4ez C 2013 Lk Jezus’ programmarede
De evangelielezing van vandaag krijgt nogal eens de titel: ‘geen profeet in eigen land’. Daar is iets van. We weten allemaal uit ervaring dat als iemand die ons heel nabij is ons raad geeft, dat we die meestal in de wind slaan. Het is pas als iemand die verder van ons afstaat hetzelfde doet, we dat meestal wel au serieux nemen. Vreemde ogen dwingen. Is dat hier ook zo? Is het omdat Jezus hun stadsgenoot is dat hier hetzelfde gebeurt? Ik denk dat het hier veeleer over iets anders gaat. Eerst zijn zijn toehoorders laaiend enthousiast over wat Jezus zegt en plots worden ze heel woedend. Hoe kan dat? De woorden die Jezus uitspreekt, komen van de profeet Jesaia en gaan over de Messias die God belooft, ‘Hij die blinden zal doen zien en de onderdrukten zal bevrijden’. Dat klinkt natuurlijk fantastisch, want vergeet niet dat het volk op dat moment leeft onder de overheersing door de Romeinen, ze leven onder bezetting, hun ‘vrijheid’ is dus zeer beperkt. Zij verwachten juist een Messias die de Romeinse bezetter zal verdrijven. Mocht dat nu gebeuren, dan zou dat natuurlijk fantastisch zijn. Dat is de eerste golf ,een golf van vreugde die door zijn toehoorders gaat. Maar Jezus zegt nog iets meer: ‘Ik ben gekomen om een genadejaar van de Heer uit te roepen’. Dàt wordt Hem niet in dank afgenomen. In de woestijn heeft het volk die 10 geboden van God gekregen. Dat zijn 10 kerngedachten die méér uitdrukken dan ze op het eerste gezicht lijken. Als wij ze opzeggen dan beginnen we met: Bovenal bemin één God, zweer niet ijdel, enz.’ Maar eigenlijk beginnen ze met: ‘Ik ben de Heer Uw God die u uit Egypte, uit het slavenhuis hebt verlost’. Dàt maakt de GEEST van de 10 geboden heel duidelijk: God wil de mens vrij maken uit slavernij. En er zijn vele vormen en gedaanten van slavernij, van onderdrukking, van onvrij ‘maken’. Wat God wil is LEVEN en dat voor alle mensen, geen leven waar het water u tot aan de lippen staat, niet alleen overleven, maar leven voor alle mensen. Dàt heeft het volk van Mozes goed begrepen. Opdat Gods bedoeling in het concrete leven mogelijk zou zijn, moeten ze hun ‘nieuwe samenleving’ in dat beloofde ‘land’ organiseren, structureren, regelen. Zo ontstaat de Mozaïsche wet, de wet van Mozes; de Bijbel noemt die kortweg : de Wet. Eigenlijk is het een goddelijk geïnspireerde wet. Jezus verwijst naar die Wet als Hij het heeft over ‘een genadejaar van de Heer’. Laat me dat even duidelijk maken. Gods volk leeft op dat moment nog in een landbouwmaatschappij die het moet hebben van wat de grond voort brengt. De wet zegt: ‘[telkens]wanneer je oogst, oogst dan niet tot aan de rand van uw akker en loop dan niet alles nog eens na om bijeen te rapen wat op de grond gevallen is, laat dat liggen voor de armen en de vreemdelingen.’ Om de 7 jaar schrijft de Wet ook Sabbathjaar voor. Dan moet de grond rusten, want de grond brengt méér dan genoeg voedsel voort: ‘er wordt dan niet geploegd, niet gezaaid. Wat dàn vrucht voort brengt, is voor de armen. Als er 7 keer een Sabbathjaar is geweest, dus 7x 7 jaar, dan moet er een genadejaar zijn. Ieder die in de loop van die 49 jaar zijn grond of zijn erf heeft moeten verkopen uit bittere armoede en als knecht (dus als ‘slaaf’) is gaan werken op de grond van een ander, krijgt in een genadejaar zijn bezit terug. Slaven worden vrij gelaten, schulden die mensen niet hebben kunnen terug betalen door bittere armoede, worden kwijt gescholden.’ Dààraan herinnert Jezus hen als hij het heeft over een genadejaar van God. Je kan begrijpen dat er in de synagoge nogal wat mensen zijn in een comfortabele positie die daar liever niet aan herinnerd worden. Jezus zit hen te dicht op hun vel. Uit eigenbelang laten ze dingen liever zoals ze zijn en jagen Hem liever weg. ‘De Messias zal blinden doen zien, gevangenen vrij laten en onderdrukten bevrijden’, dat klinkt heel mooi, God of de Messias zal dat doen!!, maar waar Jezus hen op wijst is dat ZIJ doof en blind zijn, dat ze niet willen horen of zien dat ZIJ het moeten doen, met Gods leiding en Gods kracht. En Jezus voegt er nog aan toe: maar God kàn hier niets omdat je niet écht met Hem meewerkt. Ook al in de tijd van de profeten Elia en Elisa kon God hier niets. Daarom stuurde Hij die profeten naar wat jullie ‘heidenen’ noemen, naar de Syriër Naäman en naar de heidense stad Sidon.
Wellicht is zo’n genadejaar nooit volledig vervuld, maar het geeft wel de weg, de richting aan die God vraagt de mens te gaan, ook voor ons in een totaal andere samenleving. Jezus is ons in Zijn tijd daarin voor gegaan, ons op velerlei vlakken een toonbeeld gegeven, het leven van een Zoon van God geleid, dat we misschien het best kunnen samenvatten in die bekende zin: ‘En Hij ging al weldoende rond’.