Tollenaars kunnen zich in het evangelie, zeker niet in dit van Lucas, beklagen over de belangstelling van Jezus voor hen.
Contact met tollenaars
Jezus verwijst herhaaldelijk naar hen, niet om hun handel en beroep aan te prijzen, maar omdat hij bij hen een luisterbereidheid bemerkt en een wens om zich te bekeren. Omwille van zijn contact met tollenaars kreeg Jezus kritiek. Bij het tolhuis in Kafarnaüm vraagt hij Levi om hem te volgen. Deze richtte daarop een groot feestmaal op, waar Jezus bij was met een groot aantal tollenaars. De Farizeeën en hun Schriftgeleerden reageerden daarop morrend. Jezus gaf hun een klaar antwoord: “Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar om zondaars aan te sporen een nieuw leven te beginnen” (Lc. 5,27-32).
Op zijn weg naar Jeruzalem kwamen alweer tollenaars en zondaars naar Jezus om naar hem te luisteren. En alweer kwam het verwijt van de Farizeeën: “Die man ontvangt zondaars en eet met hen.” (Lc. 15, 2). Het is dan dat Jezus met drie gelijkenissen, waaronder deze van de vader met zijn twee zonen, zijn zorg verwoordt voor wie verloren is (Lc. 15, 3-32).
Zorg om gebed
Wanneer Jezus verder trekt naar Jeruzalem, sprak hij met zijn leerlingen over het gebed. Hij roept eerst het voorbeeld op van de weduwe, die bij een hardvochtige rechter aandringt om recht te bekomen. En kort daarna krijgen wij bij Lucas het verhaal van het gebed van de deemoedige tollenaar (Lc. 18,8-14). Het staat in contrast met dit van de Farizeeër, die zichzelf prijst in zijn gebed en zich beter acht dan de tollenaar in zijn buurt. Het is de zelfvoldaanheid, maar vooral het misprijzen van de tollenaar door de Farizeeër dat Jezus aan de kaak stelt.
Wanneer Jezus enige tijd nadien door Jericho trekt, brengt Lucas het verhaal van de ontmoeting van Jezus met Zacheüs, de rijke hoofdtollenaar. Opnieuw zijn mensen daarover ontstemd. Maar ze horen Jezus zeggen: “De Mensenzoon is gekomen om te zoeken en te redden wat verloren was” (Lc. 19,10).
Wees niet hooghartig
Het is een verhaal van Jezus waarin hij twee gebedshoudingen vergelijkt. Wij mogen het niet gebruiken in een anti-Joodse reactie, zoals weleens gebeurt. Zowel de Farizeeër als de tollenaar zijn kinderen van Abraham (Lc. 19,9). We dienen het woord van Jezus toe te passen naar onze tijd. Jezus vertelde immers de gelijkenis “met het oog op hen die zichzelf rechtvaardig vinden en anderen minachten” (Lc. 19). We kunnen de man en de vrouw zijn, die aan God zeggen hoe goed we zijn, maar ondertussen vergeten aandacht te hebben voor de mens naast ons. Het is inderdaad gemakkelijker andermans zonden te belijden dan de onze. We mogen geen karikatuur maken van de Farizeeër. Die man deed goede dingen. Hij onderhoudt de Wet. Of hij alles ervan onderhoudt wordt niet gezegd. Hij bidt met woorden van psalm 26, waarin de goede geprezen wordt en de kwade berispt. Maar dit is zeker de fout van de Farizeeër dat hij zich hoger acht dan de tollenaar en op hem neerziet.
“Wie naar het altaar gaat, zie toe dat hij niet haat en op geen broeder neerziet. Liefde is enkel eerbied” (ZJ 534, W. Barnard).
Het is niet als reclame bedoeld om vooral de laatste stoelen te bezetten of banken in de gebedsruimte te vullen, noch om hen, die vooraan zitten, met de vinger te wijzen. Al denkt de een of de ander nog wel aan de tijd toen een aantal mensen hun eigen stoel hadden in de kerk en de vrouwenkant gescheiden was van de mannenkant.
