* De voorgelezen evangelietekst is het vervolg van die van vorige zondag. Jezus treedt op in de synagoge van zijn eigen kleine stad Nazareth. Blijkbaar heeft Lucas twee verschillende optredens van Jezus in dit leerhuis aan elkaar gelast. Het begin van deze evangelielezing is het slot van die van vorige week. Jezus zegt dat de heilsboodschap die Hij zojuist verkondigd heeft nu in vervulling gaat. En de reactie is ‘verbazing’. Is dit ‘bewondering’ of is het ‘verrassing’ ? En waarom ?
1. Allen waren vol ‘verbazing’ over zijn leer…
-
Zij bleven verbaasd kijken (Gr. impf. ’ethaumadzon’), anders dan de voorbijgaande verwondering van de herders (Gr. aor. ’ethaumasan’). Durende ‘bewondering’ voor zulke leer die nieuw lijkt en verrukt, en tevens ‘verrassing’ die bijna ergernis wordt omdat van een timmermanszoon uit de buurt zulke les kwam. Jezus heeft niet gestudeerd aan de hogere rabbijnenschool zoals Paulus. Was Hij ooit op afzondering bij de monnikengemeenschap in de woestijn van Juda ? Reeds eerder had Lucas de twaalfjarige Jezus in de tempel geconfronteerd met de rabbijnen, die buiten zichzelf van verbazing waren (Gr. ’existanto’, ’exeplagèsan’ - 2,47.48) toen ze Hem gehoord hadden. Waar haalt Hij die kennis vandaan ? (Mt 13,54; Mc 6,2). Jezus verklapte zijn geheim aan de rabbijn Nicodemus: “Gij zijt leraar in Israël en weet dat niet eens ?… Wij getuigen van wat Wij gezien hebben” (Joh 3,11). “Mijn leer is niet van Mij, maar van Hem die Mij gezonden heeft…” (Joh 7,16).
-
Maar als profeet en Messias moet Hij voor hen wonderen doen ! (I Kon 13,5-6; Jes 38,7). Doch wonderen eisen is niet God dienen maar God in dienst nemen, wijst op ongeloof. Ware wonderen zijn onberekende flitsen van Gods liefde. Ze worden niet door mensen geprogrammeerd. Die gaan ze van Hem vragen, zeker als ze van zijn wonderdaden in Kafarnaüm zullen gehoord hebben. Kafarnaüm lag dicht bij het meer, op de grote karavaanweg met tolkantoor en een garnizoen. Daar was komen en gaan van allerlei volk, ook van niet-Joden. Voor Jezus een geschikte uitvalbasis. Daar zal Hij de knecht van de heidense honderdman genezen (Lc 7,1-10). Jezus wilde ‘buiten’.
-
Maar de inwoners van Nazareth verwachten een voorkeursbehandeling: als Hij echt de Messias is, dan behoort Hij hun toe. Hij is hun bezit ! Hij is toch van hun stad. Hij wordt hun vedette, hun ster, hun boegbeeld. Zelfs Jezus’ verwanten dreven hierin mee. De inwoners van Tremelo zeggen: “Jozef De Veuster is van ons”. Hij is ook de heilige Damiaan van Molokaï. Het Lievensdorp Moorslede roept: “Lievens is van ons”. Lievens is ook van de Ranchi-missie. Als de inwoners van Nazareth schreeuwen: “Jezus is van ons”, zegt Jezus: “Ik ben voor allen. Ik verwerp de inwoners van Nazareth niet. Ik verwerp evenmin de Joden. Maar ze moeten aannemen dat Ik ook met de anderen, zelfs met de heidenen ben”. Jezus herdefinieert zijn zending en illustreert zijn visie met verzwegen feiten uit het Oude Testament: Elia werd gezonden naar een weduwe in het heidense Sidon; en een niet-Jood, de Syriër Naäman, werd naar Elisa gezonden om te worden gereinigd.
*2. Dat was teveel. De bewondering sloeg om in woede. *
-
Ontgoochelde liefde wordt haat. Lucas getuigt hoe die ommezwaai bij Jezus in Nazareth slechts een voorspel was van wat later frequent in de missie van Paulus is gebeurd. In Pisidië, in Ikonium, in Tessalonika, in Korinthe, in Efese… sloegen Paulus’ toespraken telkens om van succes bij de heidenen naar verwerping door de Joden (Hand 13,48-50; 14,1-7; 17,2-5; 18,4-6; 19,8-9). Lucas was Paulus’ reisgezel en arts geweest. Hij had daar oog voor. Deze contrasten zijn hem eigen. Hij schreef zijn evangelie voor christenen uit het heidendom onder het leidmotief dat hij vooropstelde: “Heel de mensheid zal Gods redding zien” (Lc 3,6; Jes 40,5). Het uitverkoren volk is er niet voor zichzelf alleen. Israël was uitverkoren met de roeping Gods heil naar de hele wereld te brengen.
-
Jezus keek ’naar buiten’, verder dan de grenzen van zijn kleine stad. Het volk in de synagoge werd razend, en woedend gooiden ze hun Messias ‘buiten’. Deze scene heeft Lucas in Jezus’ parabel van de misdadige wijnbouwers herschreven: “Zij wierpen de geliefde zoon van de eigenaar buiten de wijngaard en doodden hem” (Lc 20,15). Hiermede opent Lucas het register dat niemand profeet is in eigen stad (4,24): “Zalig zijt gij, wanneer ze u uitstoten… verbannen… Op dezelfde manier behandelden hun voorvaderen de profeten” (6,22-23). Denk aan Jeremia (eerste lezing). “Dit geslacht wordt voor het profetenbloed verantwoordelijk gesteld” (11,50). Jezus moest ‘buiten’: “Het paste niet dat een profeet buiten Jeruzalem omkomt” (13,33). Met die verwerping bewijst Jezus paradoxaal dat Hij een ware profeet is. Die verwerping bewijst de echtheid van zijn roeping.
-
Maar ook buiten Jeruzalem zal Hij moeten: “De perskuip werd getreden buiten de stad” (Openb 14,20). Het kruis stond buiten de stadspoort zoals ook Stefanus buiten de poort werd gestenigd (Hand 7,58). Dit was de eerste aankondiging van Jezus’ passie (R. Girard, Le bouc émissaire) en het voorspel van zijn levenseinde. Maar eerst moest Jezus weg buiten Nazareth, de helling af en naar beneden, naar Kafarnaüm dat ruim 600 m dieper ligt bij het meer. Zijn verwerping uit zijn eigen stad was als het begin van zijn zogenaamde “neerdaling ter helle” om alle rechtvaardigen van welke tijd of natie ook, in zijn Rijk binnen te leiden: “Alle vlees zal Gods heil aanschouwen”.