6

C-cyclus · Tijd door het jaar · 6e zondag · groen

Een enigszins onbehagelijk gevoel - roepen Jezus’ woorden in het evangelie van vandaag bij mij op … Want: persoonlijke financiële zorgen heb ik niet, ik ben weldoorvoed, de gave der tranen heeft de Heer mij tot op heden niet geschonken en ik kan niet zeggen dat ik gehaat, buitengesloten en beschimpt word omdat ik tracht een christen te zijn - al ontmoet ik zeker mensen die dat een moeilijk gegeven vinden, die zich daar niet bij thuisvoelen en die mij als christen wel wántrouwen. Ik heb zéker ervaren dat mijn christen-zijn mensen soms een beetje onzeker en ja, bang zelfs maakt. Gelovig-zijn, christen-zijn, onproblematisch is het niet in het huidig tijdsgewricht. Het is zeker taboe-beladen. Maar dat mijn naam door het slijk gehaald zou worden? Niet dat ik weet … Nee mensen … in het eerste stukje van Jezus’ rede in de vlakte (want in tegenstelling tot Marcus en Mattheüs spreekt Hij die hoge woorden niet uit op een “berg” maar in het dal), in dat eerste stukje van Jezus’ vlakterede herken ik mij dus niet ècht. Wèl in het tweede deel. Want ik ben natuurlijk gewoon rijk en verzadigd. Ik heb alle reden om te lachen. En er wordt, naast allerlei kritiek die er óók is, toch ook best vaak lovend over mij gesproken. In het licht van deze vlakte-rede geeft mij dat alles een onbehagelijk gevoel. En dat is natuurlijk ook de bedoeling van die rede - dat ík zo’n gevoel krijg … Je zult hongeren! En je zult treuren en huilen! Wacht maar, jouw tijd komt nog wel! - Dat is eigenlijk de boodschap …

Mensen, wat moet ik, wat moeten wij met die boodschap …? Ik voor mij zie er een uitnodiging in om de zogenaamde “schaduwzijde van het leven”, om daar in elk geval niet bevreesd voor te zijn, maar om die te verkennen; om de mensen die leven in die schaduw of in het duister zelfs - om die niet uit de weg te gaan, maar om die eerder op te zoeken, om náást hen te gaan staan, om hun leven te delen … Denk even aan de pasgestorven Abbé Pierre in Frankrijk. “Solidariteit met de armen” stond hóóg in zijn vaandel geschreven. Voor mij een prachtig voorbeeld en een aansporing! In de afgelopen week (ik was op retraite) heb ik mij weer intensief beziggehouden met de Heilige Theresia van Avila, kloosterzuster, hervormster van haar orde, in het zestiende eeuwse Spanje, kerklerares. Ik vond van haar het volgende, best wel verbijsterende gedicht dat ze schreef “bij de professie van Isabel de los Angeles” in 1571

Mocht mijn vreugde zijn in ’t wenen,

in het opspringen mijn rust;

in de smart mijn vrede liggen

en mijn voorspoed in verlies.

mijn liefde zijn in stormen,

de wonde mij een feestmaal zijn;

in de dood mijn leven liggen

en mijn gunst in de verachting.

In de armoede mijn schatten,

in het strijden mijn triomf;

mijn verkwikking in de arbeid,

mijn tevredenheid in droefheid

In de duisternis mijn licht

en mijn grootheid in geringheid;

’t kortste pad zij mij tot weg

en mijn glorie zij het kruis.

Mocht mijn eer zijn in verguizing

en het lijden mij tot palm;

kleiner worden zij mijn groei

en het dalen mijn verheffing.

Mocht mijn hoop zijn in de vrees,

mijn verzadiging in honger;

in de angst mijn feestmalen,

mijn genot in bitterheid.

Mijn gedenken in ’t vergeten,

in vernedering mijn aanzien;

goede naam in minachting,

overwinning in de schande.

In verachting zij mijn lauwer,

in de pijn genegenheid;

in de schaduw heel mijn waarde,

en mijn gunst zij de eenzaamheid.

Mijn vertrouwen zij in Christus,

mijn gehechtheid voor Hem alleen;

in zijn afmatting mijn adem,

in zijn navolging, mijn blijdschap.

Dáár steunt mijn sterkte op,

dáár is mijn veiligheid,

het bewijs van mijn oprechtheid,

het teken van mijn kracht.

