Een pijnlijk spektakel, daar op Golgotha.
Jezus wordt terechtgesteld, opgehangen tussen twee misdadigers. Hij vloekt niet, Hij weert zich niet. Hij bidt… “Vergeef het hen, want ze weten niet wat ze doen.”
Ze vermoordden de hoop van de wereld.
Ze vermoordden wie tallozen troost en vergeving en bevrijding en genezing bracht.
Hoe verdwaasd en verblind moeten mensen daarvoor niet zijn? Hoe klein en zwak en misleid door de kwade krachten van de macht, om zo iets te doen met zoveel overtuiging en beslistheid? Met zoveel ongevoeligheid ook.
En het volk?
Het volk keek toe. Zwijgend. Met velen klein, als altijd. Niet in staat te begrijpen.
Jezus zag er dan ook maar weinig koninklijk uit, daar, op het kruis…
Ze hadden het zich anders voorgesteld allicht. Petrus…, en de andere leerlingen ook. Ze hadden, zo leert het evangelie het ons, zo graag links en rechts van Hem gezeten. Maar ze hadden zich een andere troon gedroomd dan die paal, dan dat kruis. Links en rechts werden misdadigers gehangen…
En er werd gehoond.
O ironie! Alsof er iets te honen viel…
“Anderen heeft Hij gered, laat Hij zichzelf dan redden…” Alsof de liefde er is voor zichzelf.
Het eigene van liefde is dat ze gegeven wordt, uitgedeeld wordt, niet voor zichzelf wordt voorbehouden. Hoe zou Hij, die niets dan liefde was, het anders hebben kunnen doen? Anderen heeft Hij gered: zieken en bezetenen gaf hij hun waardigheid terug. Melaatsen en verlamden gaf hij hun plaats in de maatschappij terug. Blinden gaf Hij uitzicht, doven hoorden opnieuw van hoop en toekomst. Tallozen vonden nieuw leven, tallozen werden opnieuw bemind.
Meestal doen mensen het anders.
In de teksten klinkt het als een refrein, tot driemaal toe: red jezelf.
We horen het ook vandaag, overal, veel meer dan we misschien zouden willen: red jezelf, maak jezelf gelukkig, vergeet jezelf niet, reken niet teveel op de anderen, denk aan jezelf, wat je zelf doet doe je beter…
Maar één is er, in het eenstemmige honend koor klinkt één stem tegen.
“Wij hebben ons trieste lot zelf over ons hoofd gehaald, maar Hij heeft niets verkeerds gedaan.”
Een misdadiger bidt: “Jezus denk aan mij wanneer Gij in uw koninkrijk gekomen zijt…”
Hij had het begrepen: een mens redt niet zichzelf. Een mens wordt gered…door een ander; als Hij zich láát redden…door een ander.
De spotters begrepen het niet. De spotters hadden Jezus niets te vragen. Waar ieder best zijn eigen redder is heeft men geen nood aan bidden, hoogstens aan meditatie, om zichzelf terug te vinden, om meer zichzelf te worden, niet om te worden gered.
En wij?
Wij in dit alles?
Er zijn zwijgers en roepers, er zijn er die honen en er zijn er die toekijken, er zijn er die spotten, en er zijn er die bidden…
Christus Koning…
Er zijn er die dromen van macht en heerschappij en tronen…
En er zijn er die kijken naar het kruis en vragen om vergeving, om een thuis…
Christus Koning C (2007)
C-cyclus · Tijd door het jaar · Christus koning · wit