32ste zondag C (2007)

C-cyclus · Tijd door het jaar · 32e zondag · groen

OPENINGSWOORD

Broeders en zusters, welkom. Wij zouden in deze viering eens heel bijzonder kunnen bidden voor de vele slachtoffers van oorlogsgeweld en van natuurgeweld.

Voor de doden. Daar gaat de eerste lezing en het evangelie over, over het leven na de dood. Wij willen bidden voor de levenden, die soms alles en iedereen verliezen. Daar gaat de tweede lezing over: dat zij bemoedigd en gesterkt mogen worden met alle goeds.

Danken wij God voor ons leven, voor hoe goed wij het hebben, want dat willen wij weleens vergeten.

Wij kunnen problemen hebben, soms heel grote, waaronder wij dreigen te bezwijken, maar dan mogen ook wij die leven denken aan de verrijzenis. De verrijzeniskracht van Jezus Christus werkt nu al in ons… vooropgesteld natuurlijk dat wij haar gebruiken, wij die kracht inroepen.

De in 1921 geboren Zwitserse schrijver Kurt Marti heeft ooit een stukje over de verrijzenis geschreven. Het gaat als volgt:

Jullie vragen: wat is de verrijzenis van de doden? Ik weet het niet.

Jullie vragen: wanneer is de verrijzenis van de doden? Ik weet het niet.

Jullie vragen: bestaat er een verrijzenis van de doden? Ik weet het niet.

Jullie vragen: bestaat er geen verrijzenis uit de doden? Ik weet het niet.

Ik weet alleen maar waar jullie niet naar vragen: de verrijzenis van de levenden. Ik weet alleen maar waartoe Hij ons roept: tot verrijzenis hier en nu.

Lieve mensen, ik weet zeker dat er een verrijzenis van de doden is. Wanneer die is? Op het einde van de wereldgeschiedenis. De Dag van het Laatste Oordeel, wanneer dat ook moge zijn!?

En ik weet met Kurt Marti zeker dat ook wij, de levenden, de verrijzeniskracht kunnen ervaren. Laten wij voor onszelf en voor alle mensen, die het hoe dan ook zwaar hebben, vragen dat zij door de verrijzeniskracht van Jezus Christus, mogen opstaan uit hun gevoel van leegheid en doodzijn.

Voor de keren dat wij Jezus’ verrijzeniskracht niet hebben gebruikt - en dus eigenlijk zijn inspanningen voor ons niet hebben gewaardeerd, willen wij God en elkaar samen om vergeving vragen.\

OPENINGSGEBED

Laat ons bidden. Almachtige eeuwige God, uw trouw is sterker dan de dood: wat Gij ons eens geschonken hebt, kan niemand ons ontnemen. Beveilig ons geloof wanneer de vrees ons voor een valse keuze stelt. En wanneer de vragen van het leven ons onzeker maken, sterk dan onze harten tot vertrouwen en standvastigheid. Door ons Heer Jezus Christus, uw Zoon… Amen.\

PREEK

Broeders en zusters, in het evangelie van vandaag is er sprake van de Sadduceeën. Dat zijn een soort Joodse kerkelijke leiders. In tegenstelling tot de Farizeeërs, óók Joodse kerkelijke leiders, geloven zij niet in de verrijzenis. In de eerste lezing wordt er gesproken over de Makkabeeën. Ook zij geloven wel in de verrijzenis. En dat terwijl zij nog in de tijd van het Oude Testament leven! Wij hebben maar een gedeelte van het martelingsverhaal gelezen, maar alle zeven broers gaven hun leven voor het geloof. Zij waren er van overtuigd, dat God hun er een ander en beter leven voor in de plaats zou geven.

De Sadduceeën komen bij Jezus Christus om met Hem te praten, of beter gezegd: om Hem zulke vragen te stellen, dat Hij vast komt te zitten. Een echt gesprek willen zij dus niet.

Ik heb als priester in de loop van de tijd natuurlijk al vele sterfgevallen meegemaakt en ik vind het altijd heel mooi als stervende mensen iets zeggen als “Ik ga naar mijn vader of moeder” of “Ik hoop straks weer mijn vrouw te zien”. Of ze wijzen op een foto en zeggen: “Die daar wacht op mij”.

