29e zondag door het jaar C

C-cyclus · Tijd door het jaar · 29e zondag · groen

Homilie 29e zondag door het jaar - C Ex. 17, 8-13 en Lc. 18, 1-8

Geert Dedecker - Godelieveparochie Roeselare 15 en 16 oktober 2016

Inleiding op de lezingen

Vandaag gaat het in de lezingen uit de Schrift over een brutale overval - en ook over een mooi liedje. ‘Armen omhoog enerzijds - en ‘De dwaze moeders op het plein…’ van Herman van Veen anderzijds. In de eerste lezing horen we over een brutale overval op het Volk Gods in de woestijn, gepleegd door een zekere Amalek. Vier mensen uit Gods Volk - Mozes, Aäron, Chur en Jozua - leren ons in dit verhaal wat **bidden **is. Jozua die in de vlakte van het alledaagse bestaan samen met zijn mensen vecht om te overleven; Mozes boven op een berg, met de armen omhoog naar de hemel gericht. En Aäron en Chur die Mozes’ vermoeidheid gezien hebben – zij schuiven inderhaast een grote steen aan, waar hij op kan gaan zitten. En zij ondersteunen aan weerskanten de armen en handen van Mozes. ‘Armen omhoog’ dus en ‘Hands up!’ – om de weerloze mensen daar beneden te helpen overleven. Van zoiets mogen missionarissen, mogen ontwikkelingshelpers, mag ook een ‘Parochie zonder Grenzen’ nooit moe worden. In het evangelie gaat het over een rechteloze weduwe, een ‘dwaze moeder op het plein’ - in confrontatie met een goddeloze rechter. Vanuit het ‘zij-spoor’ leert die arme vrouw ons wat geloven is: volharden in verzet en protest, niet opgeven de juiste en te-rechte vragen te stellen; opkomen voor jezelf en voor je eigenwaarde, voor je rechten als kleingemaakte mens. Het is morgen niet voor niets 17 oktober, ‘Werelddag van Verzet tegen Extreme Armoede’… Laten we luisteren wat de Schrift ons vandaag over dit alles te zeggen heeft.

Homilie

Goede vrienden, Amalek uit de eerste lezing is een bandiet, een sluipschutter. Hij speelt altijd op de man, nooit op de bal. Hij mikt op de zwaksten en valt onverhoeds aan. Hij schiet op de achterhoede van de kolonne vluchtelingen in de woestijn, daar waar de zwangere vrouwen lopen, de oude mensen, de kinderen, zieken en gehandicapten. Amalek is in de Bijbel méér dan zomaar een voornaam of familienaam. Hij is een verzamelnaam voor een ‘collectief’, een ‘groep’, een tendens in de maatschappij. Hij is cynisch en laf, en heeft het altijd op de kleinsten en zwaksten gemunt. Amalek is de orkaan Matthew in Haïti en de oorlog in Syrië die steeds brutaler wordt. Hij is de uitzichtloze repressie van het land Israël tegen de Palestijnen in de Gazastrook; de honger in de wereld en de vaak verborgen armoede hier bij ons. Amalek loert op de afbouw van de sociale zekerheid en de gezondheidszorg; hij wedt op het verminderen van de ontwikkelingshulp en zet in op het bouwen van muren overal en het strenger bewaken van grenzen. Amalek is volgende week bijvoorbeeld van plan om de ‘jungle’ van Calais te ontruimen (al lijkt dat nu weer even uitgesteld)… Dat is allemaal Amalek – en wat doe je daartegen? Niets. Treuren. Vloeken, radeloos zijn en… misschien probeer je te bidden.


Het verhaal richt eerst de schijnwerper op Mozes. Een eenzaam man, leidsman voor het volk op zoek naar bevrijding, hulpeloze profeet met opgeheven handen schreiend naar de hemel. En daar beneden in het dal, zijn volk dat vecht om te overleven. En, zegt het verhaal: wanneer die armen van Mozes moe en machteloos terugvallen langs zijn lijf, wint Amalek. Maar slaagt hij er in zijn armen hoog te houden, dan kunnen zijn mensen weer even op adem komen… Goede mensen, ik mocht verleden week even een voormiddag ‘recollectie preken’ voor een twintigtal oude Scheutisten in Torhout. En het ontroerde mij heel erg die oude mannen daar zo voor mij te zien zitten in de kapel – velen moe gevochten, oud en ziek, ja zwaar dementerend al sommigen… En ik kon het niet laten daarbij even te denken aan dit tafereel van de eenzame Mozes, ‘biddend op enen berg alleen…’


