Het visioen van Jesaja (2007)

C-cyclus · Tijd door het jaar · 3e zondag · groen

Beide teksten die we zo juist gelezen hebben, zijn – zoals ik al zei in de inleiding -ontstaan op heel sterke momenten van de geschiedenis van Israël en van de jonge christelijk kerk.

Jesaja schrijft zijn visioen na de ballingschap en ligt mee aan de basis van het ontstaan van het religieuze Israël. Maar die teksten hebben ook de eerste kristenen geïnspireerd bij het tot stand komen van de jonge kerk. In de evangelietekst die we gelezen hebben, interpreteert Lucas het optreden van Jezus als een heropnemen van de traditie van Jesaja en dat vindt zijn neerslag in de Bergrede, met een heel krachtig ethisch appel tot herstel van een rechtvaardige maatschappelijke orde zoals Jesaja dat ook al geformuleerd had 500 jaar voordien.

En dan kan je natuurlijk de vraag stellen: waarom laat het Lucasverhaal Jezus het visioen van Jesaja herformuleren? Als hij geen jota aan de wet verandert, als hij de Thora niet opheft, wat is dan het doel van de Bergrede.

Om dat te begrijpen moeten we een en ander plaatsen in zijn historische context. De teksten van Jesaja, maar ook de verhalencyclus rond Mozes, de wetgever en de woestijnervaringen, zijn geschreven na de terugkeer van een kleine groep ballingen tussen 539 en 520. Die kleine groep was trouw gebleven aan de oude taal en tradities en weigerden de maatschappelijke veranderingen, die er in Israël tijdens de bezetting hadden plaats gehad te aanvaarden. Zij willen de oude nomadische traditie, waar Jahwe onder zijn volk leeft in het verbond, gesymboliseerd door de ark, herstellen.

Maar op dat ogenblik zijn er ook andere religieuze tradities met hun eigen verhalen, met vaak heel uiteenlopende benaderingswijzen en inspiraties. Al die tradities reageren op de zeer pijnlijke ervaring van de ballingschap en willen een Israël tot stand brengen dat, aan de ene kant zijn kracht put in het verleden en anderzijds toch op een aangepaste manier omgaat met de grondig gewijzigde maatschappelijke realiteit.

In een eerste reeks Jesaja-teksten wordt de ballingschap geduid als het gevolg van onrechtvaardige sociale verhoudingen met de onvoorwaardelijke oproep om die onrechtvaardige situatie resoluut te beëindigen en aandacht te schenken aan de zwakken, de weduwen en de wezen.

In een tweede reeks teksten wordt het lijden van de getrouwen, die ondanks hun trouw toch in ballingschap gevoerd werden, geïnterpreteerd als een plaatsvervangend lijden voor de zondige gemeenschap. Die traditie kennen wij van de teksten van de lijdende dienaar van Jahweh. De jonge christelijke kerk heeft daarin zijn kracht en inspiratie gevonden om het lijden en de dood van Jezus te verwerken en zo heeft er zich een verlossingstheologie ontwikkeld, die het christendom heel sterk heeft beïnvloed.

Een derde traditie geeft aan hen - die de zuiverheid van de traditie hebben weten te behouden “terwijl zij vreemden waren in een ander land” - een bijzondere plaats bij het volk om voor te gaan in de tempel. De Jesaja tekst zegt letterlijk: “En jullie worden priester van de Heer genoemd, dienaar van Onze God zul je heten”. Deze stroming mondt uit in de theologie van het offer.

De verschillende interpretaties zijn antwoorden op een gewijzigde maatschappelijke situatie, een crisis. Maar juist vanuit die diepe crisis ontstaat een nieuw religieus elan, het religieuze Israël met de Thora als basis. De vijf eerste boeken van de Bijbel - die wij kennen als de Pentateuch – worden samengesteld uit die diverse, vaak soms tegengestelde religieuze tradities.