Het zijn allemaal heel eenvoudige woorden, maar wel uitingen van een groot geloof, van een diep verlangen naar herstel van het leven. Het is een uiting van hoop, dat God alles ten goede zal keren.

Maar er zijn altijd mensen, die moeilijk doen over de prachtige dingen, die God voor ons heeft bereid. Er komen Sadduceeën bij Jezus Christus met een vraag: Stel nu eens, dat een vrouw meerdere keren getrouwd is geweest, hoe moet dat dan later? Van welke man zal zij dan de vrouw zijn? Zo proberen zij het geloof in de verrijzenis belachelijk te maken. Maar het antwoord is eenvoudig en helder: In deze wereld trouw je, in de andere wereld wordt er niet getrouwd.

Het nieuwe leven is een bij elkaar zijn, niet met één, niet met zeven, maar met iedereen. Leven bij God in de hemel betekent niet langer gescheiden zijn van anderen, en niet langer verdeeld zijn in jezelf. Hemel betekent, dat Gods kinderen één zijn met God.

Dat kunnen wij ons maar moeilijk voorstellen en daarom gebruikt Jezus Christus telkens andere beelden. Wij vormen, zegt Hij, één wijnstok waarvan alle ranken, wortels, bladeren, bloemen en vruchten samen het ene leven uitmaken. Hij zegt, dat wij samen aan één bruiloftsmaal zullen zitten.

De Sadduceeën maken de fout, die ook wij dikwijls maken. Wij stellen ons de eeuwigheid voor als een voortzetting van het aardse leven. Het begint natuurlijk al bij de kinderen. Pastoor, kunnen wij in de hemel voetballen, moeten wij er eten, slapen? En laten wij het nou maar toegeven: eigenlijk hebben wij volwassenen er ook geen idee van. Moet ik de hele eeuwigheid op een stoel zitten en naar God kijken? Het eeuwig leven, broeders en zusters, gaat ons menselijk voorstellingsvermogen ver en ver te boven. En wij kunnen er - net als Jezus Christus - alleen maar in beelden over spreken.

Jezus doet de vraag van de Sadduceeën dus af als niet ter zake doende. Hij baseert zijn geloof in de verrijzenis niet op spitsvondige redeneringen. Zijn verrijzenisgeloof vindt zijn wortels in zijn vertrouwen op de God van zijn volk. Die God - leerde de Joodse geschiedenis - was de God van Abraham, Isaäk en Jakob, de God van alle voorouders. En die God had zich het lot aangetrokken van een klein en machteloos volk dat in Egypte slavenwerk moest verrichten. Die God had alles ten goede gekeerd. Diezelfde God, die zorg draagt voor arme en ontredderde mensen zal zelf geen enkel mens van goede wil aan zijn lot overlaten of in het donkere niets laten verdwijnen.

Daarom zegt Jezus Christus: Onze God is geen God van doden, maar van levenden. Dat betekent: God laat ons niet over aan de dood. Er wacht nieuw leven. Een belofte bijna te mooi bijna om waar te zijn. Maar Hij heeft het wel beloofd.

Broeders en zusters, het is goed, dat wij hier samen in de Kerk zijn. Maar laten wij ook de komende week voor een paar momenten van rust zorgen. En laten wij dan die waarheid diep tot ons doordringen. Zeggen wij het een paar keer tegen onszelf: God zal alles ten goede keren … God zal alles ten goede keren. Voor wie dat kan geloven is het leven een stuk gemakkelijker.

Misschien is ons geloven nog een beetje zwak. Dan is het goed om even te kijken naar wat de Kerk ons te geloven voorhoudt. Dan kunnen wij God vragen of Hij ons daarbij wil helpen.