Mozes staat er dus schijnbaar alleen voor. Of neen, toch niet. Twee trouwe bondgenoten hebben zijn angst en onmacht gezien en willen hem terzijde staan: Aäron en Chur. Ze dragen snel een steen aan, waar de profeet op kan gaan zitten. En aan weerszij ondersteunen ze zijn armen, de één aan zijn rechter-, de ander aan zijn linkerzijde, zodat Mozes kan blijven geloven en bidden en waken tot zonsondergang… Zo ging het dus: de handen van het kleine „team‟ daarboven bleven samen geloven, en zo hielden Jozua en de mensen beneden het vol. Dank zij die samenwerking van ‘top’ en ‘basis’ werd Amalek tenslotte in de pan gehakt… Wat een prachtig tafereel is dit, wat een schitterend voorbeeld van samenwerking om de ‘diaconie’, de ‘dienst aan de zwaksten’ vorm en gestalte te geven. Jozua die het gevecht aan de basis met, door en voor Gods lievelingen, de armsten, onvermoeibaar aangaat. Mozes de profeet, de visionair, de ziener, de dromer, de biddende mens ‘alleen op enen berg…’ En Aäron en Chur, zijn ‘stafmedewerkers’ (dat zijn ze hier bijna letterlijk!) die hem trouw ter zijde staan… Een christen heeft bondgenoten nodig. *‘Unchrétienisoléestunchrétien en danger’, *zei Bisschop Jacques Gaillot van Partenia ooit. Geloven heeft altijd te maken met gemeenschap vormen. Zonder broers en zussen, zonder ‘goed gezelschap’ hou je het niet uit. En ondertussen doet Jozua met inzet van al zijn krachten zijn ‘veldwerk’ – want dààr is het tenslotte dat het gevecht tegen onrecht, armoede en uitsluiting gewonnen of verloren wordt… Elkaar troosten, ondersteunen, bemoedigen, brengt de God van Israël voelbaar en tastbaar dichterbij. Daarom alleen al zijn groepen en verenigingen als ‘Parochie zonder grenzen’; daarom is missiewerking tussen hier en ginder zo belangrijk: om het samen uit te houden in de woestijn van vandaag en van morgen, om in de moeilijke strijd als gelovige te overleven in deze vreemde wereld, om overeind te kunnen blijven in de woestijn, in de jungle van deze maatschappij. ‘Wij hebben allemaal ‘gezelschap’ nodig om te gààn…’ zegt Huub Oosterhuis. Want zo alleen houden mensen en gemeenschappen en kerken het vol om te geloven. Wij hebben allemaal ‘gezelschap’ nodig om te gààn…’ zegt Huub Oosterhuis. Want zo alleen houden mensen, gemeenschappen en kerken het vol om te geloven.


Dan stappen we snel even over naar het evangelie van vandaag. Jezus vertelt een gelijkenis. Hij wil zijn volgelingen leren om te bidden en dat altijd te blijven doen. ‘Er was eens een weduwe…’ De vrouw zit in de verdrukking, ze staat er helemaal alleen voor en er wordt haar ook nog eens groot onrecht aangedaan. Tot overmaat van ramp weigert de rechter die haar zaak moet behandelen, haar recht te verschaffen. Wanneer Jezus in de gelijkenis vertelt dat die rechter zich niet om God bekommert, zegt hij er dan ook meteen bij dat hij zich niets aantrekt van die weduwe – het één vloeit gewoon uit het andere voort. De Schrift neemt het op haast alle bladzijden telkens weer voor de weduwe op. Zij zit in de hoek waar de klappen vallen en verdient het om met warmte en respect te worden bejegend. ‘Als je God wil dienen, dien dan de weduwe, de wees, al wie alleen staat en geen helper heeft’, zegt de Schrift. De weduwe weigert zich neer te leggen bij het onrecht dat haar is aangedaan. Onophoudelijk staat ze bij die rechter op de stoep of aan het loket en zegt: ‘Verschaf mij recht!’ Zij vraagt en vraagt en pleit en smeekt en laat niet af… Maar allebei de partijen houden voet bij stuk: zij in de stellige hoop dat haar eindelijk recht zal worden verschaft, hij in zijn nonchalance, zijn cynisme en totale desinteresse voor haar en voor mensen en menselijkheid in het algemeen. Maar uiteindelijk geeft de rechter toe – zij het niet om haar recht te doen, maar uit louter opportunisme: een blauw oog staat nu eenmaal niet zo netjes wanneer je ’s avonds van de rechtszaal thuiskomt bij vrouwlief en de kinderen… Vrouwen (en mannen) zoals deze weduwe zijn gisteren met velen de straat op gegaan, naar aanleiding van 17 oktober en de ‘Werelddag van Verzet tegen Extreme Armoede’. Omdat ze weten en geloven: volhardende overtuiging en geweldloos protest hebben al vaker de geschiedenis veranderd. En let wel: dat niet-aflatend vragen, dat niet-verzakend zoeken van die weduwe naar recht wordt door Jezus in deze gelijkenis nadrukkelijk ‘gelòòf’ genoemd! Naar dàt soort gelovigen is hij rusteloos op zoek, naar wachters op de muren van de tijd, die de Heer aanroepen bij dag en bij nacht, die zichzelf geen rust gunnen én die God geen rust gunnen, totdat – beloofd is beloofd – de toekomst van ‘recht en brood voor allen’ in heerlijkheid doorbreekt. Dus mensen van ‘Parochie zonder Grenzen’, dus mensen van de missiewerking hier en elders: gun jezelf en gun ook God geen rust, totdat er recht en vrede is, wereldwijd. En zing maar ongegeneerd verder dat prachtige lied van Herman van Veen: ‘Signalen’, voor alle rechteloze weduwen van heel de wereld – het begint zo: ‘De dwaze moeders op het plein wier kinderen verduisterd zijn… Geef ze een teken, een signaal dat geen enkele deur voor eeuwig dicht zal zijn dat aan het eind van de tunnel weer licht zal zijn…’ Laten we nog even teruggaan naar de eerste lezing om nog wat meer over dat ‘altijd bidden’ te leren. Mozes met de handen opgeheven ten hemel, en Jozua die intussen Amalek probeert te verslaan – dat is bidden en vechten tegelijk! En volgens dit verhaal uit de Schrift moet blijkbaar de twee doen om de weg vrij te maken voor het Rijk Gods. Bidden alleen is niet genoeg – maar ook vechten alleen is niet genoeg. Vechten én bidden: dat is het heilige dubbele parool. Mozes en Jozua: we hebben ze alle twee nodig. Ik vind daarin verder nog twee dingen heel treffend. Ten eerste dat wij moeten vechten voor het goede. Het kwade raakt ons vaak op een laffe en sluwe wijze in wie en wat ons het meest heilig is, en dan blijf je best voor één keer niet braaf tolerant en ruimdenkend. Zeker niet als het over kwetsbare en weerloze mensen gaat. Dan vecht je, tot zonsondergang als het moet. Heilige woede en geweldloos verzet heet dat. En het tweede: je moet mekaars handen in de hoogte houden en mekaar af en toe een steen als steunpunt aanbieden. Bidden doe je niet alleen (en vechten best ook niet). Bidden doe je met broeders en zusters die mee helpen vol te houden – ook en vooral als je armen moe worden van te blijven geloven en hopen… Misschien bidden wij teveel op ons ééntje? Misschien bidden we zonder te vechten? Misschien vechten we zonder te bidden? Of sluiten wij na verloop van tijd vrede met Amalek en vergeten het goddelijke, heilige belang van de weerlozen? En onderschatten we het blijvende gevaar van de laffe sluipschutters in het maatschappelijk struikgewas? Het Rijk Gods is kwetsbaar en zeer gevoelig voor allerlei vormen van geweld. Zijn komst gaat niet vanzelf. De oude paters van scheut in Torhout kunnen er van meespreken. Dus laten we bidden ‘…voor hen die kracht uitstralen, liefde geven, recht doen. Dat zij staande blijven in ons midden…’ (uit ‘Groter dan ons hart’ – voorbede van Huub Oosterhuis). Laten we bidden voor Mozes, voor Aäron en Chur, voor Jozua en zijn mensen, en ook voor de rechteloze weduwe én voor de goddeloze rechter uit het evangelie. En laten we vandaag op Missiezondag dank zeggen aan ‘parochie zonder Grenzen’. Dankjewel aan de mensen van Missio, hier in Roeselare en overal te lande. Dankjewel bidders en vechters ginds ook in Nigeria – het land in Afrika dat dit jaar centraal staat in de campagne – en overal elders in de wereld. Hier én daar mag in godsnaam niemand ophouden met vechten en met bidden. ‘Armen omhoog!’ houden – en iets van ‘Je geld én je leven’ blijven geven. Onvermoeibaar, strijdbaar en geduldig. Daar komt het op aan. Zo moge het zijn. Amen. geert dedecker

