Het evangelie dat dit weekeinde wordt gelezen lijkt de komische toer op
te gaan. Er staat daar een vrouw in de hemel te pronken met zeven
mannen! Het zijn de Sadduceeën die dit nummertje opvoeren om het geloof
in het leven over de dood belachelijk te maken. Want zelf geloven ze
daar niet in. In een typisch rabbijns twistgesprek met Jezus proberen
ze hem te strikken. Het verrijzenisgeloof wordt het voorwerp van een
discussie-spelletje.
Maar op vandaag is dit geloof letterlijk
doodernstig. Een zekere professor Richard Dawkins uit Oxford schreef
daarover een uitdagend artikel. Hij stelt dat uiteindelijk het vaste
geloof in een leven over de dood heen de oorzaak was van de
terreurdaden op 11 september. Want de zelfmoordpiloten waren extreme
moslim-fundamentalisten die onwrikbaar vast geloofden dat ze als
martelaars triomfantelijk in het paradijs zouden opgenomen worden. Daar
wachtten hen dan nota bene 72 maagden als beloning. Nog wat anders dan
één vrouw met 7 mannen! Dawkins is niet mals voor de consequenties! "
Het geloof in het hiernamaals is de meest gevaarlijke onzin", schrijft
hij. En verder: “Godsdienst is zoveel als geladen wapens verspreiden op
straat. Je moet niet verbaasd zijn als ze gebruikt worden!”
Inderdaad dus een ‘doodernstige’ kwestie. Want dit geloof heeft niets
en niemand ontziende terreurdaden aangericht. Zo’n geloof moet
uitgeroeid worden. Dawkins staat duidelijk aan de kant van de
Sadduceeën. Hij zal het geloof in een hemel met 72 maagden voor één man
al even belachelijk vinden als het verhaal van de Sadduceeën met de
zeven mannen voor één vrouw. Dat vinden wij trouwens ook. Maar iets
anders is het hiernamaalsgeloof zelf en de voorstelling ervan. En nog
iets anders is de vraag of ons geloof in een hiernamaals inderdaad
gevaarlijke onzin is.
Het woord ‘verrijzen’ is beeldspraak. Het
betekent letterlijk opstaan uit de slaap. Dat wordt dan toegepast op
het verrijzen of opstaan uit de dood. Maar wat gebeurt na de dood is
niet meer te verwoorden met onze taal. Niemand kan zeggen “ik ben dood”
als hij/zij overleden is. ‘Verrijzen’, ‘hiernamaals’ en ‘hemel’ zijn
allemaal menselijke woorden over een bestaanswijze die buiten de
grenzen van ruimte en tijd ligt. Wij mensen kunnen niet om de hoek van
de dood kijken. De dood is voor ons een absolute grens. We zeggen dat
het ‘andere’ leven aan de overkant van de dood ‘onsterfelijk’ is. Het
overstijgt onze sterfelijkheid. Maar hoe dat overstijgen is, hoe het
‘verrijzenisleven’ is , is niet vast te stellen . De Sadduceëen begaan
de fout dat ze de hemel zien als een verlenging van dit aardse bestaan.
Jezus maakt duidelijk dat de hemel geen binnenwerelds gebeuren is. Er
wordt dus niet meer gehuwd. En de doden zijn in het ‘andere leven’ als
’engelen’ of ‘kinderen van de verrijzenis’ en ‘kinderen van God’. Je
zou kunnen zeggen: de doden zijn in de hemel dezelfden, maar het is
niet meer hetzelfde als hier.
In tegenstelling met de Sadduceeën
gelooft Jezus wèl in een hiernamaals en in een nieuw en ander leven
over de dood heen. In hun twistgesprek betaalt Jezus de Sadduceën met
gelijke munt. Want hij citeert een tekst uit de Tora van Mozes die de
Sadduceën ook aanvaarden. De tekst waar God spreekt tot Mozes in het
verhaal van de brandende doornstruik (Ex.3):“Ik ben de God van Abraham,
de God van Isaac,de God van Jacob.” Jezus proclameert dat de
aartsvaders voor God niet dood en begraven zijn. Voor Hem zijn ze
levenden. De verbondenheid is door de dood niet verbroken. Voor God
leven ze allemaal. Hij is een God van mensen. Hij keert zich
onvoorwaardelijk naar ons. Hij is Jahweh: “Ik zal er zijn.” Hij is er
in het leven en bij de dood. Hij gaat mee met zijn mensen, zijn
“kinderen”. Hij gaat met ons mee door de dood heen. Psalm 16 verwoordt
het zo innig:" Aan de macht van de dood geeft Gij mij niet prijs, in
vreugde ben ik bij U, God, voorgoed."
