kerk de rug hebben toegedraaid. Goede, maar wel droevig stemmende gesprekken. Vooral wanneer je moet horen: Met die kerk, waarin zo veel rottigheid naar boven komt, wil ik niets meer te maken hebben. In de weken voor Kerstmis heb ik enkele mensen gesproken die, omwille van gebeurtenissen uit het verleden, juist zo hebben gesproken. Het waren trouwens geen mensen die ver van de kerk afstonden, maar die er altijd dicht mee verbonden zijn geweest. Maar, zeker in dit jaar van de barmhartigheid, mag toch van de vertegenwoordigers van onze kerk worden verwacht dat ze mensen die het moeilijk hebben, zij het in hun relatie, zij het met hun geaardheid, ook barmhartig bijstaan en aanhoren en niet botweg wegsturen. Ook zij die niet binnen de lijntjes van de kerk lopen zijn kinderen van die ene God, die ook hen oneindig liefdevol in de arm wil nemen. Maar ik wil toch ook benadrukken: Tot deze kerk behoren wil ook zeggen dat ook wij moeten kunnen omgaan met de zwakte van haar mensen, ook met de ambtsdragers. Wij mogen de problemen niet negeren en er ons ook niet zwijgend van afkeren. Wij moeten de dingen die verkeerd lopen bij hun naam durven noemen en ons er ook telkens weer voor inzetten dat ze veranderd worden. Bij de kerk horen betekent ook dat we moeten kunnen voelen, ook al is dat soms moeilijk, dat we door God en door het kerkvolk worden gedragen. Ik zou van Gods programma maar zeer weinig begrepen hebben wanneer ik alleen maar tot de kerk zou willen behoren wanneer ik er in de spreekwoordelijke zin “prat op kan gaan.” Net zoals toen bij de Jordaan, staan in de kerk van Jezus ook nu nog de kleine en de grote zondaars in dezelfde rij om het doopsel van berouw en boete, van vergeving en verlossing te mogen ontvangen. En Jezus staat midden tussen hen in, want Hij voelt zich ook met hen verbonden.
Het feest van Jezus’ doopsel is een echt feest in de zin van kerstmis. Het maakt ons duidelijk wat die menswording van God uiteindelijk betekent: “God leeft zich in ons, mensen, in. Hij wil ons bijstaan, onze last mee helpen dragen. Hij zegt tegen ons, tegen U en tegen mij: “Jij bent mijn geliefde dochter, mijn geliefde zoon.” Dat is Gods programma voor de redding van de wereld en voor een leven in overvloed voor ons allemaal. Amen.