 werden die Arme hochgehalten, Miniatur aus einer  (14. Jh.)

Godelieveparochie Roeselare – bij het OnzeVader* tot aan de Vredeswens: kinderenondersteunen de armen van de leden van deplaatselijkeMissiebond**…***


** VI.**

Je staat er niet alleen voor, Mozes! Er zijn bondgenoten en tochtgenoten. Mensen die je willen ondersteunen, die met jou mee willen bidden

en vechten tegen al wat het leven onmogelijk maakt.

we lezen het zesde deel uit de mozescyclus

Amalek rukte op om Israël in Refidim aan te vallen. Toen zei Mozes tegen Jozua: “Kies manschappen uit en trek morgen ten strijde tegen Amalek. Zelf ga ik met de staf van God in mijn hand op de top van de heuvel staan.” Jozua deed wat Mozes hem had opgedragen. Hij bond de strijd aan met Amalek, terwijl Mozes, Aäron en Chur de top van de heuvel bestegen. En zolang Mozes zijn armen opgeheven hield, waren de Israëlieten aan de winnende hand. Maar liet hij zijn armen zakken, dan won Amalek. Tenslotte werden Mozes’ armen moe. Daarom haalden ze een steen waar hij op kon zitten. Aäron en Chur ondersteunden zijn armen, elk aan één kant. Zo bleven de armen van Mozes hoog geheven, tot zonsondergang toe. En Jozua versloeg Amalek en zijn leger daar beneden met het zwaard…’
Exodus 17,8-13

