30ste zondag C (2007)

C-cyclus · Tijd door het jaar · 30e zondag · groen

OPENINGSWOORD

Broeders en zusters, de klokken hebben geluid. Dat is de roepstem van God. Wij hebben ge-hoor-zaamd en zijn gekomen. God is daar heel blij mee. Hij heeft recht op onze dankbaarheid, maar nu kan Hij ons ook de komende week weer de goede weg wijzen door deze wereld heen naar het eeuwig leven toe. Want dat is de eindbestemming van alle mensen van goede wil.

Vandaag vertelt Jezus Christus in het evangelie de gelijkenis van de Farizeeër en de tollenaar. De eerste vindt dat hij het allemaal erg goed doet. De tweede vindt zichzelf klein en zwak. Dat laatste kun je waarschijnlijk beter niet zeggen als je op zoek bent naar een nieuwe baan, maar als je als werknemer bij God wilt worden aangenomen, als jijzelf door Hem wilt worden geholpen, dan maak je met zo’n uitspraak de meeste kans.

Wie is Farizeeër? Wie is tollenaar? Ik zou zeggen: wie de schoen past, trekke hem aan. Maar hier stuiten wij op een groot probleem. Het is tegenwoordig voor veel mensen moeilijk om te zien, te begrijpen, hoe zijzelf van binnen in elkaar zitten. Bij sommige mensen kun je je afvragen of zij het wel willen zien!?

Het gaat hier over mensen, die zichzelf een goede, uiterlijke houding hebben aangeleerd. Zij willen bij anderen goed overkomen, zodat zij het idee hebben, dat anderen goed over hen denken. Zij onderhouden wel de wetten en allerlei regels, maar doen dat alleen voor de show. Het komt niet uit hun hart.

Hoe zit dat bij ieder van ons? Waar denken wij allemaal aan tijdens het bidden? Aan God… of aan wat wij nog allemaal moeten doen? Als wij met iemand spreken, tonen wij dan belangstelling vanuit een oprechte liefde? Of vragen wij ons stiekem af wanneer die mens klaar is met z’n praatjes?

Het is héél erg belangrijk dat wij onszelf geregeld onderzoeken: hoe doe ik de dingen en waarom doe ik de dingen? Wij moeten God daarbij vragen om het licht van zijn heilige Geest, opdat Hij ons verstand kan verlichten. Alleen mensen, die zichzelf onderzoeken en zichzelf proberen te verbeteren groeien de diepte in, vinden God in hun hart, worden in de loop der jaren betere christenen, betere mensen.

Onderzoeken wij onszelf in een moment van stilte of wij altijd oprecht zijn geweest, vragen wij God daarbij om zijn licht. Vragen wij vergeving in het geloof dat God héél blij is als wij eerlijk iets toegeven, want alleen dan kan Hij ons helpen.\

OPENINGSGEBED

Laat ons bidden. Almachtige God, Gij zijt bekommerd om alle mensen: de eenzame en de arme kunnen altijd bij U terecht, de vreemdeling en de zondaar vergeet Gij niet. Wij vragen U: bescherm ons tegen hoogmoed, die wij in eigen hart ervaren. Geef ons de moed te bekennen dat wij zondaars zijn, zodat wij gerechtvaardigd worden in uw ogen. Door onze Heer Jezus Christus, uw Zoon … . Amen.\

PREEK

Zoals wij nu met een groep gelovigen bij elkaar zijn, zo was Jezus Christus dat ook, maar bij Hem in de groep zaten er een aantal tussen, die met minachting neerkeken op sommige andere mensen. Zijzelf waren heel precies in het naleven van de wet. Hun rabbi - hun pastoor - hoefde hen nooit te vragen of ze niet eens wat vaker op de Dag des Heren naar de kerk zouden komen, want dat deden zij heel trouw. Ja, zij deden zelfs meer dan de wet hen voorschreef. Onze Nederlandse bisschoppen vragen ons om één procent van ons bruto inkomen aan de kerk af te staan, maar zij gaven tien procent van hun inkomsten. Dat zegt de Farizeeër in het evangelie vandaag: " Ik … geef tienden van al mijn inkomsten".

Zij deden dat voor hun eigen gevoel van veiligheid. Zij dachten: als ik dat allemaal doe, ben ik een brave gelovige en moet God mij wel redden. Zij waren druk in de weer om zichzelf te bevestigen, zichzelf te redden. Zij laten zich niet helpen door God, maar denken Hem voor het blok te kunnen zetten door Hem hun vele, vele goede werken in herinnering te brengen. Zij willen door andere mensen gerespecteerd worden en liefst dus ook door God. Maar op andere mensen kijken zij vaak met minachting neer. In Johannes het 7e hoofdstuk zeggen de farizeeën zelfs het volgende, hou je vast: “Dat volk, ja, dat de Wet niet kent; vervloekt zijn ze”.

De farizeeër in het evangelie van vandaag is er ook heel sterk van overtuigd dat hij helemaal op de goede weg zit. Hij is dan ook niet met God in gesprek. Nee, er staat geschreven “hij bad bij zichzelf”, dat wil zeggen, hij staat een monoloog te voeren. Hij zegt van alles tegen God, maar deze krijgt niet de gelegenheid iets terug te zeggen. De Farizeeër praat wel, maar luistert niet.

