33 C 2007 (Maleachi 3, 19-20a) Lk 21,5-19
Schriftlezingen, schriftteksten, zijn gecomprimeerde teksten, heel erg kernachtig samengebalde teksten, bijna zoals gedichten. Als je een gedicht uitlegt, zeg je wel tien keer meer dan het aantal woorden die in de tekst staan, omdat het ene woord naar het andere verwijst, omdat bepaalde woorden verwijzen naar zaken,situaties, gevoelens zelfs buiten het gedicht of naar woorden of gedachten in andere al bekende teksten. Dat is ook zo in de teksten van vandaag en zeker in het evangelie van vandaag.
Als Jezus zegt: er komt een tijd dat van deze prachtige tempel in Jeruzalem geen steen meer op mekaar zal staan; en als zijn leerlingen vragen: wanneer zal dat plaats vinden en welke tekenen zullen we vooraf zien; dan klinkt die vraag voor de lezer van toen van het Lucasevangelie niet: wanneer zal de témpel verwoest worden, want dan is de tempel al verwoest als Lucas zijn evangelie schrijft: Lucas schrijft tussen 75 en 85 en de tempel is verwoest in 70. Geen vraag naar de verwoesting van de témpel! In een tekst staat niet altijd wat er staat, er staat meer dan wat er staat.
Onze evangelietekst baadt in een ganse mentaliteit en sfeer van die tijd: de apocalyptiek, d.w.z. het spreken en het gissen over het einde van de tijden.
En dan klinkt die vraag voor Lucas’ toehoorders niet: wanneer zal de témpel verwoest worden, maar hoe zullen we zien dat het einde der tijden nabij is?
En wat antwoordt Jezus daarop? Hij zegt niet wanneer en Hij waarschuwt zelfs: denk niet omdat er oorlogen komen, omdat het ene volk tegen het andere opstaat, omdat er gruwelijke dingen gebeuren, dat dit tekenen zijn van het einde der tijden. Dàt is wat sommigen ons wel zouden willen doen geloven. De vraag is alleen: waarom willen ze ons dat doen geloven?
Als God aan Mozes de tien geboden geeft, dan beginnen die geboden niet met: bovenal bemin één God, maar met: “Ik ben Jahweh, uw God, die u uit Egypte, uit het slavenhuis heb uitgeleid”. En daarmee is de kern gegeven van de tien geboden, hun essentie, hun wezen, waar het eigenlijk allemaal om gaat. En in feite zou bij ieder gebod die zin eerst opnieuw gelezen moeten worden.
Die zin: ‘Ik ben uw God die u uit het slavenhuis heb geleid’ zegt duidelijk wat God met de tien geboden eigenlijk wil.
‘Ik ben …..’.Hoe kunnen of moeten we die belangrijke zin dan interpreteren?
Het volk van God leefde in Egypte, onder de macht van de machtige Farao. En omdat zij voor de Farao vreemdelingen waren, waren ze zijn SLAVEN, geknecht op economisch, politiek, famieliaal, sociaal en psychologisch gebied. Ze dienden alleen opdat de Egyptenaren en vooral de Farao door hen er BETER van werden. Dat wil God niet, Gods schepselen, alle mensen, zijn GEEN SLAVEN, worden niet ge-bruikt of misbruik ten voordele van welke mens of mensen dan ook.
God bevrijdt hen uit de slavernij van Egypte. Maar eenmaal uit Egypte, uit die slavernij weggeleid, moeten ze nu een ander bestaan uitbouwen, een wereld zonder slavernij op welk gebied ook. Maar dat kennen ze niet, ze zijn de slavernij gewoon, ze hebben nooit iets anders gekend en weten niet hoe een andere wereld, de droom van God gestalte te geven. Dààrom krijgen ze van God de tien geboden, en de vertaling is niet juist: het zijn de tien WOORDEN, AANWIJZINGEN, om een leven uit te bouwen zoals God voor hen droomt: een leven van vrije, gelukkige mensen, een wereld die er voor het eerst in de geschiedenis van de mens zou komen. Als ze, die tien woorden van God volgen, dan worden ze gelukkige, vrij mensen. Niet tien verboden of geboden in de zin van als je niet doet wat ik je zeg dat zal IK je straffen, maar tien adviezen, tien richtlijnen ten leven, niet regels tot macht, maar tot vrijheid van allen.
En dàt is in hun wereld onbekend en blijkbaar ook nog in de onze, zeker in een wereld waar het blijkbaar in de menselijke genen zit ingebakken dat de mens streeft naar macht, naar overheersen, naar de baas willen zijn.
Dàt ondervindt het volk van God ook als zij het beloofde land (wat niet een territorium is, maar een staat van zijn, van leven) willen binnentrekken. Ammonieten, Amalekieten, Filistijnen, hun buurvolkeren dus, zij proberen hen die manier van leven te verhinderen omdat zij juist macht willen en hun buren hun macht willen opleggen.
Jezus zegt ons vandaag in de evangelielezing: niet alleen in de tijd van de Ammonieten, Filistijnen en Amalekieten is het zo geweest, ook nu nog en ook nog in de toekomst zal dat zo zijn. Volkeren zullen tegen mekaar opstaan, het ene koninkrijk tegen het andere, vrienden en familie zullen u uitleveren, gebouwen zullen plat gebrand worden, men zal u voorleiden aan koningen en gouverneurs omwille van Mijn naam, omdat Ik en Mijn volk niet kiest voor de macht en de machtigen maar juist voor de zwakken opdat er vrijheid en volle leven zou zijn voor iedereen. M.a.w., die stijd om macht, om heersen en overheersen tot in het gruwelijke toe, is van alle tijden. Stoor u daar niet aan, laat u daar niet door ontmoedigen, volg mijn adviezen, mijn 10 wegen ten leven en het land , het leven dat God u beloofd heeft, komt! Daarom vieren we volgende zondag ook het feest van Christus Koning, nl. onze wens en onze hoop dat de wereld ooit zal mogen ‘GEREGEERD’ worden door Christus. En ‘regeren’ is hier zelfs een verkeerd en slecht woord: maar dat alle mensen ooit mogen leven in een wereld zoals God die voor mensen droomt en zoals Jezus die ons voorgeleefd heeft. Maar het is een lange weg, over duizenden generaties. Maar als één generatie niet meewerkt, hypothikeert die de toekomst voor de volgende generatie, het is een stap terug naar het verleden in plaats van naar de toekomst.
‘Als u volhardt,” zegt Jezus ons in de laatste zin van het evangelie vandaag, “dan zult u uw leven winnen”.