ter overweging

We lezen nog altijd in het boek Exodus, het verhaal van de uittocht, het grote Bevrijdingsverhaal van de Bijbel. Mozes heeft zijn volk uit het slavenhuis Egypte weggeleid. Als bij wonder zijn ze dwars door de Rode Zee gegaan, en nu zwerven ze door de woestijn. Ze leren daar samenhorig te zijn en solidair, en leven dag na dag van wat de hemel geven kan.
Onverhoeds worden zij nu aangevallen door een volksstam die daar ook al jaren rondzwerft: de bende van ‘Amalek’. Die staan bekend als lafaards, omdat zij altijd aanvallen waar een groep het zwakst is: aan de achterzijde van de colonne. De oude mensen stappen daar mee, de zwaksten, de zieken, de gehandicapten, de moeders met kleine kinderen, de zwangere vrouwen. Dit is typisch voor ‘Amalek’. Ze hebben het altijd gemunt op de mensen die zich niet kunnen verweren. Wat doe je daar tegen? Niets? Treuren, vloeken, radeloos zijn en op de hemel roepen. Vechten als het kan, en anders in je lot berusten… Beneden ontbrandt de strijd. Een moeilijk gevecht is het – op leven en dood. En Mozes staat boven op een berg, dicht bij de hemel. Want hij wil bidden voor zijn mensen die het moeilijk hebben daar beneden en hen ondersteunen. En, zegt het verhaal: zolang Mozes zijn biddende handen hoog kan houden, heeft Gods Volk beneden de bovenhand en houden zij het uit in de strijd. Maar van zodra hij moe wordt en door twijfel overmand, groeit weer de sterkte van ‘Amalek’. De mensen beneden houden het niet langer vol. Ze dreigen de ongelijke strijd te verliezen. Het gevecht is moeilijk en eindeloos. Hoe zal dit in Godsnaam aflopen? Mozes kan niet meer. Zijn armen en handen werden moe op de duur, zegt de verteller. Van te bidden, en van te blijven geloven en hopen. De tocht duurt al zo lang, de strijd is zo ongelijk, de ‘Amalekieten’ zijn zo talrijk en sterk, en hij zelf is daarboven op die bergtop zo hopeloos alleen… Of toch niet? Twee trouwe bondgenoten hebben zijn angst en onmacht gezien en willen hem terzijde staan: Aäron en Chur. Zij dragen inderhaast een steen aan, waar de profeet op kan gaan zitten. En aan weerszij ondersteunen zij zijn handen en armen, de één aan zijn rechter-, de ander aan zijn linkerzijde, zodat Mozes kan blijven bidden en waken tot de zon ondergaat… Wat een ontroerend tafereel is dit, wat een schitterend voorbeeld van samenwerking en onderlinge steun. Voor mij één van de mooiste passages uit de hele Bijbel. Het is niet te doen voor een mens die er helemaal alleen voor staat. Zonder bondgenoten, zonder ‘netwerk’, zonder familie en vrienden hou je het niet uit. Van altijd maar te hopen, te geloven, te vechten en te blijven vertrouwen dat het uiteindelijk allemaal goed komt, kan een mens doodmoe worden. Dat is iets wat we herkennen. Maar als we met elkaar samen, mensen van ‘buiten’ en van ‘binnen’, de hitte van de dag en de vermoeidheid van de avond willen blijven dragen, dan krijgt deze droom van samenhorigheid en solidariteit tenslotte toch het laatste woord… Daarom alleen al is een goed contact tussen ‘binnen’ en ‘buiten’ de gevangenis zo belangrijk: om het samen te kunnen uithouden in de woestijn, om in de moeilijke strijd tegen de ontmoediging en de wanhoop te kunnen overleven en overeind te blijven. We hebben allemaal bondgenoten nodig om de oversteek te kunnen maken naar de overkant, naar ooit een nieuwe toekomst. Ook de grote Mozes moest zich laten ondersteunen door Aäron en Chur, en ondertussen op een steen gaan zitten. Hij kreeg de kramp in zijn hart en een verlamming in de spieren, zegt de verteller, omdat hij absoluut wilde blijven geloven en hopen, terwijl het gevecht schijnbaar uitzichtloos was… Machteloosheid en wanhoop hoeven nooit het laatste woord te hebben, zegt de Bijbel op bijna elke bladzijde. Elkaar troosten, ondersteunen, bemoedigen… brengt God ‘Ik-zal-er-zijn’ voelbaar en tastbaar dichterbij. Wij kunnen als mensen van ‘binnen’ en ‘buiten’ elkaars handen en armen in de hoogte houden en elkaar af en toe een steen als steunpunt en rustplaats aanbieden. Bidden doe je niet alleen (en vechten ook beter niet). Bidden doe je samen met bondgenoten die mee helpen om vol te houden – ook en vooral als je armen moe worden van te blijven geloven en hopen. Bidden en vechten zijn even belangrijk. Je moet de twee blijven doen om te kunnen overleven. Bidden alleen is niet genoeg – maar vechten alleen is ook niet genoeg. Vechten én bidden, op de plaats waar we staan, met de mogelijkheden die we hebben en op de momenten dat het ons lukt. Laten we dank zeggen voor alle bidders en vechters ‘binnen’ en ‘buiten’ de gevangenis. Dat zij niet ophouden te blijven hopen en geloven, zodat wij het samen kunnen uithouden in de woestijn… Straks wordt het Pasen. Tijd om op te staan uit de dood en verder te gaan, op zoek naar toekomst en nieuw leven. ‘En toch…’

enkele vraagjes ter persoonlijke overweging

(misschien kan je hierover even met je celgeno(o)te in gesprek gaan)

Word jij zoals Mozes ook soms moe van te geloven ‘dat het allemaal goed komt’, van te hopen en te blijven vertrouwen..? Welke zijn jouw moeilijkste momenten hier in de gevangenis?

Denkend aan die steen die Aäron en Chur aanbrengen om Mozes te laten neerzitten: waar vind jij rust, bezinning, stilte, ontspanning, verademing tijdens jouw verblijf hier?

