Wie ben jij, wie zijn wij? (2004)

C-cyclus · Kersttijd · Doopsel van christus · wit

Wie ben jij? Wie ben ikzelf? Een levensvraag. Met wat er aan de buitenkant van je te zien is, is kennelijk nog lang niet alles gezegd, en zeker niet het belangrijkste. Straks gaan we twee kindertjes dopen. Die kinderen staan nog helemaal aan het begin. Ze moeten nog helemaal worden wie en wat ze zijn. Maar: wie zíjn ze, eigenlijk? Dat vragen wíj ons hier af, als het ware plaatsvervangend voor hen. Wie zíjn jullie? Een groot geheim. Wat zal en kan er nog allemaal niet aan het licht komen? Door te dopen, zijn we daarmee bezig, met die vraag: wie bén jij nu eigenlijk, wie zijn wíj?
De meesten van ons hier zijn gedoopt, ooit, als kind, meestal een paar dagen na de geboorte. Dat was toen heel vanzelfsprekend, het hoorde er gewoon bij, daar werd verder niet of nauwelijks over nagedacht. Voor sommigen is dat nog steeds zo, je laat je kind dopen, dat hoort erbij. Maar over het algemeen is die vanzelfsprekendheid voorbij. Dopen is veel meer een bewuste keuze geworden. Mensen kiezen er nu heel bewust voor om hun kind te laten dopen, of ze kiezen er heel bewust voor om dat juist níet te doen, ‘hij/zij moet later maar zelf kiezen wat of wie hij/zij zijn wil’ zeggen ze dan. En er zijn een heleboel mensen voor wie dopen helemaal uit het zicht verdwenen is. Er wordt dus heel gevarieerd over dopen gedacht. Bij een feest als dat van vandaag, de herdenking van de doop van Jezus, is het goed daar eens bij stil te staan, bij dopen.
We hoorden over Johannes de Doper; die staat bij de Jordaan, op de grens tussen de woestijn en het beloofde land, precies op de plaats waar het Joodse volk na het vertrek uit Egypte en de woestijntocht de Jordaan was doorgetrokken om het land van belofte binnen te gaan, ooit. Daar staat hij te preken: ‘wil je ook nú echt tot leven komen, dan zul je ook nú de woestijn achter je moeten laten en een nieuw land binnen moeten gaan, dan zul je ánders moeten gaan leven, dan zul je steeds opníeuw moeten beginnen met leven alsof je nét geboren bent, dan zul je je leven moeten hervormen en helemaal moeten gaan leven uit en volgens het woord van Gód.’ Drommen mensen kwamen op hem af, mensen die hun leven wilden veranderen, mensen die opnieuw wilden beginnen, mensen die van een oude schuld wilden worden verlost, mensen die verlangden naar een andere wereld, naar een wereld waarin ze eindelijk en voluit konden zijn zoals ze bedoeld waren, mensen op zoek naar hun ware zelf. Díe mensen lieten zich dopen. Ze deden als het ware de intocht in het beloofde land van lang geleden over, maar nu zélf. Hun doop was daar het teken van. En Jezus? Hij was ook Zelf bezig met die levensvraag: wie ben ik, eigenlijk? Wie Hij, in de ogen van de mensen, was, het was Hem kennelijk niet genoeg. Hij wist dat Hij nog meer was, nog iets anders. Maar wat en wie dan? Hij voelt zich één van die velen die daarmee bezig zijn, en ook Hij gaat in de rij staan en zegt: ‘Doop Mij, want ook Ík wil iets nieuw beginnen, ook Ík wil die weg gaan naar het land van beloften, ook Ík kies voor een leven volgens Gods eigen woord.’ Hij laat zich dopen, en uit de hemel hoort Hij een stem die zegt: “Jij, Jij bent mijn zoon, Jij bent een mens helemaal naar mijn hart.” ‘Wie ben Ik?’, had Hij zich afgevraagd. Nu weet Hij: ‘Ik ben wat en wie Ik voor God ben.’
Gedoopt willen worden is er het teken van dat je wilt leven als een mens naar Gods hart en de toegangsweg naar het beloofde land wilt inslaan. Het houdt dus in dat je hunkert naar verandering, in jezelf en in de wereld om je heen: deze wereld moet worden omgekeerd, tot een land van belofte, en ik wil daarvoor leven, voor dat beloofde land: ieder mens tot zijn recht gekomen, geen hoog en laag meer, oog voor wie klein is, arm, bedreigd, geen mens meer op een doodlopende weg, ik wil samen met de anderen op weg naar dat land, ik wil vol zijn van God, van Diens Geest, van vuur.
Wij zijn ooit gedoopt, door mensen die ook zelf weer gedoopt waren, ooit. We staan in een lange rij, die rij reikt verder en verder terug in de tijd, tot bij Jezus zelf en diens doop, bij de Jordaan. Wie zijn kind dopen laat, brengt het tot aan de grens van het beloofde land, om het daar op de weg naar het ware leven te zetten. Dopen is niet meer en niets minder dan een teken, een symbool. Het is verder aan ieder mens om dat land ook binnen te gaan, zelf.
Als je je kind laat dopen, gaat het dus daarover, over iets dat veel en veel verder reikt dan een gewoonte, dan het geven van een naam alleen en het feest daaromheen. Je hebt een kind gekregen, je hebt het ‘op de wereld gezet’, zeker; maar welke richting wijs je het aan? Wil je het echt zetten op die oude maar altijd nieuwe weg van het Joodse volk ooit en van Jezus, de weg naar het land van beloften? Door het te laten dopen, zeg je tegen je kind wie het écht is, in principe, opdat het dat later zélf kan ontdekken.
Daarom: als je je kind laat dopen, laat je je in zekere zin ook zélf opnieuw dopen. Kinderen weten nog van niks, ze moeten nog alles van ons, grote mensen, leren. Je laat je kind dopen, maar door dat te doen word je ook zélf gedoopt, voor en namens je kínd. Je neemt een verplichting op je, de verplichting om zélf op weg te gaan naar het land naar Gods hart, om zelf daar binnen te gaan, en om je kind met je mee te nemen. En dan niet alleen je eigen kind, maar alle kinderen die worden en zijn gedoopt, alle mensenkinderen die worden en zijn gedoopt. Dopen is zeggen: ik wil dat jij en jij en jij een mens wordt, helemaal naar Gods hart en Gods bedoeling, en daar wil ik met mijn leven voor instaan.
Mogen wij zo met elkaar op weg gaan naar het beloofde land. Amen.

Zoeken in Preken Online