Homilie op de 33e zondag C: “God heeft het laatste woord” (Lc. 21, 5-19)
Tielt, 17 november 2013
Onheilsprofeten en doemdenkers zijn er altijd geweest.
Meer dan 50 jaar geleden verscheen in een weekblad een niet gedateerde tekst, waarvan alle lezers zegden: “Dat is een perfecte beschrijving van de slechte tijd waarin we thans leven.” Het was een tekst geschreven in het begin van het Egyptische schrift, dus ongeveer 4.000 jaar geleden.
In de klaagliederen over de slechte tijd van heden moet vooral de jeugd het ontgelden. Alle eeuwen door hebben mensen gesproken over de “slechte jeugd van heden”. Platoon, een Griekse filosoof uit de 4e eeuw voor Christus, zei toen reeds: “Van alle wilde dieren is een jongen het meest onhandelbaar.” In een levensbeschrijving van Luther staat te lezen: “Op 20 februari 1538 spraken Luther en zijn vriend Melanchton over de verregaande tuchteloosheid van de opgroeiende jeugd, waarop noch de wet, noch de godsdienst, noch het gezag van de ouders en leraars enige invloed hebben en die zich dagelijks meer en meer laat gaan.” Jongeren opvoeden lijkt ook altijd een probleem geweest te zijn. In de 17e eeuw schreef de Engelse schrijver John Wilmot: “Voor ik trouwde had ik 6 theorieën over het opvoeden van kinderen. Nu heb ik 6 kinderen en geen theorieën meer.” In zijn gekend gedicht “De Nozem”, bijna 50 jaar geleden geschreven, legt de dichter Gaston Durnez die losbollige jongen volgende verzen in de mond:
“We zijn de jongens van de straat
Waarnaar ge droef te kijken staat
Waarvoor ge ’t hoofd zo schudt en zegt
De jeugd van heden is toch slecht
Maar hebt gij ook al eens bedacht
Wat gij ons te bekijken bracht?”
Inderdaad, het schouwspel dat de volwassenen aan de jeugd thans bieden, is weinig inspirerend. De volwassenen zeggen het zelf: “Het gaat slecht in de wereld. Alles is verpest: de grond, de lucht, het water zowel in de Noordzee als in de Poekebeek, de politiek, de justitie, de banksector… En ook de meeste mensen zijn verpest.”
Indien de paters die tot 50 jaar geleden de missie- of zendingssermoenen hielden in onze kerken, thans zouden terugkeren, zouden ze hun donderpreken niet meer moeten voorbereiden. Ze zouden gewoon de krant voorlezen en zeggen: “Zien jullie niet dat dit het einde van de wereld is!” Je kunt thans de tekst uit het Lucasevangelie, die we vandaag beluisterd hebben, perfect toepassen op onze tijd. Daar heeft Jezus het over oorlogen en onlusten, strijd van volk tegen volk, hevige aardbevingen, hongersnood en pest, gevangenschap en vervolgingen. Zie je wel, zeggen velen, het komt allemaal uit. Het einde van de wereld is in zicht." Sommige sekten kennen zelfs dag en uur en komen dat aan je deur vertellen. Hoewel ze zich al ettelijke keren vergist hebben en bestendig hun kalender moeten veranderen, slaat hun boodschap bij sommigen toch aan. En hoe meer rampen in de wereld, hoe meer leden in de sekten!
