Eigenlijk hadden ze niet tegenover elkaar mogen staan: die moeder met haar zeven zonen, die allen de marteldood zijn gestorven; en die vrouw met haar zeven mannen, waarvan de Sadduceeën zich afvragen: wie van hen zal haar bezitten als er een hiernamaals is. Ze staan ook niet tegenover elkaar. Want die vrouw met zeven mannen is ontsproten uit de fantasie van hen die niet geloven in de verrijzenis; terwijl die moeder met haar zeven zonen één groot, levend getuigenis is van het onverwoestbaar geloof in de verrijzenis.
Het is jammer dat het verhaal van die moeder niet helemaal gelezen is. Het is een ontroerend verhaal van trouw aan de joodse wet; van diepe trouw tot in de dood, ja tot zelfs in de marteldood. Want zo gaat het: als je niet past in het schema en in het denkpatroon van anderen, dan word je kapot gemaakt. We zien dat heden ten dage nog steeds. Dan pakken ze je lichaam aan. Want dat is grijpbaar. Dan worden mensen uitgehongerd, gemarteld, gedood. En dan denken ze dat ze van je af zijn. Maar dat zijn ze niet. De vierde zoon zegt het heel nadrukkelijk: het is een troost door mensen te worden gedood, als wij van God mogen hopen en verwachten dat Hij ons weer doet verrijzen; maar voor u zal er geen verrijzenis ten leven zijn.
Deze moeder maakt zich meer zorgen over het leven van haar kinderen in het hiernamaals, dan over hun leven hier.
Heel anders wordt door de Sadduceeën die vrouw beschreven. Haar eerste man stierf, zonder kinderen. Hij had dus geen nageslacht. Zijn naam zou verdwijnen. Daarom moest zijn broer zijn taak overnemen. Maar ook hij liet haar kinderloos achter. En zo ging het tot zeven keer toe. De banale vraag van die Sadduceeën aan Jezus was: van wie zou zij in het eeuwig leven de vrouw zijn? En met dit verhaal willen zij het geloof in de verrijzenis belachelijk maken. Net als die Russische kosmonaut het geloof in God belachelijk wilde maken door te zeggen: ‘Ik heb tussen de sterren gevlogen en God was nergens te zien’. Maar Jezus doorziet de banaliteit. In een magistraal betoog gaat Jezus uit van God, die een God van levenden is, en geen God van doden. Hij is de God van de al eeuwen overleden Abraham, Isaak en Jakob. Voor God zijn zij allen levend. En niemand hoeft zich af te vragen met wie Abraham, Isaak en Jakob getrouwd zijn. Want dat is een vraag die je dan niet meer stelt. Daar wordt niet gehuwd en ten huwelijk gegeven. Want zij hoeven zich geen zorgen meer te maken over een nageslacht, zij zijn immers onsterfelijk!
Hier hebben we dus twee getuigenissen over de verrijzenis. Dat van die moeder met haar zonen, en dat van Jezus met zijn antwoord op dat banale verhaal. En daarom belijden wij: ik geloof in de verrijzenis van het lichaam en het eeuwig leven…
Een vrouw met zeven mannen en een moeder met zeven zonen
C-cyclus · Tijd door het jaar · 32e zondag · groen