Nederig en deemoedig
“God, wees mij zondaar genadig.” Het is een schietgebed, maar vooral een houding van deemoed en nederigheid. Wanneer wij bidden, vanuit welke houding spreken we dan? Vanuit de hoogte van onze trots en van onze eigen wil, of vanuit de ‘diepte’ (ps. 150,1) van een nederig en berouwvol hart? Hij die zich vernedert, wordt verheven (vgl. Lc. 18,9-14). De nederigheid is de grondslag van het gebed. ‘Want wij weten niet eens hoe wij behoren te bidden’ (Rom. 8,26). Nederigheid is de instelling om voor niets de gave van het gebed te ontvangen: de mens bedelt om God “(KKK, 2559).
De mens, een bedelaar bij God. God verhoort zijn gebed. Jezus besloot zijn gelijkenis over de Farizeeër en de tollenaar met deze woorden: “Ik zeg jullie, hij ging naar huis als iemand die rechtvaardig is in de ogen van God, maar die ander niet. Wie zichzelf verhoogt, zal vernederd worden maar wie zichzelf vernedert zal verhoogd worden” (Lc. 18, 14). Deze laatste zin komt overeen met wat Jezus had gezegd toen hij in het huis van de voorname Farizeeër had gezien hoe de genodigden er op uit waren op de ereplaats te zitten (Lc. 14,11).
“God, wees mij zondaar genadig.” We horen daarin de klank vna het Kyrie eleison en kunnen het beschouwen als een vorm van Jezusgebed. Het Jezusgebed is vooral bekend in het Oosten: “Jezus, Christus, Zoon van God, Heer, heb medelijden met ons, zondaars” (KKK 2667).
Bidden met en voor de kerk, verbreid over de ganse aarde
Het is vandaag missiezondag. Het is elk jaar een uitnodiging om onze blik en zeker ons gebed te verruimen. De brief aan Timotheüs herinnert ons aan de hartenwens van Paulus, de grote missionaris. Hij wenst het evangelie te verkondigen zodat alle volkeren ervan horen (2 Tim. 4,17).
“De verkondiging van het evangelie aan de mensen van onze tijd, die van hoop is vervuld, maar tegelijkertijd neergedrukt is onder angst en vrees, is ongetwijfeld een dienst, niet alleen voor de gemeenschap van de christenen, maar voor de ganse mensheid” (Paus Paulus VI).
Missio vestigt dit jaar onze aandacht op Pauline Jaricot (1799-1862) , een Franse vrouw uit Lyon. Ze werd op 22 mei 2022 zalig verklaard. Zij staat aan de bron van een grote missionaire inzet langs gebed en financiële ondersteuning aan de verkondiging van de blijde boodschap. Uit haar initiatief is het Genootschap tot Voortplanting van het Geloof ontstaan. Zo gaf de zalige Pauline Jaricot in haar tijd gehoor aan de opdracht van Jezus: “Jullie zullen mijn getuigen zijn” (Hand. 1,18). Waar in haar tijd het vooral de inbreng was van de kerk van het Westen naar andere delen van de wereld, hebben we nu meer besef dat alle plaatselijke kerken missionair moeten zijn en dat we mekaar wederzijds beïnvloeden. “Jullie zullen mijn getuigen zijn”, dit is het motto van de missionaire campagne in ons land voor 2022-2023.
Op meerdere plaatsen in eigen land mogen we dankbaar zijn voor het getuigenis van christenen uit andere landen die onder ons wonen en een dynamiek uitstralen. Ze kunnen ons bemoedigen tot een nieuwe dynamiek. Een Augustijn uit Ivoorkust is priester in de Emmausparochie van Destelbergen-Melle. Een Zuster uit Ranchi is de verantwoordelijke in een Zustergemeenschap van de Zusters van Liefde in Gent. In haar getuigenis verwijst zij naar de inzet van pater Lievens (1856-1893) en andere missionarissen uit ons land voor India. Zij beschouwt het als een wederdienst in het land te mogen zijn van waaruit Lievens is vertrokken, al beseft zij wel dat zij niet het land en het geloof terugvindt dat hier was wanneer Lievens van hier vertrok naar India.
Uit haar land brengt zij ons een getuigenis mee van Mahatma Gandhi: “ Gebed is de sleutel van de ochtend en de grendel van de avond.”