DRINGEND MENSENVISSERS GEVRAAGD
(OOK) IN TIJDEN VAN CORONA EN LOCKDOWN…
Een verhaal, een lastige parabel…
Aan een gevaarlijke kust, waar regelmatig schepen vergaan, stond lang geleden een primitieve kleine reddingspost. Het gebouwtje was niet meer dan een hut en er was één boot. Maar de toegewijde leden, die de reddingsploeg telde, waren altijd op hun post en zonder zich om hun eigen leven te bekommeren trokken ze er dag en nacht op uit om onvermoeid te zoeken naar de vermisten. Vele mensenlevens werden door deze kleine reddingspost gered, en ze werd daardoor beroemd. Sommigen die gered waren en verschillende anderen die in de omgeving woonden, wilden op één of andere manier met de post verbonden zijn en het reddingswerk met hun tijd, geld en moeite steunen. Er werden nieuwe boten gekocht en nieuwe bemanningen opgeleid. De kleine reddingspost werd groter en groter. Sommige nieuwe leden ging het ter harte, dat het gebouwtje zo primitief en armoedig was uitgerust . Ze hadden het gevoel, dat er een meer comfortabel gebouw moest komen, waar de aan land gebrachte drenkelingen konden worden opgevangen. Dus vervingen ze de houten kribben door echte bedden, vergrootten het gebouw en plaatsten er betere meubels in. Nu werd de reddingspost een populaire vergaderplaats voor haar leden. Omdat ze het als een soort clubgebouw gingen gebruiken, werd het gebouwtje steeds keuriger opgeknapt en luxueuzer gemeubileerd. Niet alle leden waren nog geïnteresseerd in het reddingswerk en waren in staat of bereid om er zelf met de reddingsboten op uit te trekken. Dus namen zij bemanningen in dienst om voor hen dit werk te doen. Het motief van het reddingswerk overheerste nog steeds in de versiering van het clubgebouw en in de kamer, waarin de nieuwe leden van de club plechtig werden geïnstalleerd, stond een symbolische reddingsboot. Rond deze tijd gebeurde het, dat een groot schip bij de kust verging, en de in dienst genomen bemanningen brachten scheepsladingen vol koude, natte en half verdronken schipbreukelingen het clubgebouw binnen. Ze waren vuil en ziek en de prachtige nieuwe club veranderde in een chaos. Daarom besloot het bestuur onmiddellijk naast het clubgebouw een opvangcentrum te bouwen, waar de schipbreukelingen eerst konden worden opgeknapt, voordat ze werkelijk binnenkwamen. Maar bij de volgende algemene vergadering viel de club in twee partijen uiteen. De meeste leden wilden met het reddingswerk stoppen, omdat het maar onprettig was en erg hinderlijk voor het normale clubleven. Sommige leden hielden aan het reddingswerk vast als hun eerste doel en ze wezen erop, dat de club nog steeds een reddingspost heette. Maar toen het uiteindelijk op stemmen aankwam, bleek de laatste groep in de minderheid te zijn en ze kregen te horen, dat ze maar een eigen reddingspost moesten beginnen als ze dat werk nog steeds wilden voortzetten. Dat deden ze dan ook, een eindje verderop aan dezelfde kust. Toen de jaren verstreken, gebeurde er met deze nieuwe reddingspost hetzelfde wat er met de oude was gebeurd. Ze ontwikkelde zich tot een club en er werd wéér een andere post gesticht. De geschiedenis bleef zich herhalen. En als je vandaag de dag aan die kust een bezoek brengt, dan zul je er een aantal exclusieve clubs aantreffen. Schipbreuken komen nog veel voor in die omstreken, maar de meeste schipbreukelingen verdrinken. (Een parabel van Th. O. Wedel uit The Ecumenical Review, okt. 1953)
3 September 2015 - Een Syrisch jongetje. Drie jaar oud. Rood T-shirt, blauwe broek. Dood in de branding van de Turkse badplaats Akyarlar. De foto vat de tragiek van de vluchtelingencrisis perfect samen, en ging in geen tijd de wereld rond.
Als het je zoon was. Zou je de zee vullen met schepen Van welke vlag dan ook. Je zou met iedereen samen… Met miljoenen Een brug maken Om hem bij je te krijgen Zorgzaam Je zou het nooit met rust laten. Je zou met je schaduw De zon niet in z’n ogen laten branden. Je zou hem omhullen als een cape Zodat hij niet nat wordt. Of verdrinkt in het zoute water.
Als het je zoon was, zou je dadelijk op zee gaan. Je zou de visser vermoorden die zijn boot niet leent, schreeuwen om hulp te vragen. Kloppen aan de poorten van de regeringen Om het leven te claimen. Als het je zoon vandaag was, zou je rouwen. Je zou de wereld haten, je zou een hekel aan de zee hebben Vol met schepen. Je zou haten wie ze stabiel en recht houdt. In de tussentijd Wordt het geschreeuw. Met zeewater vervangen. Als het je zoon was, zou je ze bellen en zeggen Onmenselijke lafaards, ik kom eraan! Ze zouden je moeten stoppen, vasthouden, bevriezen. Of je zou zijn gezicht inslaan Je zou ze allemaal in dezelfde zee verdrinken. Maar wees stil. Het is niet je zoon. Je kunt rustig slapen. En vooral zeker. Het is niet je zoon. Hij is gewoon een zoon van de verloren dolomieten, Van de vuile mensheid, wat geen geluid maakt. Het is niet je zoon. Slaap rustig, Het is niet van jou.
- nee, nog niet. Petra Ke
Het Verschil
*Jezus zei tegen Simon: ‘Wees niet bang, voortaan zal je mensen vangen.’ - Lc 5,10 **Deze zin uit het evangelieverhaal van de 5° zondag door het jaar – C, waarover ik een paar jaar geleden mocht preken, deed me denken aan bovenstaande foto en ook aan het gedicht van Charles Ducal: ‘Gestoord in hun rust’ *(één van de drie gedichten rond Vluchtelingen die je kan lezen in de gedachtenis-tuin voor vluchtelingen in Westouter die op 20 juni 2015, Wereldvluchtelingendag, officieel werd geopend).