Hoe zouden wij elkaar als gedetineerden meer en beter kunnen ondersteunen? Als celgenoten? Als directie, personeel, diensten… Als familie? Als mensen wederzijds ‘van binnen’ en ‘van buiten’..?

Bidden – zeg dat jou iets? Kan je soms bidden? Wat doe je of wat zeg je dan? Voor wie bid je soms? En als je zou weten dat er ‘buiten’ soms voor jou gebeden wordt: doet dat jou iets? Vind je dat belangrijk?

Is er een gebed – van vroeger of vandaag – dat jou dierbaar is? Een tekst of lied dat voor jou een soort gebed geworden is? Wil je zelf eens proberen met eigen woorden een gebed te schrijven? (en weet: God is een goede verstaander; Hij heeft aan een half woord genoeg…)

**een getuigenis: Het verhaal van Anna **

Het gebeurt altijd heel onverwacht, als een donderslag bij heldere hemel, erger nog dan een aardbeving. Alles wankelt, je hele leven stort als een kaartenhuisje in elkaar. Politie, rijkswacht, speurders, alles overvalt je. Paniek, schrik, ongeloof, verontwaardiging. Haalt men hier een grap met ons uit? Maar het is werkelijkheid. Je zoon moet naar de gevangenis. Gevangenis? Het zindert na, ongeloof. Neen, neen, dat kan niet. Plots zie je als Leuvenaar het grote logge gebouw aan de Maria-Theresiastraat. Die hoge muren lijken nog hoger, die grote ijzeren poort nog meer angstaanjagend. Vroeger zijn we er honderden malen voorbij gereden. Voor en na school. Nooit bij stilgestaan wat er zich achter die muren allemaal afspeelde. Wanneer de poort toch eventjes geopend werd, haastten wij ons om eventjes nieuwsgierig naar binnen te gluren. Nu is het werkelijkheid geworden. Nooit vergeten wij ons eerste bezoek. Het gerinkel van die enorme sleutelbossen, het geroep van de bewaker: ‘Binnen in het wachtlokaal, anders blijven wij geen vrienden.’ Hij riep het van meters ver. Later liet die man zich van een ander kant kennen. Jaren later ging hij met pensioen. Wanneer wij hem nu ontmoeten, vraagt hij altijd: ‘Hoe gaat het met jullie zoon?’ In al die tijd is er veel veranderd. Geen poort meer, maar een deur. Die enorme bos sleutels is verdwenen. Het ziet er minder angstaanjagend uit. Toch ga je er altijd stiller praten. Je komt in een andere wereld. Gevangenis en nog eens gevangenis, het is alsof er op den duur niks anders meer bestaat. Het komt onze oren uit. Heel ons leven draait om de gevangenis, het wordt een leven van wachten en hopen. Hopen voor hem en voor ons. Wachten op een telefoontje of bezoek. Soms zouden we dringend iets willen vertellen, maar neen, we moeten wachten! Twee jaar geleden werd zijn vader onverwacht opgenomen in het ziekenhuis. Ik wou dit dringend vertellen. Maar nee: wachten tot de volgende dag. We leven in twee werelden, want er is altijd die terughoudendheid tegenover de buitenwereld. Wanneer er over kinderen wordt gesproken, veranderen we zo vlug mogelijk van onderwerp. Er is altijd dat beetje schaamte, dat onaangename gevoel dat we uitleg zouden moeten geven. Echt genieten is er niet meer bij. Hoe zou je kunnen genieten als je eigen kind daar alleen tussen die vier muren zit? Ons hart krimpt ineen. Vooral tijdens de feestdagen zouden wij het willen uitschreeuwen van pijn en liefst van al veertien dagen aan een stuk slapen. Die plaats aan tafel die altijd leeg blijft, jaar op jaar. Wij eten dan nog liever met ons tweeën in de keuken. Daar valt zijn afwezigheid minder op. Hoe langer het duurt, hoe meer je in de tijd teruggaat. Naar zijn kindertijd, naar de mooie momenten. Herinneringen, steeds die herinneringen… In de eerste jaren dat hij ‘weg’ was, gingen we soms naar zee, liepen voorbij het gebouw waar we vroeger samen met vakantie gingen. Dan keken we omhoog, telden tot de zesde verdieping, tot waar we zo gelukkig waren. Een klein gezin vol vakantievreugde. De pijn, het gemis dat we dan voelen, is onbeschrijflijk. Daarom blijven we liever thuis. Achter onze muren. Zoveel mogelijk trachten wij hem bij ons leven te betrekken. Met foto’s tonen we waar we nu wonen. We vertellen over de buren die begrip hebben voor onze situatie en voor hem. We tonen foto’s van de poes, van de tuin in de winter, van de tuin in de zomer. Hij houdt van de natuur, van de bloemen en het gras. Soms zeggen wij tegen elkaar: ‘Dit zou een werkje voor Mark zijn.’ Maar hij is er niet, we moeten ons plan trekken. We doen er alles aan opdat onze zoon niet wereldvreemd wordt. We steunen hem en hopen dat we er nog zijn als hij ooit thuiskomt. Dat is onze grootste zorg. (geplukt van de website Thuisfront.be – getuigenissen)

tot slot: even onze onmacht belijden en bidden om draagkracht en veerkracht…

Indien ik je dragen kon

over de diepe grachten

van je gesukkel en je angsten heen,

dan droeg ik je,

uren en dagen lang.