In het elfde artikel van de geloofsbelijdenis staat: Ik geloof in de verrijzenis van het lichaam. De Kerk gelooft dat een mens een eenheid van lichaam en ziel is. De dood is dan ook alleen maar een tijdelijke scheiding van lichaam en ziel, totdat de wereld eindigt en alle doden verrijzen. De rechtvaardigen zullen, met lichaam en ziel, naar de hemel gaan, en de onrechtvaardigen zullen, met lichaam en ziel, naar de hel gaan. Het geloof in de wederopstanding biedt geen ruimte voor reïncarnatie of ervaringen na de dood. Wij, katholieken, geloven dat iedereen in lichaam èn ziel uniek is en dat geen enkel deel van iemand gedupliceerd kan of zal worden, zelfs niet als het klonen van mensen ooit tot in de perfectie mogelijk zal zijn. Daarom geloven christenen dat de dood niet het laatste hoofdstuk van iemands leven is. Voor de gelovige is de dood een doorgang voor de ziel. Het lichaam en de ziel zullen uiteindelijk weer bij elkaar komen, omdat het lichaam nu eenmaal heeft deelgehad aan het goede dat de ziel heeft verricht of aan het kwaad dat de ziel heeft begaan. Zowel het lichaam als de ziel moeten worden beloond of gestraft in alle eeuwigheid.

De dood is voor christenen niet de droevigste dag, omdat wij vast geloven dat de zinsnede ‘als zijn evenbeeld gemaakt’ (Genesis 9, 6) betekent dat de ultieme bestemming van de mens in het volgende leven ligt. St. Augustinus (354-430 na Chr.) zei dat mensen niet voor deze wereld waren geschapen, maar voor de volgende.

Broeders en zusters, Jezus Christus prijst de mensen, die - eenvoudig van hart - zijn woorden aanvaarden. Laten wij niet zijn als de Sadduceeën, die allerlei ingewikkelde redeneringen opzetten waaruit zou blijken dat het allemaal niet waar is. Nee, wij geloven Jezus Christus of wij geloven Hem niet. Een middenweg is er niet. Wij kunnen weleens een moment van twijfel hebben, maar dan moeten wij studeren, bidden, in gesprek gaan met anderen. En dan een keuze maken: ik geloof of ik geloof niet.

Jezus Christus hoopt dat wij allemaal willen geloven, ook en met name in het leven na de dood. Juist om ons daarin te laten delen is Hij mens geworden en aan een kruis gestorven. Geloven wij in zijn grenzenloze liefde voor ons. Dan is al het andere heel gemakkelijk te aanvaarden.\

SLOTWOORD

De Russische schrijver Fjodor Dostowjewski heeft ooit het volgende verhaal aan het papier toevertrouwd.

Een vrouw stierf. Nooit van haar leven had zij ook maar één goede daad gedaan. Daarom grepen de duivels haar vast en gooiden haar in het eeuwige vuur.

Haar beschermengel keek toe en dacht: “Heeft zij nooit één goede daad gedaan die ik aan God zou kunnen vertellen?” Toen herinnerde deze zich hoe zij één keer in haar leven een uitje uit haar moestuin aan een arme bedelares had gegeven. Daarop zei God: “Geef haar het uitje om het vast te pakken en trek haar daaraan naar boven. Als het je lukt om haar zo uit de vuurzee te trekken is ze gered, anders moet ze branden in het eeuwige vuur.”

De engel deed het. De vrouw pakte het uitje en bijna was ze zo uit de vuurzee getrokken. Maar toen andere zondaars dat zagen, grepen ze zich aan haar vast om samen met haar gered te worden. Maar de boze vrouw gunde hun dat niet, ze begon met haar voeten te trappen en zei: “Blijf er af, dat is mijn uitje, jullie mogen niet met mij mee.”

Zodra ze dit gezegd had brak het uitje in tweeën en de vrouw viel terug in het eeuwige vuur. En haar beschermengel ging wenend heen.

Geen verhaal met een happy end, maar het geeft wel aan hoe de kleinste goede daad belangrijk kan zijn. Belangrijk voor een betere wereld voor jouzelf èn voor anderen. Een betere wereld hier en nu, en ook later.

Doen wij het goede, iedere dag opnieuw. En als het ons m.b.t. sommige mensen veel moeite kost, omdat wij ze niet zo mogen, laten wij dan denken aan de verrijzenis. Wie wil verrijzen, opstaan, moet ook nu al opstaan om voor wie dan ook het goede te doen.

Zoeken in Preken Online