Wie Jezus’ woorden uit de evangelielezing van vandaag zo begrijpt, vergist zich schromelijk. Dat stukje evangelie is in apocalyptische taal geschreven. Het is geen beschrijving van wat er allemaal gaat gebeuren als het einde van de wereld aanbreekt en zeker geen voorspelling van de datum ervan, maar een oproep tot geloof. Jezus’ bedoeling is duidelijk. Hij wil ons geen angst aanjagen zoals de donderpredikanten of de sekten, maar enkel zeggen: “Crisis en oorlog, werkloosheid en corruptie, daar moeten we doorheen! Totdat de dag van het heil is aangebroken, moeten we met heel veel onheil en pijn leren leven. Misschien lig je wel wakker van zoveel ellende in de wereld, maar laat je niet verlammen door de klaagzangen over de slechte tijd, waaraan elk jaar een couplet wordt toegevoegd. Begin liever zelf, op de plaats waar je leeft, te bouwen aan een betere wereld. Het komt erop aan, ondanks de mislukkingen, ontgoochelingen en tegenkantingen van elke dag, standvastig op te komen voor een leven in de geest van het evangelie en trouw je geloof te beleven. Die trouw komt ’s avonds niet in het T.V.-journaal, maar van deze bescheiden trouw wordt de wereld beter.”
We hoeven daarbij niet bang te zijn. De geschiedenis leert ons dat ook het kwaad vergankelijk is. Ongeveer 40 jaar geleden vroeg men aan Parijse jongeren wie Hitler was. Het antwoord was verrassend: “Hitler? Je ne connais pas! (Hitler, die ken ik niet!)” Hij was nochtans pas 25 jaar dood. Hetzelfde antwoord zou je thans van jongeren krijgen op de vraag wie Stalin was.
Daarbij mogen we geloven dat God borg staat voor ons uiteindelijk geluk en dat het kwaad nooit het laatste woord heeft. Wat Jezus in het evangelie van vandaag, in die vreemde apocalyptische taal zegt, is geen draaiboek voor een rampenfilm. Het zijn veeleer bemoedigende woorden voor wie gelooft dat God alles ten goede keert.
“Spera, spira”: blijf hopen, blijf ademen, kom op voor al wat goed is en weet dat God het laatste woord heeft. Geloof, ondanks alle verontrustende gebeurtenissen in de Kerk en in onze tijd, wat de negers in al hun ellende en verdrukking zo ontroerend mooi zongen in hun negro-spirituals: “We are walking in the light of God (We wandelen in Gods licht)”.
Gabriël Buyse, pastoor-deken em.
Homilie op het Feest van Christus Koning: Protocol of Macht?
Tielt, 24 november 2013
In de laatste jaren lezen we in de krant dat sommige politieke partijen in ons land de rol van de koning willen beperken tot een louter protocollaire functie. Hij mag best staatshoofden en delegaties op het paleis ontvangen, een buitenlandse missie leiden, aan verdienstelijke mensen een adellijke titel toekennen of prijzen en eretekens uitreiken. En de koningin of een prinses mag met de nodige charmes een huis voor weeskinderen of gehandicapten bezoeken of de Koningin-Elisabethwedstrijd opluisteren door haar aanwezigheid. Er is zelfs niets tegen dat de geboorte van een prinsesje of prinsje tedere emoties losweekt bij de bevolking en dat mensen de prinselijke moeder met stapels bloemen verwennen. Dat alles mag op voorwaarde dat de koning of het koningshuis zich niet moeit met de Belgische politiek, kortom, op voorwaarde dat de koning niets te zeggen heeft.
Bij dat alles dacht ik aan het feest dat we vandaag vieren: het feest van Christus Koning. Is de rol die Jezus Christus in het leven van vele zogenaamde christenen ook niet herleid tot een protocollaire functie. Je mag erover praten als er iets te vieren of te beleven valt. Bij een geboorte is het best je kind te laten dopen, want een doopselfeest is ontroerend mooi. En waardoor kun je het feest van een eerste-communieviering vervangen? Ook dan kun je best met je kind over die Jezus praten of minstens luisteren naar die boeiende verhalen over Jezus die je kind op school geleerd heeft. Ook het feest van het H. Vormsel moet je meemaken. In die periode mag je Jezus’ Geest aan bod laten komen, niet zozeer omdat je gelooft in de Geest, maar vooral voor het feest, zelfs als je goed weet dat het een afscheidsfeest is van de Geest. Of toch misschien niet! Nog éénmaal voor je dood mag Jezus een rol spelen, namelijk als je trouwt. Een burgerlijk huwelijk is ook pover in vergelijking met het mooie ritueel van een kerkelijk huwelijk. Maar in de kerkelijke huwelijken, ook in de burgerlijke huwelijken, steekt nu reeds de mot. Ongeveer 20 jaar geleden waren er in de Sint-Pieterskerk in Tielt, een parochie van ongeveer 8500 inwoners, gemiddeld 50 kerkelijke huwelijken per jaar; in de laatste 5 jaar gemiddeld 8. Misschien mag er over die Jezus nog eens gepraat worden als je het geluk hebt dat je nabestaanden je na je overlijden kerkelijk laten begraven. Maar thans worden er 1 op 4 of 1 op 3 overledenen niet meer kerkelijk begraven.
