Hoe kunnen we bidden tot de Vader? Hoe mogen we naderen tot Jezus?

C-cyclus · Tijd door het jaar · 31e zondag · groen

“Als je tot de Vader bidt, doe dat dan in het verborgene”[1]

Deze tip van Jezus klinkt erg vertrouwd, maar drukt ons toch vaak met de neus op de vraag : zijn wij wel goed bezig? Hoe moeten we bidden?

Vorige zondag hebben we in het evangelie[2] een weduwe ontmoet, bijna vruchteloos op zoek naar gerechtigheid. Na wat aandringen, maar vooral door volharding, kreeg ze wat ze zocht. En dan nog van iemand die je niet bepaald rechtvaardig kon noemen.

“Zie je dus,” zei Jezus, “als je volhardt in geloof, word je zeker verhoord, want als een goddeloze onrechtvaardige zwicht voor je aandringen, hoe veel te meer dan zal God dat doen!”

Blijven bidden is dus de boodschap. Maar dat is niet alles.

HOE moeten we bidden?

Toen de leerlingen eens aan Jezus vroegen : “Leer ons bidden”, zal Jezus zeker blij geweest zijn. Hij wist dat ze hem al dikwijls hadden zien bidden, maar over bidden hadden ze nog nooit instructies gekregen. Wat Jezus toen als gebedssuggestie meegaf, is tot het “Onze Vader” uitgegroeid.

Jezus gaf ook de aanbeveling om “in het verborgene” te bidden. Begrijpen wij wat Hij hiermee bedoelt? Hij zegt niet dat we niet in groep mogen bidden; integendeel, gemeenschap is een sterke pijler voor het beleven van ons geloof. Het “verborgene” dat Jezus bedoelt, is de intimiteit, de persoonlijke relatie die ontstaat wanneer wij ons oprecht tot de Vader richten. In die relatie stellen we ons best bescheiden op : tegenover Hem die we Vader mogen noemen, zijn wij kleine mensen. Niet dat wij nietsnutten zouden zijn; of klungelaars dag in, dag uit! Zo zielig zijn we er nu ook niet aan toe. Het is heel belangrijk te beseffen dat het goede dat we bereiken, niet onze eigen verdienste is, maar dat het God is die het goede in ons heeft gelegd en dat wij er samen met Hem mogen aan verder bouwen.

Hier zit precies de fout van de farizeeër : niet alleen gelooft hij dat hij een goed mens is, bovendien denkt hij dat hij veel beter is dan de anderen en laat hij duidelijk blijken dat dat zijn eigen verdienste is… Hij durft het aan God uit te dagen om te zien hoe goed hij zelf wel is! Je moet het maar durven de rollen om te keren!

De tollenaar, hij die de belastingen moet innen, weet dat hij geen al te beste reputatie heeft bij de bevolking. Niet omdat de mensen niet graag belasting betalen, maar omdat hij in zijn job wel eens oneerlijk te werk gaat. Toch vindt hij de juiste wijze om zich tot God te richten : Heer, wees mij genadig.
De tollenaar heeft begrepen hoe goed God is. Ongetwijfeld komt het nog goed tussen die beiden.

De farizeeër en de tollenaar van deze zondagslezing worden niet bij naam genoemd. Omdat er vele farizeeërs zijn, en vele tollenaars. Omdat wij zelf bij momenten farizeeër zijn, of tollenaar.

Volgende zondag komen we tollenaar Zacheüs tegen. Een beetje een oude bekende, zou je kunnen zeggen. Het is niet omdat we het verloop van het verhaal goed kennen, dat we de diepere betekenis al helemaal doorgrond hebben.

We beginnen met enkele vragen:
\

  • Zacheüs is klein van gestalte; is hij, zoals hij daar zit, klein of groot in Jezus’ ogen?\
  • Zacheüs klimt in een boom : wil hij hiermee ontsnappen aan Jezus’ blik of aan de blik van de massa?\
  • Zacheüs is slechts één van de velen die naar Jezus komen kijken; waarom blijven al die anderen onvermeld?

    Zacheüs was misschien wel klein, maar waar hij zich vertoonde, werd hij al vlug opgemerkt. Iedereen kende hem als de tollenaar die zich verrijkt op de rug van de gewone man. Zacheüs was zich daar stilaan van bewust geworden, en dat moet hem een ongemakkelijk gevoel gegeven hebben. Nadat hij jarenlang enkel rijkdom in zijn beurs had nagestreefd, begon hij naar andere waarden te zoeken. Maar zijn reputatie achtervolgde hem.

    Zacheüs was niet zozeer bang dat Jezus hem zou zien; integendeel, dat hoopte hij in zijn binnenste. Waar hij bang van was, is dat die massa hem zou zien op een plaats waar hij als fraudeur niet thuishoorde. Hij dacht dus dat hij nog niet helemaal klaar was om tot Jezus te naderen. En waarschijnlijk was dat ook wel zo.

    Maar dat is voor Jezus geen probleem: Jezus zet altijd zelf de stap naar wie aarzelend maar zoekend op weg is. Let er maar eens op hoe Hij het is die op de leerlingen van Emmaüs toestapt, terwijl zij op weg zijn naar Hem zonder hem te vinden. En hoe Hij de niet te troosten Maria Magdalena zélf aanspreekt nadat zij het graf leeg heeft gevonden en naar Hem op zoek gaat.
    Telkens is het Jezus de die stap zet waardoor wij de weg vinden. Hij wil bij ons te gast zijn, en wij mogen het aanvoelen als nodigt Hij ons uit.

    Jezus haalt Zacheüs uit de boom. Jezus brengt ons daar waar wij thuishoren, als wij Hem een plaats geven bij ons, als wij Hem een plaats geven in ons hart.

    Eigenlijk denkt Zacheüs hetzelfde dat we de honderdman[3] al hebben horen zeggen : “Heer ik ben niet waardig”.
    Een blijvend schuldgevoel omdat we nooit helemaal goed zullen zijn,
    is niet op zijn plaats. Zo’n houding verlamt ons alleen maar.
    Maar wie zijn klein zijn erkent, en toch zijn leven op Jezus wil afstemmen, wordt in Jezus’ ogen groot.
    Kunnen wij Zacheüs’ verhaal tot het onze maken?
    Ja, als wij durven zoeken waar we falen,
    als wij oprecht proberen weerkerende fouten te verbeteren,
    als wij niet bang zijn om te laten zien dat we Jezus wíllen ontmoeten.

    Als Jezus ons zo bezig ziet,
    is het niet ondenkbaar dat Hij ons aanspreekt en zegt :
    “Jij daar, je zoekt naar Mij? Dat komt goed uit, ik was juist op weg naar jou!”
    In de ontmoeting met Jezus worden we dan weer een beetje méér diegene die Hij van ons droomt.

“Heer ik ben niet waardig”

Als wij straks, vlak voor de communie, die woorden herhalen en ze tot de onze maken, dan is dat omdat het eigenlijk ongelooflijk is dat Jezus naar ons toekomt en bij ons wil verblijven. Iedere keer opnieuw.

[1] Mattheüs 6: 5-7
[2] Lucas 18, 1-8.
[3] Lucas 7, 6-7

Zoeken in Preken Online