Gestoord in hun rust
** Hoe konden zij dit begrijpen? **
** Aan land gegaan toen zij huizen zagen en afleidden dat daar mensen woonden aan wie men een brood kon vragen, water, een bed, een bussel stro desnoods,** ** die wilden luisteren naar hun verhalen met geduldige oren en een warm oog.** ** Maar welke god had deze wezens geschapen die van hun angst de bewijzen vroegen, hun wanhoop afwezen op grond van artikel zoveel? Die hun boot weer de storm in joegen?**
** Hoe konden zij weten dat dit het deel van de wereld was dat zich zat had gegeten aan de tafels die zij waren ontvlucht? Hoe konden zij hopen het brood te zien breken? De huizen stonden verzadigd, met volle vuilnisvaten, gestoord in hun rust. En eisten dankbaarheid voor elke kruimel van hun beschaving,**
** zich van geen schuld bewust.**
** Charles Ducal**
Een “vreemde” kleurrijke kerstboom. Er staan veel geschenken rond. Hij staat aan de ingang van een christelijke kerk in Melbourne, Australië. Het merkwaardige is dat hij gemaakt is uit reflecterende reddingsvesten, die ooit gedragen werden door mensen die op zee verdronken zijn voor de kust van Australië. Zij hoopten dat iemand hen de hand zou reiken. Dat er minstens één iemand zou zijn om hen uit de dood te trekken en nieuw leven zou geven
Hier ben ik (Kerstavond 2016)
Verschrikkelijk is de wereld… Geen Jezus zal Aleppo redden en zijn god zwijgt zo diep in alle talen dat het voelt alsof hij niet bestaat, nooit heeft bestaan, niet kan, niet wil – wat is er met mijn brein dat ik hem steeds weer denk? Er zal nooit, nergens een begin van redding zijn als niet tenminste één mens zegt ‘hier ben ik’ en ziende om zich heen zoekt of er nóg een is, nog twee of drie met vonken licht ‘hier ben ik’ in hun ogen. In diepe nacht – geen ster te zien geen engelzang te horen – zullen wij gaan om wat misschien nog kan, te hopen valt, te redden is één vluchtkindje kantje boord voorgoed geboren. Deze wereld: twee- of driemaal niet te tellen naamloos velen die ‘hier ben ik’ zijn en doen wat moet gedaan
Huub Oosterhuis
KOM, IK ZAL MENSENVISSERS VAN U MAKEN -
(OOK) IN TIJDEN VAN CORONA EN LOCKDOWN…
Mensenvissen: een kajotterswerk
Toen Jezus aan het meer van Gennesaret stond en de mensenmenigte zich om Hem verdrong om het woord van God te horen, zag Hij twee boten bij het meer liggen. De vissers waren van boord gegaan en spoelden de netten. Hij stapte in een van die boten, die van Simon, en vroeg hem een weinig van wal te steken. Hij ging zitten en vanuit de boot gaf Hij de mensen onderricht. Toen Hij uitgesproken was zei Hij tegen Simon: ‘Vaar nu naar de diepte.’ Daar moeten jullie je netten uitwerpen.’ ‘Meester,’ antwoordde Simon, ‘de hele nacht hebben we ons al afgetobd zonder iets te vangen. Maar als U het zegt zal ik de netten uitwerpen.’ Dat deden ze en ze vingen zo’n massa vis dat hun netten ervan scheurden. Daarom wenkten ze hun maats in de andere boot om hen te komen helpen. Die kwamen, en beide boten vulden ze tot zinkens toe. Toen Simon Petrus dat zag, viel hij op z’n knieën voor Jezus en zei: ‘Ga weg van mij, Heer, ik ben een zondig mens.’ Want schrik had hem, en allen die bij hem waren, bevangen, vanwege de vissen die ze samen gevangen hadden. Zo verging het ook Jakobus en Johannes, zonen van Zebedeüs, die met Simon samenwerkten. Maar Jezus zei tegen Simon: ‘Wees niet bang. Van nu af zul je mensen vangen.’ Ze brachten de boten aan land, lieten alles achter en volgden Hem. (Lucas 5, 1-11)
Jezus stelt drie vragen aan Simon:
(want kajotteren is: vragen stellen! Kajotter word je doordat jou iets gevraagd wordt. En je moet weten: Simon - dat ben jij, dat ben ik…) Mag ik in jou bootje instappen en even met je mee varen? Steek jij maar een weinig van wal – ik wil de menigte aanspreken vanuit jouw boot, vanuit jouw manier van dagdagelijks leven en doen! Vaar nu naar de diepte, en werp dààr de netten uit voor de vangst. Niet aan de oppervlakte blijven, niet een beetje vrijblijvend surfen en wat spelevaren zonder risico’s te nemen en je te wagen aan weer en wind en aan het diepe water… Wil jij al varende en ‘er-varende’ uitgroeien van Simon tot Petrus: een rots waarop men een kerk kan bouwen? Wil jij mensenvisser worden? Mensen ophalen uit alle soorten van el-lende en dood, uit een bestaan van niets en niemand zijn. En wil je hen in Mijn Naam leven schenken, in overvloed..?
Waartoe zijn wij dan geroepen? Wat wordt onze nieuwe taak en opdracht in Zijn dienst? Wij moeten ‘mensenvissers’ worden, zegt Hij! Een mensenvisser is: iemand die ziet hoe een ander mens dreigt te verdrinken en te weg te zinken in zeven zeeën van ellende, wanhoop en verdriet (‘el-lende’ is letterlijk: uit-het-land- zijn, alle grond onder de voeten kwijt zijn, bestendig verblijven in ‘niemands-land’…) Wil jij diegene zijn die zich dat aantrekt, de enige misschien? Die voor de drenkeling wat grond onder de voeten probeert te bieden, en hem zo probeert op adem te laten komen en in leven te houden. Geroepen zijn is: ver-antwoord-elijk willen zijn. Al was het maar voor één ander mens.
Hoe doe je dat, mensenvisser zijn? We kunnen alvast beginnen met elkaar dag na dag het leven proberen aan te doen, en niet de dood. Door elkaar telkens weer te respecteren en hoog te achten, te promoveren en groter en sterker te maken, in heel kleine, dagelijkse dingen. Kansen grijpen om centimeter na centimeter elkaar boven water te brengen en te houden. Een ander verheffen – niet vernederen. Bemoedigen – niet kopje onder duwen. Groter maken – niet kleineren… dat alleen al zal alvast zorgen voor een goed gevulde dagtaak en een stevige agenda!
