5e zondag door het jaar C

C-cyclus · Tijd door het jaar · 5e zondag · groen

Homilie op de 4e zondag door het jaar C: “Geen profeet in eigen

land!” (Lc. 4, 21-30)

Tielt, 3 februari 2013

“Eigen volk eerst” is voor vele volkeren een grote bekoring geweest door de hele geschiedenis heen. Ook voor een bepaalde politieke partij in Vlaanderen is dat de slogan waarmee ze succes haalde. “Eigen volk eerst”, daar steekt iets goeds in. We mogen en moeten fier zijn op onze bewogen geschiedenis, op wat mensen in Vlaanderen gerealiseerd hebben.

Dat was ook zo in Jezus’ tijd. De mensen van zijn land en vooral van zijn dorp waren fier op Jezus die zoveel mensen op de been bracht en die zo ontroerend mooi kon spreken. “Allen, zo hoorden we zopas in het evangelie, betuigden Hem hun instemming omdat woorden, zo vol genade, uit zijn mond stroomden.” Die van Nazareth meenden zelfs een streepje voor te hebben op die van de andere dorpen en steden. Een beetje zoals de Kanegemnaars, van wie vroeger gezegd werd dat ze van niets weten, thans zo fier zijn op hun dorpsgenoot Kard. Danneels die wel iets weet.

En toch werd Jezus op korte tijd niet meer aanvaard bij zijn eigen volk, net zoals de grote profeten uit het Oude testament Elia en Elisa in hun tijd door hun eigen volk verstoten werden. Jezus’ eigen volk was woedend, joeg Hem de stad uit en wou Hem zelfs doden. Waarom die plotse ommekeer?

Omdat Hij optrad als een profeet, d.w.z. als iemand die de mensen niet naar de mond praatte, hun op hun fouten wees, op hun zere en lange tenen trapte en omdat Hij een zeer veeleisende boodschap verkondigde waardoor ze een andere manier van leven zouden moeten aannemen. Zo’n optreden stoot af.

Dat is niet zo verleidelijk als de boodschap van sommige verkondigers op onze dagen die het evangelie herleiden tot een sympathiek humanisme en een aantrekkelijke vorm van medemenselijkheid. En daarbij zeggen ze: “Daarvoor hoef je niet te bidden of naar de kerk te gaan.” Dat laatste is juist. Je hoeft niet te bidden om iemand te beminnen. Je moet een onmens zijn om niemand te beminnen. Je zult ook niemand choqueren als je een sukkelaar, op gelijk welk gebied, helpt: een blinde die de straat wil oversteken, een zieke die hulpbehoevend is, een mens die geen eten heeft. Je zou een monster zijn als je niet bereid bent die dienst te bewijzen. Niemand zal het je kwalijk nemen als je hem of haar vraagt zich te excuseren voor een misplaatst woord of een verkeerde daad. Dat je zoiets doet, lijkt elementaire hoffelijkheid. Dat is gewoon mens zijn.

Maar als je zegt dat je ook je vijanden moet liefhebben, de mensen die je veel kwaad en schade berokkend hebben, die je misschien door het slijk gehaald hebben, dan bots je op verzet. Als je verkondigt dat je verder diensten moet bewijzen ook aan hen die nooit “dank je” zeggen, dan lijkt dat ongehoord.

Wee de predikant die, zoals het gevraagd wordt in het evangelie, durft beweren dat je altijd weer moet bereid zijn tot vergeven, zelfs tot 70 maal 7 maal. Dat lijkt heel naïef. En de toepassing van het evangeliewoord “Wie dubbele kleding heeft moet de helft weggeven”, zou een storm van verzet ontketenen in elk gezin, zeker als je de kleerkast van sommige dames kent.