Indien ik de woorden kende

om antwoord te geven op je duizend vragen

over leven, over jezelf,

over liefhebben en gelukkig worden,

dan praatte ik met je,

uren en dagen lang.

Indien ik vrede in je hart kon planten

door geduldig te wachten en te hopen

tot het zaad van de vrede in je openbrak,

dan wachtte ik,

uren en dagen lang.

Indien ik genezen kon wat omgaat in je hart

aan onmacht, ontevredenheid

en overwerkt verdriet,

dan bleef ik naast je staan,

uren en dagen lang.

Maar ik ben niet groter,

niet sterker dan jij

en ik weet niet alles

en ik kan niet zoveel –

ik ben maar een vriend op je weg,

al uren en dagen lang.

En ik kan alleen maar hopen

dat je dit weet:

je hoeft nooit alleen te vechten

of te huilen

als je een vriend hebt

voor uren en dagen lang.

** (Marcel Weemaes)**

De moed van een mens meet je niet in makkelijke maar in moeilijke tijden…

Letterkapper Kristoffel BOUDENS. (gedenksteen voor de weggevoerden van Wereldoorlog II, op het stationsplein in Brugge)


Op zoek naar bondgenoten voor het ‘nieuwe normaal’.

Mensen die willen ondersteunen, mee willen bidden

en vechten tegen al wat het leven onmogelijk maakt.

We lezen in het boek Exodus, het grote Bevrijdingsverhaal van de Bijbel – met name het fragment dat opgeschreven staat in Exodus 17,8-13. Mozes heeft zijn volk uit Egypte weggeleid, het piramideland vol uitbuiting en slavernij. Als bij wonder zijn ze dwars door de Rode Zee gegaan. Met vrees en beven, want de toekomst bleef ongewis. Strompelend en struikelend eerst, zoekend en tastend naar uitzicht en perspectief. Een ware ‘processie van Echternach’ was het, een moeizaam geboorteproces. En ze neuriën, ze zingen onderweg steeds luider hun lied van bevrijding, hun pas gecomponeerde ‘Magnificat’. Van ‘De steppe zal bloeien’, en ‘Voor kleine mensen is Hij bereikbaar…’ Een loflied op hun God die hemel en aarde gemaakt heeft en hen de moed gaf uit Angstland Egypte weg te trekken, op zoek naar het Land dat Hij hun zou tonen. En nu zwerven ze door de woestijn. Ze leren daar samenhorig te zijn en solidair, en proberen dag na dag te leven van wat de hemel geven kan.
Onverhoeds worden zij echter aangevallen door een volksstam die daar ook al jaren rondzwerft: de bende van ‘Amalek’. Die staan in de Bijbel bekend als lafaards, omdat zij altijd aanvallen waar een groep het zwakst is: aan de achterzijde van de colonne. De oude mensen stappen daar mee, de zieken, de gehandicapten, de moeders met kleine kinderen, de zwangere vrouwen. Dit is typisch voor ‘Amalek’. Zij hebben het altijd gemunt op de mensen die zich niet kunnen verweren. Dat is hun eeuwige tactiek, hun blijvend laffe strategie. Wat doe je daar tegen? Niets? Treuren, vloeken, radeloos zijn en op de hemel roepen. Vechten als het kan, en anders in je lot berusten..? Op een bepaald moment staat Mozes boven op een berg, zo dicht mogelijk bij de hemel. Want hij wil bidden voor zijn mensen die het moeilijk hebben daar beneden en hen ondersteunen. En, zegt het verhaal: zolang Mozes zijn biddende handen hoog kan houden, heeft Gods Volk beneden de bovenhand en houden zij het uit in de strijd. Maar van zodra hij moe wordt en door twijfel overmand, groeit de sterkte en overmacht van Amalek zienderogen weer aan. Het is een moeilijk gevecht daar beneden, op leven en dood. De mensen houden het niet langer vol. Ze dreigen de ongelijke strijd te verliezen. Maar Mozes weet: het gaat om het lot en de toekomst van de zwaksten, en dat is het enige motief dat bijbels gezien geldig kan zijn om in Godsnaam voor te vechten. Daar staat hij dan, de profeet die zijn volk moet voorgaan in het vertrouwen op God. Met zijn stok in de hand, de staf van de Goede Herder, de scepter Gods, zegent hij zijn mensen en geeft hen moed. Als een bemiddelaar tussen hemel en aarde staat hij daar, Als een soort levende antenne en bliksemafleider tegelijk, om toch maar de Naam des Heren ‘Ik-zal-er-zijn’ hoog te houden. Hoe zal dit gevecht tegen ‘Amalek’ in Godsnaam aflopen? Mozes kan niet meer. Zijn armen en handen worden moe op de duur, zegt de verteller. Van te bidden, en van te blijven geloven en hopen. De tocht duurt al zo lang, de strijd is zo ongelijk, de ‘Amalekieten’ zijn zo talrijk en sterk, en hij zelf is daarboven op die bergtop zo hopeloos alleen… Of toch niet? Twee trouwe bondgenoten hebben zijn angst en onmacht gezien en willen hem terzijde staan: Aäron en Chur. Zij dragen inderhaast een steen aan, waar de profeet op kan gaan zitten. En aan weerszij ondersteunen zij zijn handen en armen, de één aan zijn rechter-, de ander aan zijn linkerzijde, zodat Mozes kan blijven bidden en waken tot de zon ondergaat… En, zegt het verhaal: ‘Tenslotte versloeg het Volk Gods Amalek en zijn leger daar beneden met het zwaard…’