Jezus ging er – net zoals Rutger Bregman, de schrijver van het ondertussen op honderdduizenden exemplaren gedrukte en herdrukte boek - vanuit dat de meeste mensen deugen. En dus heeft Hij zich bij zijn keuze herhaaldelijk mispakt. Hij koos (ook) Judas–de-verrader, Petrus die beweerde: ‘Ik ken die man niet…’ en Thomas de twijfelaar die zei: ‘Eerst zien en dan geloven…’ Maar hij durfde risico’s nemen in zijn sollicitatiegesprekken, Hij bleef kansen geven. Van Hem mocht iedereen altijd herbeginnen, tot zeven maal zeventig maal. Dat zegt Hij vandaag ook tegen jou en tegen mij… Wat een zalige Werkgever! Kom, laten we toch maar op Zijn sollicitatie ingaan. Jij en ik tezamen. We zullen steeds meer broers en zussen worden van elkaar en van vele andere mensen die ons heel hard nodig hebben…(drie fragmenten uit een preek in de gevangenis PCB Brugge)
Zebedeüs en zonen (bij Matteüs 4, 18-22)
Zij hadden altijd tegen me gezegd: ‘Vader, jouw beroep is ook het onze.’ Ze hadden van jongs af aan niets anders gezien en geroken dan vis, teer en netten. Met een schip omgaan is ze aangeboren. Zodra ze sterk genoeg waren om een net mee te helpen inhalen, en getweeën een mand vis te sjouwen, zijn ze meegegaan. Altijd met plezier, want ik merk aan alles dat zij uit het goede hout gesneden zijn. Zij zijn sterk, kletsen niet te veel onder het werk, maar zij weten leuke verhalen te vertellen als de netten uitstaan. Wat zou je in ons dorp anders moeten doen om aan de kost te komen? Wij hebben genoeg aan een bakker voor ons brood, en de rest doen we zelf. Maar het meer houdt ons in leven. De vis zwemt en spartelt. Wij hebben het niet rijk, maar goed genoeg om tevreden te zijn met wat wij hebben. Die twee jongens van me hadden er van het begin af aan oog voor, dat moet ik zeggen. Ze hebben handen aan hun lijf en ogen in hun kop, en het zijn geen leeggangers. Meer moet dat niet zijn on onze stiel. Dan komt daar gisteren ineens een wildvreemde rabbi langs het strand. Ik had die man nooit eerder gezien; wel van gehoord, maar er zijn zo vaak van die mensen, die anderen een tijdje achter zich aan weten te krijgen. Kort daarna is het weer voorbij. Deze was nog maar pas bekend. Een man van een jaar of dertig, schat ik. Ik schonk eigenlijk nauwelijks aandacht aan hem. Wij waren pas aan land, de vis was net weggehaald voor de markt. Wij waren juist met de netten bezig: uitslaan, in lange rijen op het gras leggen, dan drogen ze het beste, en dan geraken ze niet in de knoop. Toen we goed en wel bezig waren, stootte Johannes Jacobus aan: ‘Die man die daar aan komt is de rabbi uit Nazareth.’ Ik had nog geen flauw vermoeden dat hij voor mijn zonen kwam. Hij bleef staan, groette, sprak ze aan, noemde ze bij hun naam en maakte een praatje. Hij keek nauwelijks mijn kant op. En zo waar als ik hier zit, na een paar minuten komen ze op mij af: ‘Vader, we gaan met die rabbi mee. Hij wil ons als leerling. We doen het.’ Nou, je begrijpt, ik kwaad. Ik heb gebeden en gesmeekt: ‘Wie moet mij nou voortaan helpen? Ik kan het toch niet alleen?’ Begrijp je nou zulke jongens? Ze stonden er een beetje lummelig bij, maar ze kwamen kennelijk niet op dat besluit terug. De rabbi was ondertussen al weer weggewandeld. Ik was werkelijk verbouwereerd. Zo godsdienstig waren die jongens van mij nou ook weer niet. Niets bijzonders, gewoon en in niets overdreven. Ik stond aan de grond genageld. Mijn jongens, nog stinkend van de vis, wilden zomaar met die rabbi mee de boer opgaan…
En nu sta ik hier alleen. Ik durf straks niet uit te varen, want ik kan niets alleen. Een man alleen kan niet tegelijk varen, netten uitzetten, sturen, inhalen. Ik weet echt niet hoe het nu verder moet. Ik heb die kerels van mij al een paar dagen niet gezien. Wat moet die rabbi in Godsnaam van hen? Waarom maakt hij mijn familie en mijn werk kapot? Wat kan er zo belangrijk zijn in wat hij te zeggen heeft en van plan is te doen, dat het geluk van mijn gezin opgeofferd moet worden voor dat zogenaamde hogere doel? En die jongens van mij waren niet de eerste die hij het hoofd op hol heeft gebracht. Ik heb er al anderen ook bij zien staan. Ze lopen met hem mee, ze hangen aan zijn lippen. Maar wat wil je: ze zijn allemaal zo goed als volwassen. Je hebt er niet veel meer aan te zeggen. Maar wat heeft die man toch, dat zulke grote kerels persé achter hem aan willen gaan? Toen ze vertrokken waren van het werk, heb ik eerst de boel hier een beetje opgeruimd, en ben dan naar huis gelopen. Ik heb mijn vrouw verteld wat er precies gebeurd was. Ze keek me aan alsof ze dacht dat ik gek geworden was. Toen zei ze: ‘Ach, dat zal allemaal niet zo’n vaart lopen. Die zien we over een paar dagen wel weer terug’ Ik geloof waarachtig dat zij het meende. Ik heb me omgekleed en ben naar het marktplein gelopen. Er zaten een paar bekenden bij de waterput onder de plataan. Ik heb ze het verhaal verteld. Ze begonnen te grijnzen. ‘Hij heeft er zo al een stuk of toen bij elkaar gehaald. Ze gaan overal met hem mee. Ze vinden het prachtig. Die man trekt veel bekijks. Hij kan het goed zeggen. Hij vertelt niet zo van die gewone verhalen. En hij heeft iets bijzonders – een soort ‘charisma’ zeggen ze, maar ik begrijp dat geleerde woord niet zo goed. Als je nu denkt dat ik door heel die uitleg een beetje opkikkerde, dan vergis je je. Ik voelde me plotseling twintig jaar ouder. Het dorp zag er ineens anders uit. Ik ben weer teruggelopen naar mijn boot. Er lag nog genoeg werk te wachten. Maar mijn gedachten waren er niet meer bij. Ik moest aldoor aan die twee kerels van mij denken. Wat zat daar nou voor toekomst in? En ikzelf, waar doe ik het allemaal nog voor? Zouden ze nog ooit terugkomen? Heb ik daar nou al die jaren voor geploeterd en gezwoegd? Ze het vak geleerd? Gehoopt dat ze het bedrijf zouden overnemen en voortzetten? Maar nee, een wildvreemde rabbi uit het niets spreekt hen aan, en ze zijn vertrokken. Het is niet meer dan een bevlieging, weet het zeker. Maar weg is in vijf minuten tijd al het werk van jaren ver… Als ik die man eens tegenkom, zal ik hem eens precies en duidelijk vertellen hoe ik over hem denk… (uit M. Van Buuren: ‘De vreemde man uit Nazareth’)
Een doodgewone visser
Een doodgewone visser aan het meer, meer ben ik niet. Ik heb alleen mijn netten uit te gooien vanuit een diep vertrouwen, om velen te verzamelen en nauwlettend toe te zien dat niemand door de mazen glipt. Ik ken de nacht van eenzaam zwoegen, van telkens weer pogen en dan toch maar opgeven, alsof er nooit nog een nieuwe morgen kan komen. ik ken de storm, zo onverwacht, midden op het meer, de angst in mij, het water tot de nek, het duister dat mij overmant. Maar tegelijk hoor ik de Stem van Hem die mijn naam noemde als nooit tevoren. Want sinds die dag waarop Hij met mij in de boot stapte, ben ik nooit meer alleen en kan ik elke storm aan. Sinds die dag vaar ik onophoudelijk naar het diepste diep en durf ik het aan om de oever los te laten, omdat ik niet langer geloof in wat aan de oppervlakte bovendrijft. Sinds die dag stap ik over het meer in vertrouwen op Zijn hand. Ik ben een doodgewone visser aan het meer. Ik ken geen grote woorden over wie mij kracht geeft. Ik weet alleen dat ik erop mag vertrouwen dat na de zwartste nacht altijd een nieuwe morgen wenkt, zodat ik weer de netten uit kan gooien en met mijn kracht alleen de vangst niet zal binnenhalen…
Een nieuw Kajottersgebed:
Heer Jezus,
maak mij visser van mensen.