Veel mensen doen dat. Zij zijn steeds met zichzelf in gesprek. Ze praten in zichzelf. En het is heel moeilijk om dat zogenaamde gesprek te stoppen, om stil te zijn, om te luisteren naar God. Er zijn wel andere mensen, die in dat innerlijke gesprek voorkomen, maar daar praten ze niet mee, nee, daar praten ze over, en - laten ze maar eerlijk zijn - ze oordelen over die mensen. Ze minachten die mensen. Het zijn geen medemensen, maar ‘ondermensen’. In de Tweede Wereldoorlog werd gesproken van ‘Untermenschen’. Kijken en luisteren wij maar naar de farizeeër: “God, ik dank u dat ik niet ben als de rest van de mensen, rovers, onrechtvaardigen, echtbrekers, of ook als die tollenaar daar”. De farizeeër, lieve mensen, heeft niets te vragen, niets te belijden, geen schuld en ook geen geloof, hij roemt zichzelf vanwege het vele goede dat hij heeft gedaan. En hij denkt dat hij daarom op anderen kan neerkijken.

Maar de tollenaar is de tegenpool van de farizeeër. Hij blijft op een afstand staan, achter in de kerk. Hij heft ook zijn hoofd niet omhoog naar God. Doet zijn armen niet omhoog, wat bij het joodse gebed toch gebruik is. De tollenaar weet dat die almachtige en alheilige God naar Hem kijkt en uit schaamte vanwege zijn zonden durft hij niet omhoogkijken. De tollenaar is gewoon nergens meer, hij heeft gewoon niets om zich op te beroemen, hij heeft geen grond om op te staan. Hij kan zich alleen maar op de borst kloppen en zeggen: “God, wees mij zondaar genadig.” Hij klopt zich op de borst. Niet uit gewoonte. Nee, het komt recht uit zijn hart.

En dan eindigt Jezus Christus met te zeggen, dat God met die laatste, met die tollenaar, blij is. Die heeft zichzelf klein gemaakt. En daarom zal hij door God groot worden gemaakt. De farizeeër echter heeft zichzelf groot gemaakt - terwijl hij natuurlijk net zo goed als die tollenaar een zondaar is - omdat hij zo’n ondankbare opschepper is, zal hij worden vernederd. Als hij zichzelf zo goed vindt, dan kan hij het ook wel af zonder God. En dan zal het die farizeeër duidelijk worden - hopelijk al in dit leven - dat hij zich heel erg heeft vergist.

De mensen, die klein en arm zijn, worden door God geholpen. In de eerste lezing staat dat hun gebeden tot de wolken toe opstijgen. Dus, tot de plaats waar God woont. De gebeden van de armen en de kleinen worden gehoord. Die van de zogenaamd groeten niet.

Beste medegelovigen, er gebeurt veel kwaad in de wereld. En het lijkt wel alsof mensen altijd een zondebok willen hebben. Iemand wie wij de schuld kunnen geven. Laten wij, christenen, maar naar onszelf wijzen, en niet naar anderen. En daar word je echt niet zwaarmoedig of ongelukkig van, want je mag weten dat God dan komt om je te helpen. Hij houdt van je.

In Vlaanderen woont een vrouw, Mieke van Hecke. Zij begon haar loopbaan als advocate. Een flink salaris natuurlijk. Zij bleef vervolgens 15 jaar thuis om voor haar vier kinderen te zorgen.

Toen ze weer ging werken, werd ze directeur-generaal van het Vlaams Secretariaat van het Katholiek Onderwijs waar zij heel veel goed werk kon doen. Want ze was en is nog steeds een trouw lid van de Kerk, actief binnen de parochie, elke zondag naar de kerk. Het klinkt goed - directeur-generaal - maar haar salaris werd wel gehalveerd. Nu is haar man wel hoogleraar in het recht, ze konden ze dus toch nog het nodige veroorloven, maar zijzelf ging er flink op achteruit… uit liefde voor de Vlaamse katholieke jeugd. Zij hoefde niet qua inkomen vooraan te staan, zoals andere groten en machtigen van deze wereld, nee, zij liet haar hart spreken, deed een flinke stap terug, en niets ten nadele van advocaten, maar zij kon nu heel veel - laat ik zeggen - ander goed werk doen.

Er is ook nog een vrouw in Nederland, Anne-Marieke Koot. Ook zij had aanvankelijk als theologe een goedbetaalde baan. Maar kwam in aanraking met het gedachtegoed van de Franse monnik Charles de Foucauld, overleden in 1916. Een monnik, die leefde onder de mensen. Niet als hulpverlener, maar gewoon om er te zijn, bij de mensen. Zijn volgelingen, de kleine broeders en zusters, doen dit nog steeds. Afgezien van hun blauwe kleding en een klein kruisje om hun hals vallen ze nauwelijks op. Zij willen geen verschil tussen hulpverlener en hulpvrager. Zij willen gelijk zijn aan alle mensen. Anne-Marieke schreef dat zij liever wc’s ging schoonmaken in de Utrechtse Thuiszorg dan dat zij leiding gaf aan een parochie. Financieel heeft ze nu net genoeg om van te kunnen leven. Maar ze is gelukkig, niet door een verantwoordelijke positie, niet door een goedbetaalde baan, maar door Jezus te brengen daar waar de gewone mensen zijn. Gewoon zijn met de gewonen.

Reken maar dat dit soort mensen, die uit zichzelf een grote stap achteruit hebben gedaan, door God heel erg verheven zullen worden.

Zoeken in Preken Online