* Het feest van de Openbaring omvat drie bijzondere momenten uit Jezus’ leven. De openbaring aan de wijzen, het doopsel van Jezus in de Jordaan, en het wijnwonder te Kana. Een mooie drieluik. Vandaag staan we even stil bij het middelste paneel: de doop van de Heer, die doorheen de eeuwen in de beeldende kunst voor ontelbare artiesten een zeer geliefd thema is geworden.
* Lucas vermeldt dat allen, dus iedereen zich liet dopen. Jezus die zelf zonder zonde is maakt voor zichzelf geen uitzondering. Hij schuift onopvallend aan in een stoet van boetelingen. Hij duikt onder bij de menigte zondaars als om in hun lot te delen. Dat is de logica van zijn menswording.
1. Lucas vertelt ons dat Jezus toen bad.
-
Jezus’ doopsel wordt door de vier evangelisten vermeld. Doch alleen Lucas heeft er aandacht voor dat Jezus, zodra Hij uit de wateren opgestegen was, aan het bidden ging. Jezus’ eerste publieke daad is te bidden. Het gebed lijkt zijn eerste bezigheid. Lucas vermeldt graag dat Jezus bad. Opvallend is dat Jezus altijd alleen bad. De relatie met zijn Vader was enig. Maar ook zijn levenskijk oversteeg alle korte-termijn-verlangens van mensen. Bij Lucas lezen we dat Hij bad toen een grote massa voor genezing op Hem afkwam (5,16), alvorens Hij zijn apostelen riep (6,12), voor zijn eerste lijdensvoorspelling en bij zijn transfiguratie op de berg (9,18.29), voordat Hij zijn leerlingen leerde bidden (11,1), in de olijfhof en op het kruis (22,41; 23.34.46)… Het gebed was zijn specialiteit. Het was onafgebroken (18,1). Het ontsprong aan zijn geheime eenheid met de Vader. Daarom blijft de diepe binnenkant van zijn gebed ondoordringbaar voor ons. Wie het echte gebed van iemand kent, kent de persoon die hij is. Daarmee oversteeg Jezus niet alleen het gebedsritme, maar ook de gebedsinhoud van de schriftgeleerden. Maar zijn gebed werd uiterst intens op de beslissende momenten van zijn leven met het oog op zijn zending naar de wereld toe.
-
Het is nu juist bij het einde van de grote boeteceremonie van Johannes de Doper dat Jezus zo intens gaat bidden. In alle religies is gebed heel vaak verbonden met zondebewustzijn. Bij Jezus ontdekken we geen spoor van persoonlijk schuldbesef. Hij was inderdaad zonder zonde: “In alles was Hij aan ons gelijk behalve in de zonde” (Hebr 4,15). Dat is voor psychologen een onopgelost raadsel. Wel ervaren we bij Hem die solidariteit met de zondige mensen. Hij steekt zichzelf in hun huid. Hij duikt onder in hun zonden. Nooit horen we Hem zeggen: “Vader, vergeef me Mijn schuld”. Wel: “Vader, vergeef het hun…” (Lc 23, 34). In het Onzevader leert Hij zijn leerlingen: “Vergeef ons onze schulden…”. Hij staat aan de zijde van degene die vergiffenis schenkt en niet aan de kant van wie voor zichzelf om vergiffenis vraagt. Zijn bewustzijn is dat van de liefdevolle zorg voor de zondaar en voor wie kwetsbaar is voor de zonde. In zijn hoogpriesterlijk gebed zal Hij later bidden: “Vader, Ik bid dat Gij hen voor het kwaad bewaart… Heilig hen in waarheid” (Joh 17,15.17).
2. Tijdens Jezus’ gebed trekt plots de hemel open.
-
Bidden is ruimte maken voor de Geest. Het eerste goed dat wij aan God mogen vragen is de gave van zijn Geest (Lc 11,13). Dan weten we waarop we onze verlangens moeten richten. De hemel is niet meer gesloten. God communiceert met de wereld. Een nieuw begin is aan de geschiedenis gegeven. De heilige Geest daalt over de biddende Jezus neer “als een duif”. Het is alsof dezelfde Geest die bij het begin van de schepping boven de oerwateren zweefde en nadien steeds maar voorlopig bij profeten om rust zocht, nu in Jezus tot ware bevrediging is gekomen. Die symboliek doet denken aan de duif die Noach uitzond en die een nieuwe wereld aankondigde (Gen 8,8). Die Geest komt met een programma. Met heel zijn wezen plonst Jezus in zijn zending: “Zie, Ik kom om uw Wil te volbrengen” (Hebr 10,7). Die Geest gaat Jezus eerst drijven naar de louterende woestijn. Daarna zal Jezus in de synagoge van Nazaret meedelen: “De Geest des Heren over Mij… Hij heeft Mij gezonden…om een genadejaar af te kondigen” (Lc 4,18). De nieuwe heilstijd breekt aan. In die kracht begint Jezus zijn zending; “De Mensenzoon is gekomen… om te redden wat verloren was” (Lc 19,10). Hij is “het Lam dat de zonde van de wereld wegneemt” (Joh 1,29). Die Geest zal Jezus niet reserveren voor zichzelf; “Ontvang de Heilige Geest, wier zonden gij vergeeft, hun zijn ze vergeven” (Joh 20,22). De Geest zal de Kerk bezielen doorheen de tijden.
-
Tegelijk weergalmt een stem: “Gij zijt mijn Zoon, de welbeminde. In U heb Ik welbehagen” (naar Ps 2,7; Jes 42,1). Die stem klinkt opnieuw bij Jezus’ gedaanteverandering (Lc 9,35) en komt in het Nieuwe Testament nog terug. Die stem bekrachtigt Jezus’ identiteit als unieke Zoon van God in de openbaring van de Heilige Drie-eenheid, en stelt Hem aan als de ware Messias. De wateren van de Jordaan hebben Jezus niet geheiligd, maar Jezus in wie heel de godheid aanwezig is, heeft door zijn afdaling in de Jordaan het water geheiligd. Het doopsel van Johannes is tot een nieuw doopsel uitgegroeid. In de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest zal het nieuwe en definitieve doopsel de zonde in de wereld uitwissen en het ware leven brengen. In dat doopsel heeft Gods Geest ook in ons zijn dynamische rust gevonden en zijn wij als christen herboren.