Ze bleven samen geloven…

Wat een ontroerend tafereel is dit, wat een schitterend voorbeeld van samenwerking, van verbondenheid en onderlinge steun. Voor mij één van de mooiste passages uit de hele Bijbel. Het is niet te doen voor een mens die er helemaal alleen voor staat. Zonder bondgenoten, zonder ‘netwerk’, zonder familie en vrienden, zonder een gemeenschap die je ondersteunt hou je het niet uit. Van altijd maar te hopen, te geloven, te vechten en te blijven vertrouwen dat het uiteindelijk allemaal goed komt, kan een mens doodmoe worden. Dat is iets wat we herkennen, zeker in deze tijden van corona en lockdown. Maar als we met elkaar samen de hitte van de dag, de vermoeidheid van de avond en het donker van de nacht willen blijven dragen, krijgt deze droom van samenhorigheid en solidariteit tenslotte toch het laatste woord… Daarom alleen al is verbondenheid en gemeenschap vormen zo belangrijk: om het samen te kunnen uithouden in de woestijn, om in de moeilijke strijd tegen de ontmoediging en de wanhoop te kunnen overleven en overeind te blijven. We hebben allemaal bondgenoten nodig om de oversteek te kunnen maken naar de overkant, naar ooit een nieuwe toekomst in het ‘nieuwe normaal’. Ook de grote Mozes moest zich laten ondersteunen door Aäron en Chur, en kon ondertussen maar beter op een steen gaan zitten. Hij kreeg op de duur de kramp in zijn hart en een verlamming in de spieren, zegt de verteller, omdat hij absoluut wilde blijven geloven en hopen, terwijl het gevecht schijnbaar uitzichtloos was… Een christen heeft bondgenoten nodig. ‘Un chrétien isolé est un chrétien en danger (Mgr. Jacques Gaillot van Partenia). Geloven heeft altijd te maken met gemeenschap vormen. Een mens mag nooit in de steek gelaten worden, zeker niet in het geloof en in de hoop. Zonder broers en zussen, zonder ‘goed gezelschap’ houdt hij het niet uit. En ondertussen doet Jozua met inzet van al zijn krachten zijn ‘veldwerk’ daar beneden aan de voet van de berg – want dààr is het tenslotte dat het gevecht tegen onrecht, armoede en uitsluiting gewonnen of verloren wordt… Bidden doe je niet alleen (en vechten ook beter niet). Bidden doe je samen met bondgenoten. Ze zijn wel allebei even belangrijk, dat vechten en dat bidden. Je moet de twee blijven doen om te kunnen overleven. Bidden alleen is niet genoeg – maar vechten alleen ook niet. Vechten én bidden, op de plaats waar we staan, met de mogelijkheden die we hebben en op de momenten dat het ons lukt. Machteloosheid en wanhoop hoeven nooit het laatste woord te hebben, zegt de Bijbel op bijna elke bladzijde. Elkaar troosten, ondersteunen, bemoedigen… brengt God ‘Ik-zal-er-zijn’ voelbaar en tastbaar dichterbij. Laten we dank zeggen voor alle bidders en vechters in ons midden. Dat zij niet ophouden te blijven hopen en geloven, zodat wij het samen kunnen uithouden in de woestijn… Straks wordt het Pasen. Tijd om op te staan uit de dood en verder te gaan, op zoek naar toekomst en nieuw leven. ‘En toch…’

Geen andere weg valt er te bewandelen,

dan die van de solidariteit.

De handen in elkaar slaan,

kleinen en groten,

machtigen en zwakken.

Geen ander pad is er samen te effenen,

dan dat van de hoop.

Vechten tegen de ontmoediging

stapstenen leggen van moed en vertrouwen.

Geen betere energie is er,

dan die van de samenhorigheid.

Woorden en daden vinden

die mensen bij elkaar brengen,

over alle grenzen heen.

Geen krachtiger teken is er,

dan dat van vriendschap en liefde.

Getuigen worden van Gods droom

en bouwen aan Zijn huis

hier en nu reeds, te midden de woestijn.

Letterkapper Kristoffel BOUDENS. (gedenksteen voor de weggevoerden van Wereldoorlog II, op het stationsplein in Brugge)

**Twee, drie of meer… **

Twee, drie of meer die een ander op hun schouders nemen, een zieke, een verarmde, een gevluchte of verstikte: die zijn de Naam van God in ons midden.

Twee, drie of meer die hebben ingezien dat macht en geld geen mens tot vrede strekken, die gaandeweg besluiten om solidair en sober te leven: die zijn de Naam van God in ons midden.

Twee, drie of meer die hun hart hebben gezet op mededogen, hun handen gewend aan breken en delen, en daarom al meer en meer zichzelf uit handen geven: die zijn de Naam van God in ons midden.

Twee, drie of meer die voor hier en daar een ander mens een betere wereld willen maken, en die dat volhouden, even moedig als aanstekelijk: die zijn de Naam van God in ons midden.

