Dit evangelie over de doop van Jezus kan ons een dieper inzicht geven over ons eigen doopsel en het doopsel van de kinderen.
Waarom liet Jezus zich dopen? Bij zijn doopsel heeft Jezus bewust zijn zending aanvaard, Hij heeft vrijwillig gekozen om een dienaar te zijn van alle mensen die in nood verkeren. Hij wilde een kleine man zijn om solidair te kunnen zijn met de mensen. Daarom heeft God zijn Geest mateloos over Jezus uitgestort, zodat Hij de welbeminde Zoon was van zijn Vader.
In dat doopsel van Jezus hebben wij allen mogen delen zodat wij de weg van Jezus mogen gaan en, vervuld van de goede Geest van Jezus, zijn zending mogen voortzetten in deze wereld.
Waarom laten wij onze kinderen dopen? Zo vanzelfsprekend is dat tegenwoordig niet meer. Vaak laten de ouders hun kind dopen om het alles te geven wat het later misschien nodig heeft. Ze voegen er direct aan toe: dan kan het later, als het groot is, zelf doen wat het wil. Ouders stellen zich zelfs de vraag: mogen wij het wel in de godsdienst opvoeden? Ouders, die hun geloof erkennen als een grote rijkdom, zijn zich er goed van bewust dat ze deze gave verder moeten geven aan hun kinderen. Men zegt toch ook niet: wacht maar om kinderen te leren spreken totdat ze twintig jaar zijn, dan kunnen zij zelf kiezen welke taal ze spreken willen. Het is voor de ouders niet voldoende het doopsel ‘toe te dienen’, zoals men vitaminen toedient; zij beloven dat ze hun kinderen zullen leren leven als gedoopte en dat is een opgave voor het hele leven.
Bij elke doop weerklinkt het woord: dit is Mijn kind, mijn veelgeliefde. Zeker, elk kind is door God geliefd als het werk van zijn handen, of het nu gedoopt is of niet. Door het doopsel geven de ouders in naam van het kind het jawoord op het eeuwige leven dat God aan dit kind wil meedelen. Een kind wordt in het doopsel totaal opgenomen in de. goede Geest van Jezus. Daarom wordt een mens maar één keer gedoopt, gedoopt is gedoopt; die Geest van Jezus blijft als een onuitwisbaar merkteken in elke gedoopte.
Bij zijn doopsel trad Jezus binnen in het nieuwe godsvolk, zo wordt ook elke gedoopte opgenomen in een parochiegemeenschap. Daarom is het ook wenselijk dat het doopsel wordt toegediend in een viering, waar heel de parochiegemeenschap bij vertegenwoordigd en betrokken is. Bij een doopsel horen een peter en een meter. Deze gewoonte stamt uit de tijd van de christenvervolging, toen beide ouders voor hun geloof konden sterven. De ouders zochten daarom diepgelovige mensen die borg wilden staan voor het geloof van hun petekind.
In de eerste christenheid werden alleen volwassenen gedoopt. Toch kan men die zestien eeuwen lange traditie om kinderen te laten dopen, niet in twijfel trekken. Gelovige ouders verlangen naar de doop van hun kind en zij willen graag zelf borg staan voor een opvoeding waardoor het kind later zelf het doopsel kan beamen. Een kind zo vlug mogelijk laten dopen wil zeggen, zodra de moeder zelf bij het doopsel aanwezig kan zijn.
De goede gewoonte om het kind een christelijke naam te geven heeft nog zin. Een naam geven in christelijke zin is een wens uitspreken. Daarom wordt de naam van een heilige gekozen onder wiens beschermende voorspraak men het kind wil plaatsen. Mochten wij meer en beter de grote gave van ons doopsel begrijpen en haar zien als onze grootste opgave.