Het huis van Simon, de leerlooier in Joppe aan de zee, was tot barstens toe gevuld. De feestelijke bijeenkomst liep al op haar einde toen iemand, een beetje verlegen, aan Petrus vroeg: “Hoe ben jij eigenlijk in dat schuitje van Jezus terechtgekomen?”
“Eigenlijk”, zo begon Petrus, “zit ik er voor niet veel tussen. Niet ik heb gekozen voor Hem, maar Hij voor mij. Ik voelde me beter thuis op mijn boot dan in de synagoge. Veel voorschriften van onze godsdienst nam ik niet zo nauw. Als visser heb je andere dingen om je hoofd en de vis wacht niet tot de sabbat voorbij is. Hoe dan ook, mijn kop stond op wat anders dan spirituele dingen. Ik was net getrouwd, de boot moest nog afbetaald worden en wij wilden vooruitkomen in het leven.
Toch was ik al geboeid geraakt door wat Jezus zei en deed of beter door zijn persoon. Hij had iets aanstekelijks. Als Hij het had over liefde en vriendschap, over delen en dienen, over vergeven en iedereen een plaats gunnen onder de zon - want dat doet God ook, zei Hij - dan voelde ik wel dat er nog veel moest veranderen bij mij. Ik wilde wel. Maar dikwijls zei Hij: “Niemand kan mijn leerling zijn als hij zich niet losmaakt van al wat hij bezit.” Daar had ik het erg moeilijk mee. Er zat vaart in ons vissersbedrijfje en ik wilde vooruitkomen…
Stilaan ontstond er vriendschap tussen ons. Hij kwam nogal eens bij ons aan huis. Op zo’n avond heeft Hij mij vrij direct aangesproken. De hele dag mensen ontmoeten, vooral veel mensen die ten einde raad waren, hadden Hem moe gemaakt. “Zie je niet, Petrus”, sprak Hij mij zachtjes toe, “hoeveel mensen op zoek zijn naar houvast? Velen bouwen hun leven op zand. Zie je niet dat een nood er is aan mensen die God concreet kunnen maken voor hen. Ze zijn als schapen zonder herder. Nochtans is er goeie wil, maar er zijn bezielde mensen nodig om die goeie wil tot leven te helpen komen. De oogst is groot, maar er zijn arbeiders tekort. Je moet er eens aan denken”. Het zei me wel iets, maar ik voelde mij zo klein en onmachtig. Ik had schrik…
De genadeklop - dat is het juiste woord - is pas later gekomen, eigenlijk geheel onverwacht. Het was een rotdag. Wij waren met Zebedeus’ jongens de netten aan het spoelen na een nacht zwoegen zonder iets te vangen, zelfs nog geen dode vis! Ik verlangde maar naar één iets: mijn bed. Komt Jezus daar nu niet langs, ziet onze ontgoocheling na de mislukte vangst en stelt toch wel voor zeker naar het diepe te varen en de netten opnieuw uit te gooien. Ik dacht bij mezelf: van mensen vangen weet Hij alles af, maar van vissen vangen niets. Toch was er in mij iets dat zei: doe maar wat Hij u zeggen zal. Wij dus weer de zee op.
Vrienden, hoe het allemaal gegaan is, weet ik niet, maar wij vingen vis zoals nooit tevoren. De terugtocht ging heel traag - wij waren overbelast. Wij waren nog niet terug aan de oever toen Hij zei: “Petrus, weet je, het is met heel veel mensen als met die vis. Zij zijn soms verdoken en onvindbaar in de massa, in een zee van onvrijheid, zinloosheid en niet weten waarheen. Maar God wil dat zij leven, dat zij gemeenschap vormen om Hem te leren kennen en anders te leven. Jij zou een goeie zijn om zo mensen samen te brengen. Ik heb het je al gezegd. Ik weet dat je wel zou willen, maar je hebt schrik. Vrees niet, Ik ben met je. Je hoeft niet perfect te zijn. Ik heb vertrouwen in je en in de kracht van Gods Geest die je doet groeien. Petrus, kom, volg je Mij, om mee mensen te vangen?”
Ik heb toen ja gezegd. Het was sterker dan mijzelf, maar ik had vertrouwen in Hem. Wat het allemaal zou meebrengen wist ik toen nog niet. Gaandeweg ondervond ik dat hij mij zou brengen waar ik eerst niet wilde komen. Soms heb ik nadien ook getwijfeld. Meer dan een keer dreigde ik weer te verdrinken in de zee van mijn eigenbelang, mijn berekening, geweld en overmoed. Maar Hij heeft geduld met mij gehad. Ik ben er zo dankbaar om.
Omdat Hij mij toen heeft opgevist mag ik nu zijn wie ik ben: een mensenvis¬ser. Zo zit ik nu in die schuit waarin ik zijn woorden mag herhalen en vertellen over Hem. Als ik zie hoevelen zich in onze gemeenschappen tot Hem bekeren, dan denk ik terug aan die boot vol vis van toen.
Soms ben ik ontmoedigd bij het zien van kleinzieligheid en eigenbelang in onze gemeenschappen. Maar ik heb vertrouwen in Hem. Hij is de stuurman van de boot.
Als de Heer de vis niet vangt vissen vergeefs de vissers…