Wie zo iets zegt komt in aanvaring met het zogezegde gezond verstand, de ergste vijand van de blijde boodschap in het evangelie. Gezond verstand is immers een subtiel masker voor angst. De grootste behoefte van de mens is veiligheid. Sommige steden hebben sinds kort zelfs een schepen voor veiligheid. Ook de reclame speelt daar thans sterk op in: veilige belegging van je geld, pensioensparen om je oude dag te beveiligen, je huis beveiligen tegen inbrekers. Veiligheid ook in ons levenspatroon. Zelfs als je zich er niet al te goed in voelt, wil je dat niet gauw verlaten. Je weet maar nooit. Die drang naar dat soort veiligheid is de keerzijde van de angst. Wie dat soort veiligheid in vraag stelt, roept altijd wrevel en weerstand op. Dat wordt vertaald in angst voor asielzoekers, in de vrees vooral dat je van levenswijze zal moeten veranderen en dat je niet langer je zal kunnen koesteren in je veilig coconnetje. Mensen installeren zich zo graag en zo gemakkelijk in wat ze zijn en hebben, in een soort bourgeoismentaliteit die zo nefast is en zo tegengesteld aan het evangelie. Over dat soort bourgeois zong jaren geleden Jacques Brel reeds dat brutaal lied: “Les bourgeois, c’est comme les cochons: plus ça devient vieux, plus ça devient bête “ (hoe ouder, hoe stompzinniger)!

Daarom zijn we echt knap in het machteloos en monddood maken van de ware profeten. Dat was het lot van de profeten in het Oude Testament. Dat lot onderging ook Jezus bij zijn eigen volk. Ook de jongste geschiedenis vertelt ons hoe gevaarlijk het is tegen de gangbare opinies in te gaan en b.v., zoals Jezus deed, radicaal de kant te kiezen van de marginalen. Gandhi werd daarvoor in India vermoord, Martin Luther King in de States en bisschop Romero in El Salvador.

Voor ons ligt er vandaag een zware gewetensvraag, nl.: durven wij het aan, een jaar lang, weekend na weekend, in de kerk de boodschap, de profetie, de uitspraken van Jezus te beluisteren zonder te zeggen “Je hoeft dat allemaal niet zo letterlijk te nemen!” Als we heel onbevangen zouden durven luisteren, zouden we uit ons veilig beschut leventje moeten treden. Is het misschien daarom dat vele mensen niet graag naar de kerk komen? Je hoort hier immers altijd de boodschap van het liedje “The man in the mirror” (De man in de spiegel), nl.: “Make a change! (Man, je moet anders gaan leven!)”

Een leuke boodschap is dat niet. Daarom precies wilden ze Jezus uit de weg ruimen. Daarom ook wordt Jezus’ boodschap door velen ook nu niet aanvaard.

G. Buyse, pastoor-deken em. Tielt


Homilie op de 5e zondag door het jaar C (Jes. 6, 1-2a.3-8) en Lc. 5, 1-11):

“Blijven zwoegen zonder iets te vangen!”

Tielt, 10 februari 2013

De evangelietekst, die we zopas beluisterd hebben, lijkt wel uit het leven van de hedendaagse pastoraal in de Kerk gegrepen. Vissers die moedeloos, na een nacht vruchteloos vissen, hun netten spoelen op het strand. Ontgoocheld kijken ze naar hun lege vissersboot.

Sinds lang is dat bootje het symbool van de Kerk. Veel goed menende kerkmensen herkennen zich in de ontgoochelde Petrus die zegt: “ We hebben de hele nacht gezwoegd maar niets gevangen.” Ontmoedigd kijken ze naar het schip van de Kerk dat leeg dreigt te lopen.

Er zijn in de Kerk veel ontgoochelde mensen.

Ik denk daarbij aan de ouders die hun best hebben gedaan om aan hun kinderen het geloof door te geven en voor te leven in woord en daad. Maar hun kinderen zijn afgehaakt: geen een die nog naar de kerk gaat.

Ik denk aan de priesters. Uren hebben ze besteed aan de voorbereiding van de homilie, samen met vele mensen uren geïnvesteerd in een inspirerende liturgie en een boeiend pastoraal aanbod. Maar elk jaar zien ze minder mensen in de kerk. En die vormelingen, die enkel gemotiveerd zijn voor het feest maar niet voor de geest, maken het de catechist heel moeilijk.

Ik denk aan de leerkrachten godsdienstleer in onze scholen. Hun les hebben ze goed voorbereid. Ze hebben hun best gedaan om de inhoud te actualiseren in het leven van de kinderen en jonge mensen. Maar toch komt wat ze zeggen niet over omdat er geen religieus klankbord is.