Leg mij de goede woorden in de mond:
Uw blijde boodschap.
Leer het mij:
van wal steken met mensen,
diepgang te zoeken,
vertrouwen te hebben in het leven.
Neem de angst van mij weg
dat ik Uw wegen mag gaan,
vandaag
en iedere dag
dat ik leef.
Amen.
Op de wijze van de vissers
Vrienden hebben van vissers veel te leren. Vissers hebben een zee van tijd. Vissers zijn niet haastig, ze doen niet krampachtig, ze maken je niet zenuwachtig. Vissers én mensenvissers - althans zij die hun beroep aan het meer van Galilea leerden - weten hoe ze moeten schiften. Het beste van de vangst nemen ze mee. Het kleine gooien ze terug in zee en gunnen dit de tijd om te groeien… (Mgr. E. Laridon)
Anthea Craigmyle - The miraculous haul of fishes
OP ZOEK NAAR NETTEN EN ‘NETWERKEN’
IN TIJDEN VAN CORONA EN LOCKDOWN…
Een vangnet
Woorden, handen die je opvangen
Iemand op wie je kan terugvallen
in goede en kwade momenten
… dan zal het zijn,
wat er ook gebeurt,
alsof je loopt
over een onzichtbaar weefsel
dat niet scheurt,
boven de afgrond gespannen…
Er is een groot, onzichtbaar, draagvlak.
Daar moet je in willen geloven.
(Huub Oosterhuis)
EEN TIJD VAN BOETEN …
Elk net slijt en kan scheuren bij het gebruik.
Telkens weer moet de visser
de mazen van zijn visnet herstellen en herknopen.
Hij moet zijn netten ‘boeten’, zegt men dan.
Ook mensen moeten van tijd tot tijd
de knooppunten in hun leven herstellen.
Daarom kan de tijd van corona en lockdown
een tijd zijn van boeten,
een tijd om onze netten en netwerken te herstellen.
Elke samenleving, straat, buurt, dorp of stad
is een netwerk van mensen.
Mensen die elkaar
kennen en soms miskennen
vertrouwen, maar vaak ook wantrouwen
helpen, maar ook laten vallen
liefhebben, maar bij momenten ook
helemaal niet lijken nodig te hebben.
Sociale bewegingen, verenigingen en organisaties
willen mannen en vrouwen knopen tot een netwerk
dat veiligheid en samenhorigheid biedt.
Daarom boeten wij in deze tijd van corona en lockdown
het net van onze straat of buurt,
in voorbereiding op het ‘nieuwe normaal’ waarop wij hopen.
Ook het vangnet van onze sociale zekerheid
moet telkens opnieuw geboet worden.
Om elke woelige crisis te kunnen weerstaan
worden mensen aan elkaar geknoopt:
gezonden aan zieken, werkenden aan werklozen,
jong aan oud, rijk aan arm.
Omdat ieder mens recht heeft op een menswaardig leven
boeten wij in deze pandemie-tijd
het net van de sociale zekerheid,
om straks het ‘rijk van de vrijheid’
met zijn allen en zonder uitsluiting
ten volle te kunnen beleven.
(naar Jef Sanen)
Het lied van alle dagen
Tekst: Huub Oosterhuis Muziek: Antoine Oomen
Nooit hoorden wij andere stemmen dan de onze. Nooit waren er handen die doen wat handen niet kunnen, nooit andere goddelozer mensen dan wij. Maar er was daglicht, alle dagen, wat ook gebeurde, alsof wij liepen over een onzichtbaar weefsel oven de afgrond gespannen, dat niet scheurde. Nooit werd iemand weggetild uit de tijd. Maar soms even wordt lijden opgeschort of dragen mensen het samen zo zouden wij moeten leven.
‘Nooit hoorden wij andere stemmen’ wordt dit lied meestal genoemd, maar de titel ‘Lied van alle dagen’ is toch om over na te denken. Wat gebeurt er alle dagen? Volgens de tekst dat je nooit andere stemmen hoort dan de onze, maar dat er wel daglicht is. Dat is meteen de kern van het lied: aan de ene kant wat ‘nooit’ gebeurt; het woord ‘nooit’ staat vier keer in de tekst; aan de andere kant twee keer een nogal zwaar aangezet ‘maar’. Dit lied speelt zich af in de spanning tussen ‘nooit’ en ‘maar’. Wat gebeurt nooit? Er zijn geen andere stemmen dan de onze en er zijn geen handen die doen wat handen niet kunnen. En ook wordt nooit iemand weggetild uit de tijd. Je zou kunnen zeggen: in een paar zinnen wordt de secularisatie geschilderd. Wij leven in één werkelijkheid, die zichtbaar, hoorbaar, tastbaar is; wat gebeurt kunnen we beredeneren. Verschijningen maken we niet mee, wonderen bestaan niet. Wij dromen er soms van om de werkelijkheid te overstijgen, maar dat lukt niet. Wat dat betreft zijn we goddeloze mensen, en bestaan er ook alleen maar goddeloze mensen. Ik denk dat je dat ‘goddeloos’ niet moet verstaan in de gangbare betekenis van ‘slecht’ en ‘verdorven’, maar heel letterlijk: mensen die god niet kunnen zien, niet kunnen pakken; die het, zo op het eerste gezicht, zonder god moeten zien te stellen; er is geen god die van alles voor hen regelt. Dit eerste couplet schildert ons de werkelijkheid van alle dagen: het onmogelijke gebeurt niet, wonderen bestaan niet; de werkelijkheid is alles wat er is. Is dat nou wel zo? Het tweede couplet heeft daar wat tegen in te brengen en begint dus met een enorm ‘maar’. Dat er alle dagen daglicht is, dat is werkelijkheid, maar is dat ook niet een wonder? En daglicht misschien ook in de breedste zin van het woord: er is altijd perspectief, er is altijd nieuw begin mogelijk. Dat heeft toch ook iets van een wonder. Dat wij leven, dat mensen geboren worden, is dat geen wonder? Als je de werkelijkheid goed bekijkt, dan zijn de wonderen haast niet te tellen. We kijken meestal niet zorgvuldig genoeg, met te weinig aandacht. En het zijn ook niet wonderen, die alles voor me regelen: die me ineens van een ziekte genezen, me een baan bezorgen of iets dergelijks. En daar komt bij: het leven is een wonder, maar het leven is ook kwetsbaar en onzeker. Soms, zo zegt de tekst, lijkt het in het leven, alsof je constant boven een afgrond loopt: de zorg over wat je allemaal kan overkomen, de angst voor de dood. Maar ook dat heeft niet het laatste woord. Want zo vaak lijkt er zoiets te zijn als een vangnet, dat zorgt dat het leven doorgaat, dat je niet iedere keer in de afgrond tuimelt. Een