30e zondag door het jaar C

C-cyclus · Tijd door het jaar · 30e zondag · groen

30e zondag C

Twee mensen in de tempel. Beide bidden.

De één staat daar in al zijn fierheid en laat in zijn gebed God weten

hoe het met hem gesteld is en wat hij zoal doet. De ander durft bijna niet naar binnen, blijft op de drempel staan met gebogen hoofd en bidt God om genade.

Deze gelijkenis is voor mij meer dan zomaar een vertelling.

Terwijl ik luister naar de gelijkenis, zoek ik mijn plaats ten opzichte van God. Blijf ik op een afstand staan of juist meer naar voren omdat ik weet dat God mij nabij is? Kijk ik omhoog of juist naar beneden?

Door de gelijkenis heen houdt God mij een spiegel voor en zie ik waar ik sta in de ruimte van God en hoe ik tot God bid.

Doe ik dat met een omhaal van woorden om van God te krijgen wat ik tekort kom?

Of zoek ik de stilte , maak ik ruimte voor God

en wacht totdat de Barmhartige spreekt?

Deze parabel van de farizeeër en de tollenaar maakt deel uit van een ruimere

‘gebedscatechese’ waaruit we ook vorige zondag al hoorden.

Jezus sprak over het geduldige, volhardende bidden om gerechtigheid.

Vandaag gaat het over de gebedshouding en ook nu speelt ‘ gerechtigheid ‘

een rol.

Maar wat is ‘ gerechtigheid ‘ volgens de Schrift?

De farizeeër meent dat hij zichzelf kan rechtvaardigen door de Tora of wet trouw te onderhouden. Hij is overtuigd van eigen gerechtigheid en dat is zijn grote vergissing.

Want ‘ gerechtigheid ‘ betekent in de Bijbel niet, beantwoorden aan een vooropgestelde norm.

Gerechtigheid betekent : Je zo gedragen dat anderen er beter van worden.

Dat heeft heel veel met liefde en trouw te maken en het veronderstelt dat je het zwaartepunt van je leven buiten jezelf legt.

Dat doet de farizeeër juist niet, zijn wetsgetrouwheid staat niet ter discussie,

maar wel, dat hij zich zelfgenoegzaam opstelt.

Wat me ook opvalt in deze gelijkenis die Jezus hier vertelt,

is het woord minachting.

Je kunt het zo goed met jezelf getroffen hebben dat je anderen minderwaardig vindt.

Ik stel me de vraag :

Waarom zouden wij onszelf groter willen maken door anderen te kleineren?

Waarom hebben we daar zo’n genoegen in?

De farizeeër maakt zijn goed gedrag ongedaan doordat hij het gedrag van een ander minacht. Wie een andere mens minacht, vernedert zichzelf,

maakt zichzelf ongeloofwaardig.

Minachting is een bron van groot kwaad.

Bekijken we dit even in onze maatschappij.

De Jodenhaat is voortgekomen uit minachting. Zigeuners, anders denkenden of andere geaardheid wordt nu nog steeds geminacht.

Buitenlanders, vreemdelingen, de vijandige voetbalclub …noem maar op , op allerlei terreinen slingert de minachting als een slang door onze straten en in onze hoofden.

Is het de angst om zelf niet als vol te worden aangezien?

Is ons zelfrespect zo kwetsbaar dat wij kwaadaardig worden tegenover anderen?

Minachting heeft diepe en vaak duistere oorzaken.

Jezus ziet dat ook, hij ziet mensen die zichzelf zo geslaagd vinden, dat ze menen anderen een beetje lager te moeten neerzetten.

En juist dat gaat, tegen Gods bedoelingen in, en daarom zet Jezus, in deze gelijkenis dit kwaad vlijmscherp voor ons neer.

God ziet niet op mensen neer, hij minacht ons niet.

Wie nergens terecht kan, vindt bij God een schuilplaats

De klachten van weduwen en wezen worden door Hem gehoord.

Het gebed van de arme krinkelt net zo lang tussen de wolken door

totdat het bij God terecht komt. Zo mochten we horen in de eerste lezing

In de bijbel, in het evangelie is er altijd een horizon van hoop en verwachting

Het evangelie getuigt dat de Eeuwige verder kijkt dat wat wij laten zien

aan anderen en onszelf.

God zal te hulp komen aan wie zijn eigen gebrokenheid en tekort erkent.

Bij geloven hoort bescheidenheid.

Bij gebed hoort ingetogenheid.

Bij God hoort barmhartigheid. Daarom bid ik

Leidt mij Heer, leidt mij in rechtschapenheid, maak uw weg vrij, maak mij bereid ….

Moge het zo zijn…

Zoeken in Preken Online