Er zijn zoveel ontgoochelde priesters, pastorale werkers en werksters, zoveel ontgoochelde gelovige ouders en vooral grootouders, zoveel ontgoochelde vrijwilligers en vrijwilligsters in de Kerk. Hard zwoegen en niets vangen! Leuk is anders.

Nochtans zijn er zoveel mensen in onze maatschappij die nood hebben aan zingeving, die zoals vissen snakken naar lucht, naar zuurstof. Er zijn zoveel drenkelingen in onze wereld die met moeite het hoofd boven water kunnen houden, die aan lager wal zijn geraakt, die, - om het in visserstermen te zeggen, - gestrand zijn, die uitgestoten en vereenzaamd op een vlot ergens dobberen op het woelige water, zonder houvast, zonder anker. Mensen die nood hebben aan een vangnet.

Ze hebben misschien van hun huwelijk het mooiste gedroomd. Maar na korte of lange tijd hebben ze ondervonden dat ze het contact met hun partner verloren waren. Via priesters, psychiaters, training, gesprekstherapie , kortom, via heel die moderne spirituele chirurgie en logopedie, hebben ze gepoogd hun gebroken relatie weer aan elkaar te lijmen. Zonder resultaat! Ze bleven achter met de kapotte scherven van hun dromen van geluk.

Misschien hebben ze veel energie gestoken in hun jongste zoon: een jongen met veel talenten maar met een onmogelijk karakter. Ze hebben op alle manieren gepoogd hem te helpen, meestal zacht en een paar keren hard. Maar niets hielp. Hard labeur en soms veel verdriet. Maar zonder resultaat.

Misschien zagen ze op hun bedrijf het onheil al aankomen. Ze hebben keihard gewerkt, hard gestudeerd, soms tot de late avond. Maar het bedrijf ging dicht. Ondanks hun kennis en ervaring kwamen ze nergens meer aan de bak: 50 jaar, te oud, te duur.

We hopen dat er in de Kerk nog steeds mensen zullen zijn die zich voor religieuze zingeving onbaatzuchtig inzetten: priesters, diakens en allerlei pastorale werkers en werksters. We hopen ook dat de laster tegen de Kerk, die in de laatste jaren vanuit vele kanten de Kerk bedreigt, hun werk niet te moeilijk of onmogelijk zal maken. Want de Kerk is thans in onze maatschappij een schietschijf. Soms terecht! Wat verkeerd is moeten we niet goedkeuren of goedpraten. Maar het is niet omdat enkelen zich bezondigen dat we allen verdacht moeten maken. Naast die enkele mensen in de Kerk die in de fout gingen, zijn er vele duizenden die zich dag in dag uit inzetten voor een spiritueel houvast en voor hoogstaande morele waarden, waaraan zoveel mensen op onze dagen een sterke nood hebben. Maak niet iedereen verdacht. Heksenjacht is nergens goed voor en soms onterecht. Dat heeft het verleden met de vele heksenprocessen, zoals het gebeurde met de zogezegde heks Tanneken Sconyncx in 1603, waaraan het beeld op de Grote Markt in Tielt ons herinnert, bewezen. En werken in een sfeer van verdachtmaking is bijzonder lastig en werkt verlammend.

Laten we bidden dat er ondanks alles wat we meemaken, heel wat bereidwillige mensen zullen zijn die luisteren naar de vraag die de Heer aan Jesaja stelde in de eerste lezing van vandaag: “Wie moet ik zenden? Wie zal voor ons gaan?” Mensen die dan met Jesaja zullen antwoorden: “Hier ben ik, zend mij!”

Meer dan ooit heeft onze maatschappij nood aan die gezonden mensen, die met Gods hulp en met veel edelmoedigheid elke dag zwoegen om Jezus’ blijde boodschap uit te dragen, zonder te bogen op eigen succes of zich te laten ontmoedigen door tegenslagen of ontgoochelingen, die voort doen ook als ze vaststellen dat hun zwoegen niet de grote vangst oplevert.

Laten we hopen en bidden dat zij, zoals Jesaja in de eerste lezing, het volhouden “te midden van een volk met onreine lippen.”

G. Buyse, pastoor-deken em. Tielt

Zoeken in Preken Online