vangnet dat niet scheurt. Misschien toch een wonder? In het derde couplet komen de stem van het eerste couplet en de tegenstem van het tweede bij elkaar. Nee, mensen worden niet weggetild uit de tijd; wij blijven met twee benen in onze eigen werkelijkheid staan. Er is geen god of geen engel die ons daar even wegtilt en op een veilige plek neerzet. Maar, alweer dat ‘maar’, toch er is meer. Er is lijden, natuurlijk. Maar soms wordt het opgeschort, soms dragen mensen het samen. Het is een lied van alle dagen, omdat het ons dagelijks bestaan bezingt: de werkelijkheid waarin we staan en die niet altijd leuk is en soms keihard kan zijn. Tegelijkertijd wil de tekst onze ogen openen voor wat er binnen diezelfde werkelijkheid allemaal aan wonderen gebeurt: het daglicht wordt genoemd, maar je kunt het zelf eindeloos aanvullen. Het lijkt allemaal zo vanzelfsprekend, maar dat is het natuurlijk niet. De muziek van Antoine Oomen onderstreept het meditatieve karakter van het lied. De steeds breed uitgemeten oo van ‘nooit’, laat nog even goed horen dat het echt ‘nooit ‘is. En verder mijmert het over onze werkelijkheid met de wonderen die niet en die wél gebeuren. Alleen in de allerlaatste regel verandert de tekst plotseling van karakter. De meditatie blijkt plotseling bedoeld als les: zo zouden we moeten leven. Als wij willen dat er wonderen gebeuren, dan moeten we daar zelf wat aan doen: dan moeten we het lijden samen dragen. En misschien ‘lijden’ in de breedste zin van het woord: alles wat we zoal meemaken, dat kunnen we samen dragen. Wij kunnen voor elkaar het leven dragelijk maken. En dan gebeuren er wonderlijke dingen. (commentaar van Gerard Swüste)
Dit is het net waarmee wij als visser van mensen aan de slag willen gaan, tégen alle storm en ontij in: een netwerk van doodgewone mensen die met elkaar verbonden zijn; een aaneengeknoopte utopie van dromen, waarden en wensen; een vangnet waarin niemand door de mazen kan vallen, ook niet de minste, zeker niet de onooglijk kleinste… Mensenvisser mógen zijn, het is een éér maar tegelijk is het ook een riskante zaak. Want het is die Man van Nazareth die onze grote Roerganger is, en wij zijn altijd maar een beetje ‘Schipper naast God’… Maar Hij zit met ons en met Zijn mensen in hetzelfde schuitje. ‘Ik-zal-er-zijn’ is Zijn naam. In elk lange, bange nacht weten wij: er ìs een God die liefheeft tot voorbij de dood, een Schipper en Schepper die géén van Zijn mensen in de steek laat. Er is een Liefde die sterker is dan onrecht en geweld, die dieper gaat en verder draagt dan zeven zeeën van ellende en verdriet. En dat is voorwaar géén visserslatijn! Zullen we dat met een simpele maar o zo handige vissersknoop in onze oren knopen, lieve mensen: van deze roeping mogen wij leven en leven geven. niet een klein beetje, maar in overvloed
10 sporen voor concrete netwerking in de diaconie en het kerke-werk.
Vanuit de inbreng van Didier Vanderslycke op de denkdag ‘Hoe profetisch kerk zijn in de samenleving van vandaag?’ voor het bisdom Antwerpen - 15 november 2013 – Malle
Het versterken van onderlinge kennismaking / persoonlijk / organisatorisch / met zicht op raakvlakken tussen onze werkingen. Waarbij men niet alleen persoonlijke ervaringen en allerlei ‘weetjes’ uitwisselt, maar ook inzicht geeft in de strategieën en inhoudelijke uitgangspunten.
Het onderling uitwisselen van methodieken – expertise – inspiratie.
Het versterken van de communicatie / zowel onderling als naar de buitenwereld. Weten waarmee we dagelijks aan de slag zijn, zicht krijgen op nieuwe plannen en projecten, uitwisselen van ‘successen’ en ‘mislukkingen’. Het versterken van sociale actie / samen eisen formuleren naar beleidsactoren in samenleving en kerken. Het versterken van samenwerking naar welbepaalde doelgroepen / zowel lokaal als bovenlokaal. Gezamenlijk de ‘voorkeursoptie voor de armen’ blijven beklemtonen en in de praktijk brengen. Het rekruteren, aanwerven en vormen van vrijwillig(st)ers en personeelsleden. Ook in deze geen concurrenten zijn maar bondgenoten. Het maken van een omgevingsanalyse. Benoemen van maatschappelijke tendensen/ ontdekken van nieuwe noden / aandringen op wetenschappelijk onderzoek / de stand van zaken inventariseren m.b.t. de ‘werken van barmhartigheid’ en de bestaande ‘onbarmhartigheid’ in de wereld. **Het samenwerken met diaconie en solidariteitswerking van andere levensbeschouwelijke en religieuze groepen en organisaties. **Over het muurtje leren te kijken zonder dat het ‘gluren bij de buren’ wordt. Het samenwerken m.b.t. financiële, logistieke en administratieve uitdagingen. Waar vinden we tips voor infrastructuur, financiële ondersteuning… Hoe kunnen we deze tips delen zonder dat we elkaar de kaas van het brood proberen af te nemen? Het samenbrengen van de geleverde inspanningen / de registratie van de maatschappelijke inzet. Onze inspanningen zichtbaar maken, gezamenlijk (jaar)verslag uitbrengen, pers en media er bij halen…
Soms komen mensen samen en ontstaat er iets wonderlijks. En alle andere mensen wijzen dan en fluisteren:
Kijk, iets wonderlijks!
En het wonderlijks gaat zijn gang, doet zingen en wordt omarmd, omwarmd, en wordt nog wonderlijker, een vuur dat zichzelf aanwakkert. Soms komen mensen samen en ontstaat er iets wonderlijks. Je begrijp niet hoe het werkt. Maar het werkt! Het werkt!!
()
BELANGRIJKE INFORMATIE VOOR ALLE MENSENVISSERS:
‘Werp je net uit naar alle kanten; wie in de mazen geraakt is je broer.’
Vroeg iemand aan de wijze:
‘Wat moet ik doen om gelukkig te zijn?’
En de wijze antwoordde:
‘Werp je net uit naar alle kanten;
wie in de mazen geraakt is je broer.’
Wie is mijn broer, mijn zus, mijn moeder..?