Omdat ons geloof zo zwak is
en wij ons zo snel laten ontmoedigen,
omdat we zoveel angsten kennen: angst voor oorlog, angst voor het ouder worden, angst voor slechte tijden, angst vanwege onrecht waar geen einde aan komt, angst vanwege blinde welvaartswoede…

Omdat we bange mensen zijn, daarom herinneren wij ons Mozes, Jozua, Aäron en Chur die door de diepste diepten zijn gegaan maar er niet aan ten onder gingen.

Omdat onze woorden zo schamel en onze visie zo kortzichtig is, onze oplossingen dikwijls zo beperkt tot onze eigen kleine wereld; omdat we visioenen nodig hebben, en perspectieven die verder reiken dan tot hier en nu en eigen heil.

Omdat we vrienden nodig hebben, medemensen die ons helpen om overeind te blijven voor de lange tocht naar recht en vrede voor allen.

Omdat we wankelbaar zijn en vragen om ondersteuning in trouw en betrouwbaarheid, daarom willen wij telkens opnieuw gedenken Mozes, Jozua, Aäron en Chur.

Tot onze bemoediging, tot onze troost en sterkte, en om het vol te kunnen houden in het harde gevecht om de hoop.

(uit ‘Staande in een kring’ – Vier- en Leerhuis WTM)

Geen andere weg valt er te bewandelen,

dan die van de samenhorigheid.

De handen in elkaar slaan,

kleinen en groten,

sterken en zwakken,

denkers, durvers en doeners.

Geen ander pad is er te effenen,

dan dat van de hoop.

Vechten tegen de ontmoediging en

stapstenen leggen van moed en vertrouwen.

Geen betere energie is er,

dan die van het dicht bij elkaar blijven.

Woorden en daden vinden

die mensen samen brengen,

over alle grenzen heen.

Geen krachtiger teken is er,

dan dat van vriendschap en liefde.

Getuigen worden van Gods droom

en bouwen aan Zijn huisvan vrede

hier en nu,

midden alle onzin en de chaos

van dit onherbergzame bestaan.

Zullen we samen Gewoon samen Volhouden, lachen Huilen, zorgen Lief hebben, koesteren Elkaar steunen Vandaag en morgen Want als we samen Gewoon samen Volhouden, doen Begrijpen, streven Hopen, overwinnen Dragen, alles geven Zullen we samen Gewoon samen Weer kunnen genieten Van het leven

Fem.

Roger Raveel - Solidariteit


‘Amalek rukte op om Israël in Refidim aan te vallen. Toen zei Mozes tegen Jozua: “Kies manschappen uit en trek morgen ten strijde tegen Amalek. Zelf ga ik met de staf van God in mijn hand op de top van de heuvel staan.” Jozua deed wat Mozes hem had opgedragen. Hij bond de strijd aan met Amalek, terwijl Mozes, Aäron en Chur de top van de heuvel bestegen. En zolang Mozes zijn armen opgeheven hield, waren de Israëlieten aan de winnende hand. Maar liet hij zijn armen zakken, dan won Amalek. Tenslotte werden Mozes’ armen moe. Daarom haalden ze een steen waar hij op kon zitten. Aäron en Chur ondersteunden zijn armen, elk aan één kant. Zo bleven de armen van Mozes hoog geheven, tot zonsondergang toe. En Jozua versloeg Amalek en zijn leger daar beneden met het zwaard…’ (Exodus 17,8-13)

Wensen en uitdagingen voor onze nieuwe Bisschop Mgr. Lode Aerts:

Dat hij een beetje als Mozes mag zijn in het woestijnverhaal uit Exodus 17, 8-13. Een profeet die zijn volk voorgaat in vertrouwen op God ‘Ik-zal-er-zijn’. Die met de staf van de Goede Herder zijn mensen zegent en moed geeft. Die als een dirigent, desnoods tegen de klippen op, de maat blijft zwaaien voor een strijdlied van hoop en verzet, van ‘We shall overcome’ tot het Magnificat. Bezieler en tochtgenoot, medestrijder en bondgenoot van kleinen en zwakken. Gevoelig voor wat in de samenleving gebeurt. Middelaar tussen hemel en aarde, advocaat Pro Deo en pleitbezorger voor de armen. Levende antenne en bliksemafleider tegelijk; een zendmast die signalen uitstuurt naar een toekomst van bevrijding en menswording ten volle. Een beleidsman die uit is op gemeenschap en gedeelde verantwoordelijkheid. Die op zijn ‘berg’ daar in het bisdom een sterk team kan uitbouwen met ‘staf-medewerkers’ als Aäron en Chur (en liefst nog een paar sterke vrouwen er bij!) die zijn armen helpen hoog houden. Een hoopvol mens vooral, een ‘En toch-mens’. Bedacht op de Geest die waait waarheen Hij wil, in de Kerk, maar zeker ook in de wijde wereld – een Geest die Zich vaak laat voelen op onverwachte plaatsen, in doodgewone mensen en op niet vermoede momenten. We hopen op een bisschop die herder is, met maar één doel voor ogen: ‘Dat allen leven zouden hebben, en wel in overvloed…’ (Joh. 10,10).

Filip Carpentier, Geert Dedecker en Caroline De Meester – Dienst Diaconie bisdom Brugge Geert Dedecker en Caroline De Meester - ORBIT West-Vlaanderen

Zoeken in Preken Online