Evangelieprikje (2007)

C-cyclus · Tijd door het jaar · Triniteit · wit

" Als ik God was …" : ooit een meezinger. Maar hebben wij ons ooit al eens afgevraagd wat er zou gebeuren als wij God zijn? Als wij daar zonder nadenken zouden op antwoorden, dan zouden we waarschijnlijk zeggen dat we al het lijden en de pijn uit het leven zouden bannen; zonder te beseffen dat we daardoor de menselijke vrijheid ook voor een stuk liquideren. We zouden er voor zorgen dat het goede mensen goed gaat en dat mensen die zich niet aan de regels houden, zouden gestraft worden. Deze moraal sluit zeer nauw aan bij ons rechtvaardigheidsgevoel. We zouden bestrijders van het geloof neerbliksemen, of misschien iets zachter, maar toch… We zouden … maar gelukkig zijn we God niet. De Kerk blijft altijd maar herhalen dat God de gans Andere is en dat is waar ook. De bijbelse God schenkt ons ongelooflijk veel kansen, altijd opnieuw … Deze bijbelse God, die zich - zo geloven wij christenen toch - volledig geopenbaard heeft in Jezus Christus, ‘vraagt het aan met de mens’ ook al heeft Hij die niet nodig. Waarom vertel ik dat allemaal? Gewoon, om ons te doen beseffen hoe belangrijk het is dat God zich geopenbaard heeft aan ons door Jezus Christus. Was dat niet gebeurd, dan hadden we onze eigen God geschapen. De openbaring die de bijbel ons brengt, steekt daar een stokje voor: deze God is anders. En zo zien we in dat boek hoe het denken over God evolueert tot op het moment dat Jezus zelf als ultieme openbaring op de proppen komt. De scheppende en mythische God die strijd voert maakt stilaan plaats voor een andere Godsbeleving: de “Abba-relatie”. “Abba” is het woordje dat in (vrome) joodse gezinnen gebruikt wordt door kleine kinderen om hun vader mee aan te spreken. Alhoewel het woord “Abba” vaak vertaald wordt als “Vader” zou het tedere “papaatje” hier meer op zijn plaats zijn. Maar het is ook het woord dat binnen de familieclan gebruikt wordt om de “oudste stamvader” mee aan te spreken. Hier speelt niet meer zozeer het tedere, maar wel het respectvolle. Zijn dan meteen ook niet de twee woorden die - onvolledig weliswaar - de relatie tussen Jezus en Jahwe samenvatten: teder en respectvol.

Zoals menig jongetje of meisje te horen krijgt dat ze typisch hun mama of papa zijn, zo hebben de apostelen en veel andere getuigen bij Jezus woorden en daden gedacht: zo moet God zijn. Als zij dreigden te vergeten hoe menslievend, hoe vergevingsgezind, hoe liefdevol, … hoe anders God was, dan moesten ze maar kijken en luisteren hoe Jezus omging met de mensen. Niet met een oordeel of veroordeling maar met liefde en vertrouwen ging Jezus elke mens, ook de grootste zondaar, tegemoet. Het evangelie verhaalt ons meerdere malen hoe krachtig dit vertrouwen kan zijn, maar het doet ons ook aanvoelen dat niet iedereen blij is met deze manier van doen. Jezus zal dus maar al te goed beseft hebben dat Hij geen lang leven beschoren was. Met het evangelie van vandaag zitten we dan ook midden Zijn afscheidsrede die als perikope-opschrift meekreeg: de taak van de Geest. De leerlingen zijn jarenlang bevoorrechte getuigen geweest van het anders-zijn van God door te kijken en te luisteren naar Jezus. Maar wat zal er gebeuren als Jezus er niet meer is? Zal die nieuwe godsbeleving, die vertrekt vanuit een fundamenteel godsvertrouwen, ophouden te bestaan zoals het gebeurt met veel verenigingen waar de stichter van sterft? Neen, Jezus laat Zijn leerlingen niet verweesd achter: hij zal Zijn Geest sturen die Zijn volgelingen moet leiden. Die Geest zal de volgelingen die voor Hem openstaan een taal geven om, aangepast aan de omstandigheden van cultuur en tijd, te getuigen van Gods menslievendheid zoals ze ons is voorgeleefd in Jezus Christus. Want die boodschap moet altijd hertaald worden. Zonder die Geest zouden we al vlug vervallen in een “man-made God”. Deze Geest zal ons niet alleen een taal geven om te getuigen, Hij zal ons ook leren de gebeurtenissen te lezen, ze een juiste plaats te geven in het grote verhaal van God en mensen. Hij zal ons nieuwe adem inblazen als het tegenzit, als ons geloven belachelijk wordt gemaakt, als we vervolgd worden …

Geloven voor een christen is dus eigenlijk heel eenvoudig: het is geloven dat God zelf als eerste in ons gelooft. Zijn Zoon heeft ons die Blijde Boodschap gebracht. In Zijn Geest mogen we dit Blijde Nieuws blijven verkondigen. Zo eenvoudig als het is, zo moeilijk is het om in praktijk te brengen. Want diegene die het in praktijk moet brengen zijn mensen, u en ik, met ongelooflijk veel talenten maar ook met fouten en gebreken. Daarom is een hechte gemeenschap voor christenen zo belangrijk om te kunnen getuigen. Geen gemeenschap die mensen kleineert met allerlei regels, maar een gemeenschap die elkaar ondersteunt in het goed zijn voor elkaar. Als een groepje mensen dat eens zou proberen, welke uitstraling zou dat niet hebben? Kijk naar de voorbeelden van de St-Egidiusgemeenschap wereldwijd, de St.-Michielsbeweging in Kortrijk, … Voorwaarde is dat je je laat inspireren door die Geest die je toont hoe je ook anders mens kan zijn, nl. mens voor de mensen, herder als God zoals een prachtig lied ons zegt.

En dan kan je natuurlijk op een zondag als deze theologische praat bovenhalen die probeert het mysterie van de Drie-Ene God te begrijpen, maar je weet al op voorhand dat je probeert iets uit te leggen wat niet uit te leggen is, ook al is het maar het gevolg van menselijk denken als antwoord op misgroeiingen in die tijd. Het dogma van de Drie-Ene God zal ons leven niet veel veranderen, ons geloof kan dat wel. Waar wachten we nog op?

God,
het dogma van de drievuldigheid: ik snap er niet veel van.
Ik zie alleen dat ik als zoon op mijn vader lijk
en dat de geest die ik van thuis meegekregen heb ook voelbaar is in mijn huis.
Mag ik het zo simpel houden en U danken omdat Gij een God van mensen zijt,
een Vader die we duidelijk herkennen in het spreken en doen van zoon Jezus
en die onder ons blijft door Zijn heilige Geest.

Zoeken in Preken Online