Nadat Hij heel wat mensen had genezen en zijn leerlingen rond zich had verzameld, ging Jezus naar huis. Maar er stroomde zoveel volk samen, dat zij niet eens de gelegenheid hadden om te eten. Toen zijn verwanten hoorden wat Hij allemaal zegde en deed, trokken zij erop uit om Hem mee te nemen, want men zei dat Hij niet meer bij zijn verstand was. Toen kwamen zijn moeder en zijn broeders naar het huis waar Hij verbleef, en terwijl zij buiten bleven staan, stuurden ze iemand naar Hem toe om Hem te roepen. Er zat veel volk om Hem heen, dat het bericht doorgaf: “Uw moeder en uw broeders daarbuiten vragen naar U.” Hij gaf hun ten antwoord: “Wie is mijn moeder, wie zijn mijn broeders?” En terwijl Hij zijn blik liet gaan over de mensen die in een kring om Hem heen zaten, zei Hij: “Ziehier mijn moeder en mijn broeders. Want mijn broeder en mijn zuster en mijn moeder zijn zij, die de wil van God volbrengen.” (Marcus 3, 20-21; 31-35)
Ben jij mijn moeder? Dek je me dan toe vanavond? En vertel je een verhaal over goed zijn en goed doen, Over blij en gelukkig leven? Ben jij mijn zus? Staat jouw deur voor mij open vandaag? En luister je naar mijn verhaal van vreugde of verdriet? Lach je mee als het mij goed gaat? Droog je mijn tranen als ik zorgen heb en eenzaam ben? Ben jij mijn broer? Zal ik tijd maken voor jouw verhaal? Ik wil je dragen en steunen, en samen met je huilen om je miserie! Gedeelde smart, weet je wel… Ik wil ook mee genieten van je mooie momenten. Gedeelde vreugde telt toch dubbel? Ben jij mijn moeder, mijn zus, mijn broer? Laten we dan samen op weg gaan van verhaal naar verhaal, van mens tot mens, van ‘ont-moeten’ naar ‘ontmoeten’. Jij bent mijn moeder, mijn zus, mijn broer… Samen zijn we op weg als kinderen van éénzelfde Vader. Tochtgenoten in goede en kwade dagen… En vergeet daarbij niet: “Wat uit liefde wordt gedaan, geschiedt altijd buiten goed en kwaad om…” (Nietzsche) Bij Marcus 3, 20-35 – door Anne – Federatie St.-Andries-St. Michiels Brugge.
Familie ,dat zijn: ‘Mijn mensen’
‘Bij mij op de parochie in Christus Koning-Brugge is jaren geleden het onthaalhuis van SOCK ontstaan, dat plaats biedt aan vijf mensen, vluchtelingen. Zelf woon ik met hen samen in het onthaalhuis, en deel met hen lief en leed. De werkgroep rond het huis zorgt voor de begeleiding van deze mensen en andere vluchtelingen in de stad, en ook voor het sensibiliseren van de bevolking. Deze vreemde mensen en hun families zijn mijn zusters en broeders geworden. Dank zij hen heb ik een stukje van hun wereld mogen meemaken, in Vietnam, Londen, Macedonië, Togo, Nigeria, Kosovo, Moldavië… Daar zijn mijn ogen nog meer open gegaan, is mijn hart nog dieper geraakt.
© Nan Palmero, Love Thy Neighbor Street Art
Vandaag gaat de zorg vooral naar uitgeprocedeerden, zogenaamde ‘illegalen’, mensen wier naam geschrapt is uit de officiële documenten en registers en die hier dus geen bestaansrecht meer hebben. Ook zij zijn onze zusters en broeders, die recht hebben op een menswaardig leven. De vzw SOCK, dat staat voor ‘Solidariteit Onthaalhuis Christus Koning’, werd opgericht zodat het voortbestaan van het onthaalhuis naar de toekomst verzekerd is. Zo hopen wij dat er solidariteit kan groeien naar deze mensen en dat de weg voor een menswaardig leven voor hen opengaat… Wellicht zal het in mijn verhaal duidelijk geworden zijn dat ik mijn weg nooit zelf heb gekozen, maar dat ik tot kiezen werd geroepen door de mensen die mijn weg hebben gekruist. Zij hebben mij op het spoor gebracht van een God die het leven wil en niet de dood, die bevrijding wil en geen slavernij, een God verhaald in de Bijbel. Hij die aanwezig is in de bevrijdende geschiedenis van mensen in het verleden en vandaag. Hij die een voortdurende oproep is om deel te nemen aan dit bevrijdingsproces. En die voor mezelf herkenbaar wordt wanneer ik die keuze wel of niet maak…’ (Jef Devisscher, altijd priester-arbeider geweest, en gewezen pastoor op Christus Koning- Brugge, vertelt zijn roepingsverhaal in ‘De Duif – contactschrift BME’, 19° jg. nr. 3, maart 2008)
Dom Helder Camara en zijn grote familie…
De fameuze bisschop Dom Helder Camara van Recife in Brazilië had sterk het gevoel dat alle mensen, maar zeker de allerarmsten, familie van hem waren. Als hij hoorde dat één van hen ten onrechte gearresteerd was, belde hij meteen de politie en zei: ‘Ik heb gehoord dat jullie zopas mijn broer hebben gearresteerd…’ En dan kwamen er meteen een hoop verontschuldigingen van de kant van de politie: ‘Oh Monseigneur, het spijt ons ten zeerste – dat moet een vergissing zijn! Wij wisten helemaal niet dat die man uw broer was. Wilt u hem alstublieft direct komen ophalen – en excuseert u ons toch voor zoveel onhandigheid…’ Wanneer de aartsbisschop dan naar het plaatselijke politiebureau ging om de man in kwestie op te halen, zei de officier van politie soms: ‘Maar Monseigneur, hoe kan dat toch: die man heeft helemaal niet dezelfde familienaam als u – hoe kan hij dan uw broer zijn..?’ Waarop Dom Helder steevast met een stralende glimlach antwoordde ‘…dat hij nu eenmaal gewoon was elke arme als zijn broer of zuster te beschouwen…’
Ergens in Amerika
staat voor een school
een beeld van een jongetje
dat zijn gehandicapt broertje
op de rug draagt.
Daaronder staat de tekst
eens door het jongetje gezegd
toen hij zijn broertje
uren ver naar school droeg
en men hem zei
dat dit toch wel zwaar moest zijn :
‘Hij is niet zwaar,
hij is mijn broertje…’
Familie is: wie zijn tijd wil besteden aan jou…
Waarom kom je hier op zondag je tijd verliezen met ons?
