Sacramentsdag zet de kroon op Gods werk. Pasen en Hemelvaart en Pinksteren bereiden Sacramentsdag voor. Dat Jezus’ leven een zegen geweest is, leren we op Sacramentsdag. Wie leeft van de heilige Eucharistie, leeft van de zegen die Jezus’ leven was en is.
Hij moet eerst leren wat een zegen is. Als het een mens goed gaat, vindt hij dat normaal. Hij geniet van zijn geluk en denkt er niet aan dat het hem gegeven is. De gezonden zijn gerust in de dokter. Ze weten hem niet wonen. Het is als ze ziek zijn dat ze hem zoeken. Ze moeten hem onmiddellijk hebben. Hij moet dadelijk beschikbaar zijn. Als het nadien weer goed gaat, hebben ze hem weer vanzelfsprekend vergeten. En wel te verstaan, het mag niets kosten. De gezondheid is een recht.
Jezus spreekt nooit van rechten, Hij spreekt van liefde, Hij handelt in liefde. “Wie genezing nodig hadden genas Hij”, schrijft Lucas voor deze zondag. Jezus was een zegen voor al wie Hem ontmoette, Hij is een zegen voor al wie Hem nu ontmoet. Wie alleen kan denken in termen van recht, zal Hem nooit ontmoeten. Hij zal trouwens nooit niemand ontmoeten. Hij zal ten onder gaan, alleen, met zijn pakje rechten in zijn hand.
Het komt er niet op aan, hoeveel van zijn rechten hij zal verworven hebben. Het is ook van geen belang hoeveel van zijn plichten hij zal vervuld hebben. Van belang is of hij zal ontdekt hebben dat zijn leven zegen was en niets anders als liefde kon zijn, indien het zin had. Rechten en plichten hebben alleen zin om plaats te ruimen voor de liefde, want de liefde is de zin van het leven.
Jezus’ leven was liefde en zegen. Hij heeft Zich uit liefde gegeven, Hij is verrezen en naar de Vader gegaan, om ons de Geest te zenden, om ons te leren als kinderen aan eenzelfde tafel te eten, in liefde en onder de zegen van de éne Vader. Zo bereiden Pasen en Hemelvaart en Pinksteren voor op Sacramentsdag, en dit feest van de tafel des Heren bereidt het hemelse feest voor.
Voor wie op rechten en plichten staat zonder eerst in liefde te leven, is er geen hemel, want de hemel is alleen liefde. Wie op aarde liefheeft, komt zijn plichten na en strijdt voor de rechten van zijn broeders. Hij werkt aan een hemel op aarde. Hij schept ruimte voor de “Allerhoogste God”, en schenkt “brood en wijn”, voedsel en drank, zegen, in de Naam van Hem “die de hemel en de aarde gemaakt heeft”. zoals Melchisedek aan Abram schonk, zoals een moeder aan haar kind schenkt, zoals een man aan zijn vrouw schenkt, zoals God aan Melchisedek had geschonken, zoals Hij later door Abraham aan zijn volk schonk, zoals Jezus door de leerlingen aan de menigte schonk, bij de vermenigvuldiging der broden en later en nu in het heilig Sacrament, aan allen die op zijn uitnodiging ingaan. Nergens is hier eerst sprake van rechten en plichten. Hij is telkens eerst liefde, tussen man en vrouw, tussen moeder en kind, tussen God en zijn volk, tussen de koning van Salem en Abram, tussen Jezus, de Apostelen en de menigte.
Er bestaat geen andere sluitende logica tussen de mensen, die beeld zijn van God en tussen God en de mensen, dan die van de liefde. De logica van rechten en plichten gaat op die van de liefde terug en volgt eruit. Alle banden op aarde en de band tussen hemel en aarde zijn heilig Sacrament. Geen brood wordt gebroken en uitgedeeld, geen beker wordt gedronken, die geen teken is van het Brood en de Wijn, het Vlees en het Bloed van de Christus, die hemel en aarde in liefde verbonden heeft. Elk tafelwoord over rechten en plichten moet eindigen met een dronk op de Liefde. Want “de liefde vergaat nimmer”.