Nou, mensen, niet mis! niet voor de poes! Ik denk: als je zó als christen in het leven kunt staan, dan sta je heel sterk … - juist ook in verband met het soort toestanden zoals die ons beschreven worden in de eerste lezing van vandaag, uit het boek Exodus: over die arrogante, halsstarrige heerser die zegt: “Ik ken de Heer niet.” Hij heeft aan die Heer geen boodschap. De man heeft slavendrijvers. Er moet harder gewerkt worden. Want de mensen zijn “alleen maar lui”. Zonder veel moeite is daar een beeld in te herkennen van ook onze huidige wereld-economie. Wij zitten aan, zeg maar, “de goede kant” daarvan, nóg wel … Maar het zou wel eens kunnen zijn dat de zaak kantelt, dat het economisch zwaartepunt van die wereldeconomie en van de machtsverhoudingen op aarde verschuift naar India en China en zo. En dan komen wíj in de schaduw. En dan gaan wij ook hier sterker beleven en meemaken hoe de arme sloebers in Afrika en Azië dagelijks met grote inspanningen hun voer moeten zoeken - dat zei een oom van mij altijd tegen zijn vrouw als hij bij een verjaardagsfeestje ópstapte: “Kom op Jos, we moeten morgen weer voer zoeken …” Voor een welgestelde huizenmakelaar als hij was het natuurlijk een grap, maar toch … elke keer deed hij ons, mij in elk geval weer stilstaan bij wat het wezen is van al onze economische activiteiten. Inderdaad, het is in wezen: voer zoeken. En de laatste tijd als ik door de stad rijd op m’n fietsje dan realiseer ik ’t mij vanuit mijn ivoren toren steeds sterker: Wat zijn veel mensen, in de handel en zo, daar toch steeds keihard mee bezig: met voer zoeken en geld verdienen … En wat is er gaande in grote bedrijven, bij multi-nationals, banken en zo en bij de overheid? Er moeten steeds mensen uit, sans rancune worden mensen die soms al twintig-dertig jaar hun beste krachten hebben gegeven aan een bedrijf; ze worden sans rancune ontslagen, want men is verwikkeld in een moordende concurrentie-slag. En de werknemers die overblijven worden door slavendrijvers opgejaagd die eisen dat ze het werk van de mensen die ontslagen zijn er gewoon bij doen …

Mozes heeft temidden van dat alles God, de Stem van de vrijheid, gehoord … En hij heeft de droom van de vrijheid, van een ánder leven, in vrijheid, Mozes heeft daarmee daarmee zijn volk aangestoken, maar vooralsnog is het effect volstrekt averéchts: de onderdrukking en de uitzuigerij zijn er alleen maar door toegenomen. Dus Mozes krijgt nu de volle laag van zijn volksgenoten: “U hebt ons een slechte naam bezorgd … U hebt hun een zwaard in handen gegeven om ons te doden.” En Mozes, op zijn beurt, doet zijn beklag vervolgens bij de Heer die de bron is van dat verlangen naar vrijheid en die er de oorzaak van is dat Mozes er werk van is gaan maken, dat hij de aanstichter van de bevrijding is geworden: “Heer … waarom behandelt U dit volk zo slecht? … U hebt uw volk niet bevrijd - integendeel!” Ik denk, veelgeliefden, Gods antwoord op Mozes’ klacht hebben we vandaag in het evangelie gehoord waar Jezus zegt: als je gehaat en beschimpt wordt en je naam wordt door het slijk gehaald, wees dan verheugd … want je zult rijkelijk beloond worden in de hemel. Ja, de hemel … is dat niet dé grote stoplap? Is het niet het zoethoudertje, de kaneelstok waarmee hele volksstammen in vele eeuwen godsgeloof en christendom als met een kluitje het riet zijn ingestuurd? Nou, nee toch zou ik zeggen mensen. Zoals de hemel hier verschijnt, is het eerder het land van de vrijheid en het geluk waarheen juist de mensen op weg zijn van wie de actuele levensomstandigheden bedroevend zijn dan wel véél te wensen overlaten. Juist de ellende is het teken van naderend heil. Want God staat aan de kant van die mensen, onmiskenbaar. Laten dan ook wij ons niet van hen verwijderen. Durven wij bij hen te hóren, durven wij één van hen te zijn. Amen.

Zoeken in Preken Online