Gisteren was ik te gast in de gevangenis van Ruiselede. Ik ging daar in gesprek met 25 gedetineerden en 20 mensen die van buiten kwamen. Ik werd gevraagd om te vertellen over mijn eigen verhaal. In alle eerlijkheid: ik had het hier moeilijk mee. Ik wilde niet de ‘succesvolle’ uithangen voor mensen die in gevangenis zaten. Waar ik vandaag sta heb ik niet zozeer aan mezelf te danken, maar aan mijn familie, mijn vrienden, mensen die mij hebben gesteund, de staat die mij bepaalde kansen heeft gegeven en vooral ik heb veel geluk gehad. Het werd, zoals altijd bij mijn lezingen, een geanimeerd gesprek met de zaal. Tijdens het tweede deel van de namiddag moesten de gedetineerden aan tafels het gesprek aangaan met de mensen van buiten en reflecteren op wat ik zei en een aantal vragen voorbereiden. De eerste vraag die ik kreeg kwam van een gedetineerde: “Waarom kom je naar hier op een zondag om met ons in gesprek te treden? We dienen niets voor de samenleving en hebben geen stem. Waarom je tijd verliezen met ons?” Ik zei: “Normaal gezien is mijn zondag heilig, maar net omdat ik hier kwam spreken heb ik toegezegd. Ik wil het gesprek aangaan met jullie want jullie zijn deel van deze samenleving, mijn samenleving. Net zoals jongeren die uitgesloten worden; mensen in armoede; alleenstaande moeders enzovoort. Ik aanvaard niet dat we mensen opgeven. Integendeel zelfs, ik zie het als mijn taak om er te zijn voor mensen die uitgesloten worden. Bovendien ik ben vandaag jongerenwerker en jij gedetineerde, maar misschien wordt jij ooit jongerenwerker en ik gedetineerde.” Voordat ik richting Brussel vertrok moest ik mijn ID halen aan het onthaal. Daar zat een groepje van de mensen ook te wachten om hun ID af te halen. Ik zag een dame die duidelijk emotioneel was. Ik kwam dichtbij haar en ik zei: “Dat doet iets met een mens een ontmoeting met gedetineerden nu we richting huis trekken en ze hier achter blijven.” Ik dacht dat ze wat ontdaan was door de ontmoeting met de gedetineerden, maar dat was het blijkbaar niet. “Ik ben geraakt door elk woord dat je sprak vandaag. Ik herken mij in wat je zei. Ik ben diep geraakt in mijn hart”, zei ze terwijl ze haar hand op haar hart drukte en intussen de tranen niet meer kon inhouden. Ik omhelsde haar en zei “Wat komt van het hart, gaat naar het hart.” (gelezen op de Facebookpagina van Bleri Lleshi - een in België wonend filosoof, schrijver en spreker van Albanese afkomst. Hij was op zondag 29 april 2018 te gast in Ruiselede voor het project Rondom Prison)
Laat ons omhelzen
En laat ons omhelzen Stevig als het kan Alles wat ons lief is Maar ook vreemd Als een overhalen Om samen voor En niet tegen **En laat ons omhelzen Mens voor mens Voor mens ** Er is zoveel Dat ons verbindt Te veel om bang Te blijven Voor wat verschilt En laat ons omhelzen Als een schoon gebaar Een groot En menselijk geloof Dat haat Nooit haat verslaat tekst van Geert De Kockere geschreven na de aanslagen in Zaventem en Brussel op 22 maart 2016
Viering PCB Brugge
Vijfde zondag door het jaar - C
5-6 februari 2022
Évangile de Jésus Christ selon Saint Luc (Lc. 5, 1-11)
En ce temps-là, la foule se pressait autour de Jésus pour écouter la parole de Dieu, tandis qu’il se tenait au bord du lac de Génésareth. Il vit deux barques qui se trouvaient au bord du lac; les pêcheurs en étaient descendus et lavaient leurs filets. Jésus monta dans une des barques qui appartenait à Simon, et lui demanda de s’écarter un peu du rivage. Puis il s’assit et, de la barque, il enseignait les foules. Quand il eut fini de parler, il dit à Simon: «Avance au large, et jetez vos filets pour la pêche.» Simon lui répondit: «Maître, nous avons peiné toute la nuit sans rien prendre; mais, sur ta parole, je vais jeter les filets.» Et l’ayant fait, ils capturèrent une telle quantité de poissons que leurs filets allaient se déchirer. Ils firent signe à leurs compagnons de l’autre barque de venir les aider. Ceux-ci vinrent, et ils remplirent les deux barques, à tel point qu’elles enfonçaient. À cette vue, Simon-Pierre tomba aux genoux de Jésus, en disant: «Éloigne-toi de moi, Seigneur, car je suis un homme pécheur.» En effet, un grand effroi l’avait saisi, lui et tous ceux qui étaient avec lui, devant la quantité de poissons qu’ils avaient pêchés; et de même Jacques et Jean, fils de Zébédée, les associés de Simon. Jésus dit à Simon: «Sois sans crainte, désormais ce sont des hommes que tu prendras.» Alors ils ramenèrent les barques au rivage et, laissant tout, ils le suivirent.
Holy Gospel of Jesus Christ according to Saint Luke (Lk. 5, 1-11)
While the crowd was pressing in on Jesus and listening to the word of God, He was standing by the Lake of Gennesaret. He saw two boats there alongside the lake; the fishermen had disembarked and were washing their nets. Getting into one of the boats, the one belonging to Simon, he asked him to put out a short distance from the shore. Then he sat down and taught the crowds from the boat. After he had finished speaking, he said to Simon: “Put out into deep water and lower your nets for a catch.” Simon said in reply: “Master, we have worked hard all night and have caught nothing, but at your command I will lower the nets.” When they had done this, they caught a great number of fish and their nets were tearing. They signaled to their partners in the other boat to come to help them. They came and filled both boats so that the boats were in danger of sinking. When Simon Peter saw this, he fell at the knees of Jesus and said: “Depart from me, Lord, for I am a sinful man.” For astonishment at the catch of fish they had made seized him and all those with him, and likewise James and John, the sons of Zebedee, who were partners of Simon. Jesus said to Simon: “Do not be afraid; from now on you will be catching men.” When they brought their boats to the shore, they left everything and followed him.
WEES NIET BANG, IK ZAL MENSENVISSERS VAN U MAKEN…
Wij zijn allemaal kleine mensen met een grote opdracht. Want we mogen dienaars zijn van de grote droom, het grote project van Gods Rijk.En daarin mogen we allemaal ons steentje bijdragen, op onze manier en binnen de ons toegemeten tijd.Mensen kunnen op vele manieren dienstbaar zijn. Maar aan het begin van die levenslange opdracht staat altijd de vraag: Wat is het plan van de Heer voor mijn en voor ons leven? Wat verwacht Hij van mij, van ons? Welke keuzes moet ik, moeten wij nu, op dit moment maken om daaraan te beantwoorden?
**Jezus stelt in het evangelie van vandaag drie vragen aan Simon: **(En Simon - dat ben jij, dat ben ik…) Mag ik in jou bootje instappen en even met je mee varen? Steek jij maar een weinig van wal – ik wil de menigte aanspreken vanuit jouw boot, vanuit jouw manier van dagdagelijks leven en doen! Vaar nu naar de diepte, en werp dààr de netten uit voor de vangst. Niet aan de oppervlakte blijven, niet een beetje vrijblijvend surfen en wat spelevaren zonder risico’s te nemen en je te wagen aan weer en wind en aan het diepe water… Wil jij mensenvisser worden? Wil jij mensen ophalen uit alle soorten van el-lende en dood, uit een bestaan van niets en niemand zijn. En wil je hen in Mijn Naam leven schenken, in overvloed..? Een mensenvisser is: iemand die ziet hoe een ander mens dreigt te verdrinken en te weg te zinken in zeven zeeën van ellende, wanhoop en verdriet (‘el-lende’ is letterlijk: uit-het-land- zijn, alle grond onder de voeten kwijt zijn, bestendig verblijven in ‘niemands-land’…) Wil jij diegene zijn die zich dat aantrekt, de enige misschien? Die voor de drenkeling wat grond onder de voeten probeert te bieden, en hem zo probeert op adem te laten komen en in leven te houden. Geroepen zijn is: ver-antwoord-elijk willen zijn. Al was het maar voor één ander mens. Hoe doe je dat, mensenvisser zijn? Hier in de gevangenis? We kunnen alvast beginnen met elkaar dag na dag het leven proberen aan te doen, en niet de dood. Door elkaar telkens weer te respecteren en hoog te achten, te promoveren en groter en sterker te maken, in heel kleine, dagelijkse dingen. Kansen grijpen om centimeter na centimeter elkaar boven water te brengen en te houden. Een ander verheffen – niet vernederen. Bemoedigen – niet kopje onder duwen. Groter maken – niet kleineren… dat alleen al zal alvast zorgen voor een goed gevulde dagtaak en een stevige agenda! Als christenen moeten we regelmatig wat tijd maken om te bidden, hier bijvoorbeeld, in de kapel. elke zaterdag of zondag een uurtje. Of in de eenzaamheid van onze cel, een momentje tijd proberen te nemen om de dag te beginnen, vooraleer je opstaat. Of ’s avonds, als er weer een dag voorbij is, en alles uit handen probeert te geven, in de hoop dat je goed zult kunnen slapen.… Bidden at is op de eerste plaats luisteren en op zoek gaan naar een antwoord op die allerbelangrijkste vraag: Wat verlang Jij, God, van mij? “Heer, wat is Uw plan met mij?”, “Wie verlangt Gij dat ik ben, wat verlangt Gij dat ik doe?”