Is dit alles geen wishful
thinking? Onze wensen, onze dromen voor werkelijkheid nemen? Is het
geen illusie? Geen ‘projectie’? Is geloven in eeuwig leven niet
veroorzaakt door onze behoefte aan zin, aan een doel in het leven, en
vooral een houvast om het uit te houden als het heel moeilijk is? Maken
we onszelf niets wijs?
Het is niet omdat we behoefte hebben aan
‘iets’ dat dit ‘iets’ (nl. het hiernamaals) bestaat of niet bestaat.
Als we spreken over ‘projectie’ weten we ook dat het geloof in eeuwig
leven botst met onze behoefte aan verstandelijke zekerheid en inzicht.
De vraag is ook waarom mensen van alle tijden en beschavingen nood
hebben aan zo’n ‘projectie’. De dood als definitief einde is blijkbaar
niet zo vanzelfsprekend. Zeker niet voor de liefde. En het zijn de
liefdeservaringen van mensen die ons een vermoeden geven van wat met
hiernamaals en eeuwig leven kan bedoeld worden. De liefde overstijgt
hier op aarde reeds tijd en ruimte. Er is een ‘warme’ liefde tussen
mensen, maar niet van 100 Celsius. En er is ‘veel’ liefde tussen
mensen, maar niet van 100 meter .of van 55 kg. Als de kracht van de
liefde reeds het materiële overstijgt, zou de kracht van Gods Liefde
dan niet de dood kunnen overstijgen? We kunnen ook spreken van
transformatie. De liefde ervaart de geliefde medemens als zoveel meer
dan een lichaam. De liefde maakt de geliefde mooi, goed en
beminnenswaard. De geliefde is uniek en anders dan alle anderen. Een
God die ons persoonlijk bemint, die ons kent bij name, onze schepper en
Vader, kan ons sterfelijk bestaan transformeren tot een hemels
onsterfelijk leven. Zo mogen we geloven. In dit verband wijst men graag
naar het beeld van de trage lompe rups die zich inspint en zich ontpopt
tot een mooie vlinder die snel en sierlijk zich in het zonnige licht
vliegend koestert. Wat een wonderlijke transformatie van een en
hetzelfde wezen!
Ook in het hiernamaals-geloof gaat het om dezelfde
mens die over de dood heen wordt getransformeerd. Het bestaan in het
‘andere’ leven is hoe dan ook het bestaan van een mens. Niet het
vrijkomen van een onsterfelijke ziel uit de kerker van het lichaam. Dat
was de Griekse opvatting. In de joods-christelijke traditie gaat het om
’lichamelijke verrijzenis’, wat betekent dat de mens die anders en
nieuw leeft over de dood menselijk blijft. Paulus spreekt daarom van
een ‘vergeestelijkt lichaam’. Maar ook deze benaming verwijst naar een
onvoorstelbare werkelijkheid. Het leven over de dood heen is
deelhebbing aan het leven van de Eeuwige. Onze verbondenheid met hem is
daarvoor de grondslag.
Rest nog de uitspraak dat het
verrijzenisgeloof gevaarlijk zou zijn. Dat hebben we vroeger nog
gehoord. Marx vond dit geloof ‘opium van het volk’. Gevaarlijke
bedwelming. Een zoethoudertje. En ook een koesthouder. Opdat mensen
niet in opstand zouden komen tegen het onrecht en de uitbuiters
aanklagen. Het gevaar van het verrijzenisgeloof is dat we het
hierNUmaals zouden ontvluchten en ons zouden ontrekken aan onze
verantwoordelijkheid. Jezus zelf heeft zieken niet naar een ’later’
leven verwezen, aan de overkant van de dood, waarin alles terug goed
zou komen. Hij heeft ziekte bestreden en mensen genezen. Ook de
preekverhalen over het dode dochtertje van Jaïrus, de jongen van Naïm
die begraven werd, en Lazarus die al vier dagen in het graf was,
verkondigen een Jezus Christus die een is met God “die de doden doet
leven”.
Jezus stond eveneens in verzet tegen alle vormen van
onrecht en mensonwaardigheid. Hij nam het op voor armen, misdeelden en
onreinen. Het Rijk Gods van gerechtigheid, liefde en vrede dat Jezus
preekte was wel degelijk een Rijk Gods voor hier en nu. En voor hem is
het ook de liefde die nu reeds eeuwigheidswaarde heeft. Daarom kon
Johannes schrijven: “We zijn overgegaan van de dood naar het leven,
omdat wij onze broeders liefhebben”(1 Joh.3,14) De liefde van mensen,
die de liefde is van God in ons, is sterker dan de dood. Deze hoop doet
ons leven in de liefde waarin wij geloven.
32e zondag door het jaar C (2001)
C-cyclus · Tijd door het jaar · 32e zondag · groen