Jezus Christus is in het leven van vele zogenaamde christenen nog goed voor het feest en het protocol.
Toen in het jaar 1925 door de toenmalige paus Pius XI het feest van Christus Koning werd ingesteld, was de bedoeling heel anders. Je kunt dat zien op sommige beelden uit die tijd: dikwijls een soort groot Mariabeeld met de kleine Jezus op haar armen met een gouden kroon of een kruisje op zijn hoofd. In zijn ene hand had hij een koninklijke scepter eveneens met een kruisje bovenop en op zijn andere hand droeg hij een bol met de werelddelen erop geschilderd. Boven op die wereldbol stond een kruisje. Het beeld van Christus, Koning van de hele wereld! Maar dan toch een heel bijzondere koning!
Geen koning in de zin dat Hij met de wereldbol gaat jongleren. Drie kruisjes stonden er op dat beeld. Eén stond op de scepter als teken dat zijn gezag niet voortkwam uit de macht van de onderdrukking. Eén op zijn kroon om aan te duiden dat zijn manier van regeren een dienend karakter heeft. En tenslotte één op de wereldbol om te laten zien dat Zijn Rijk een mentaliteit van breken en delen onderstelt.
Om tot die mentaliteit te komen moet er in het leven van elke christen nog zoveel veranderen. Want christenen spelen zo graag het spel van kruis-of-munt. Het probleem daarbij is dat de meeste christenen in theorie kiezen voor het kruis, maar in de praktijk voor de munt.
Die Koning, Jezus Christus, vraagt ons een radicale keuze te maken tussen God en de mammon, tussen de smalle en de brede weg: een duidelijke keuze, want de poort is smal. En dan heeft Jezus het niet over mensen die dik zijn, maar over mensen die zichzelf dik maken, over mensen die zichzelf opblazen, over mensen die zo graag hun eigen haan horen kraaien.
Zo gezien vraagt het feest van Christus Koning ons van onze zelfgemaakte tronen af te komen. Wie hoog te paard zit of over het paard getild is, moet naar beneden komen en zich aansluiten bij het gewone voetvolk. Wie prat gaat op zijn status, wie op zijn strepen staat en anderen ziet als onderdanen, moet zich bekeren en laten inspireren door de eenvoud van Jezus.
Wanneer wij voor Gods rechterstoel verschijnen, vraagt Hij ons niet naar onze carrière, eretitels of onderscheidingen. Hij vraagt ons naar onze inzet voor de anderen. Hij informeert naar onze vrijgevigheid, onze trouw aan elkaar, ons mededogen voor elkaar. Wie hier op aarde de deur van zijn huis en zijn hart openhield voor anderen, die ontvangt Christus Koning in zijn huis, waar vele laatsten eersten zullen zijn.
Dat is de koninklijke weg waarin Christus Koning ons is voorgegaan, omdat Hij een duidelijke keuze maakte tussen kruis en munt en geen compromissen heeft gesloten met krachten die het leven onderuit halen. Zo een koning is er niet voor het protocol, maar bepaalt onze manier van leven elke dag.
Gabriël Buyse, pastoor-deken em. Tielt