Maar een deel van deze nieuwe “priesterkaste” gaat - mede vanuit zijn zorg om de zuiverheid van het geloof en cultuur te behouden en te herstellen, - vervallen in ritualisme en legalisme, ze worden conservatief en detaillistisch. Bovendien gaan ze het feit te behoren tot de groep van “zuiveren” en het uitvoeren van de rituelen behorende bij de status van die groep als voorwaarde stellen om uitverkoren te zijn. M.a.w. ze creëren een gelaagde maatschappij met verschillende rechten en plichten, waarbij de allerzwaksten, namelijk armen en gehandicapten, uiteindelijk uit de boot vallen. Of de groep die zelf aan de basis lag van de religieuze vernieuwing, komt door de evolutie lijnrecht te staan tegenover zijn eigen bron van inspiratie waar Jesaja, oproept tot de bescherming van de weduwen en de wezen en van de vreemdeling, een samenleving op basis van gelijkheid met aandacht voor de zwakken.

En die priesterkaste heeft in de tijd van Jezus van Nazareth een vrij grote macht en impact gekregen in de tempeldienst, de rituelen, de wetgeving. Zij misbruiken de Thora als instrument van macht en stellen zich boven het volk. En dan begrijpen we in welke context de Bergrede tot stand komt. Jezus van Nazareth brengt een beweging op gang die terug aansluit bij de oorspronkelijke inspiratie van Jesaja, waar ook Johannes de Doper in geplaatst wordt door de Evangelisten, waarbij de beleving van de Thora naar de geest - en niet naar de letter - terug een onvoorwaardelijk ethisch appel inhoudt voor de realisatie van een rechtvaardige samenleving.

Maar de Bergrede is geen eenduidig antwoord van één bepaald moment, het is de resultante van een langdurig bewustwordingsproces van meerdere gemeenschappen en tradities. Want ook de jonge kerk maakt een ballingschap mee, een woestijntocht: eerst de zeer pijnlijke ervaring van het lijden en dood van Jezus, daarna de verstoting uit de tempel en ten slotte de vervolging. En dus: de diepe crisis is weer de aanzet tot een nieuw religieus elan, een nieuwe inspiratie met meerdere bronnen.

Ik zie dus een drietal constanten. Het religieuze elan komt tot stand bij twijfel of zelfs crisis, door ontmoeting van diverse interpretaties (die daarom niet altijd op één lijn zitten) en uit het zoeken naar een nieuw antwoord in een gewijzigde situatie; of anders gezegd, vanuit de religieuze praxis zelf, vanuit een concrete maatschappelijke context.

Ik denk dat wij in ons eigen “onderweg zijn” deze drie elementen moeten bewaken.

  • Vertrekken van uit het niet-weten, vanuit de twijfel
    Wij moeten ons in de naakte menselijke existentie durven plaatsen en aan elkaar via verhalen, Bijbelse teksten en rituelen doorgeven waarin we als gemeenschap - in deze tijd – willen of zouden willen geloven. M.a.w. we sacraliseren verhalen, rituelen, een ruimte, maar we verabsoluteren ze niet, ze verwijzen steeds naar iets anders, naar wat we niet kunnen benoemen.

  • Diversiteit
    Er moet in elke gemeenschap - ook in de onze - ruimte zijn voor diversiteit van religieuze invulling en duiding. Het samenkomen in diversiteit, geeft kracht.

  • Praxis die ons aanzet om ons zelf te overstijgen
    Onze rituelen en symbolen moeten ons aanzetten om tegen alle logica in te blijven geloven in het visioen, om op te komen voor mensenrechten en de verdediging van de zwakken, om te ijveren voor vreedzame conflictoplossingen, een eerlijke verdeling van de rijkdommen en versobering van levenstijl om anderen meer kansen te geven.

De drie elementen moeten aanwezig zijn, willen we de dynamiek van het visioen behouden. Die concretisering ervan is dus nooit af, het is een constante zoektocht van een geïnspireerde en inspirerende gemeenschap.
In aansluiting hiermee zingen we lied nr. 7 over de plaats waar wij bijeenkomen.

Zoeken in Preken Online