N’ayez pas peur, je ferai de vous des pêcheurs d’ hommes.
Nous sommes tous de petites personnes avec une grande tâche. Car nous pouvons être les serviteurs du Grand Rêve, du Grand Projet du Royaume de Dieu. Et en cela, nous pouvons tous faire notre part, à notre manière et dans le temps imparti. Nous pouvons être des serviteurs de bien des façons. Mais au début de cette tâche de toute une vie, il y a toujours la question suivante: quel est le plan du Seigneur pour ma vie à moi, pour notre vie ? Qu’attend-ilI de moi, de nous? Quels choix dois-je, devons-nous faire maintenant, à cet instant, afin de répondre à cette question importante?
Dans l’évangile de ce jour, Jésus pose trois questions à Simon: (Et Simon - c’est toi, c’est moi…)
- Puis-je monter dans votre bateau et naviguer avec vous un moment ?
- Naviguez maintenant vers les profondeurs, et jetez là vos filets pour la prise.
- Voulez-vous devenir un pêcheur d’ hommes? Un pêcheur d’ hommes est: quelqu’un qui voit comment un autre être humain menace de se noyer et de sombrer dans les sept mers de la misère, du désespoir et du chagrin (“misère” se traduit en Néerlandais comme ‚el-lende‘ – ça signifie littéralement : être hors du pays, avoir perdu tout terrain sous ses pieds, être en permanence dans le “No Man’s Land”…) Veux-tu être celui, le seul peut-être, qui s’en soucie? Celui qui tente d’offrir à l’homme qui se noie un peu de terre sous ses pieds, et qui essaie ainsi de lui permettre de reprendre son souffle et de le maintenir en vie. Être appelé, c’est vouloir être responsable. Peut-être seulement pour une autre personne. Comment faites-vous ça: être un pêcheur d‘ hommes? Ici, en prison? Nous pouvons commencer par essayer de donner un peu de la vie à l’autre, jour après jour, et ne pas provoquer la mort. En se respectant et en s’estimant mutuellement, encore et encore, en s’encourageant et en se rendant mutuellement plus grands et plus forts, dans de toutes petites choses quotidiennes. Saisir les occasions de se soulever mutuellement petit à petit et de maintenir à faire ça. Élever l’autre - ne pas l’humilier. Encourager- ne pas enfoncer. Faire un autre plus grand - ne pas le faire plus petit… Voilà qui garantit une journée de travail bien remplie et un agenda solide! En tant que chrétiens, nous devons régulièrement prendre du temps pour la prière/ Ici, par exemple, à la chapelle. Ou dans la solitude de votre cellule, essayer de prendre un moment pour commencer la journée, avant de se lever. Ou le soir, quand encore une journée s’est écoulée, en essayant de tout lâcher et de donner le jour qui est passé dans les mains de Dieu, en espérant pouvoir bien dormir alors… La prière, c’est avant tout écouter à la voix de Dieu, et chercher une réponse à la question la plus importante: Que veux-tu, Dieu, de moi ? “Seigneur, quel est Ton plan pour moi et pour ma vie?”, “Qui veux-Tu que je sois, que veux-Tu que je fasse ?”.
Do not be afraid; from now on you will be fishers of people.
We are all little people with a great mission. For we may be servants of the Great Dream, the Great Project of God’s Kingdom. And in it we may all do our part, in our way and within our allotted time. People can be servants of God’s Kingdom in many ways. But at the beginning of that lifelong task is always this question: What is the Lord’s plan for my life and for that of all of us? What does He expect from me, from us? What choices must I, must we make now, in this moment, to answer at His Question?
Iin the gospe of this sunday, Jesus asks three questions to Simon: (And Simon - that’s you, and that’s me…)
- May I get into your boat and sail with you for a while?
- Now sail to the depths, and cast out the nets for the catch there.
- Do you want to become a fisher of men? A fisher of men is: someone who sees how another human being is in danger of drowning and sinking in seven seas of misery, despair and sorrow (in dutch, ‘misery’ sounds like: ‘el-lande’: being out of the country, out of the land, having lost all ground under one’s feet, residing perpetually in ‘No Man’s Land’…) Do you want to be the one who cares, the only one perhaps? The one who tries to offer the drowning man some ground under his feet, and thus tries to let him catch his breath and keep him alive. Being called is: wanting to be responsible. Maybe only for one other person. How do you do that, be a fisher of men? Here in prison? We can already start by trying to give life to each other, day after day, and not give death. By respecting and esteeming each other over and over again, promoting and making each other bigger and stronger, in very small things of everyday. Seizing opportunities to bring and keep each other above water inch by inch. Elevating another - not humiliating them. Encouraging - not pushing them head over heels in the shit. To make him or her bigger - not to make smaller… That alone will ensure for you a well-filled day’s work and a solid agenda! As Christians, we should regularly make some time to pray, here for example, in the chapel. an hour every saturday or sunday. Or in the solitude of our cell, trying to take a moment to start the day, before getting up. Or in the evening, when another day has passed, trying to hand everything over in the hands of God, hoping that you will be able to sleep well after this little payer… Learning to pray is first of all learning to listen and to look for an answer to that all-important question: “God, what do You want from me? “Lord, what is Your plan for me?”, “Who do You desire me to be, what do You desire me to do?”
Vroeg iemand aan de wijze:
‘Wat moet ik doen om gelukkig te zijn?’
En de wijze antwoordde:
‘Werp je net uit naar alle kanten;
wie in de mazen geraakt is je broer.’
Someone asked to the sage:
“What must I do to be happy?
And the sage replied:
‘Cast out your net to all sides;
whoever gets into the meshes, he is your brother.’
Quelqu’un a demandé au sage:
“Que dois-je faire pour être heureux ?
Et le sage répondit:
“Lancez votre filet de tous côtés;
Celui qui tombe dans le filet est ton frère.”