Wanneer een rechter zonder geweten uiteindelijk recht verschaft aan een arme weduwe, om van haar gezaag af te zijn, zoveel te meer zal God gehoor geven aan zijn geliefden die onophoudelijk tot Hem bidden (Lc 18, 1-8). “Vraag en u zal gegeven worden; zoek en ge zult vinden, klop en u zal worden opengedaan; want al wie vraagt verkrijgt… Is er soms onder u een vader, die zijn zoon een steen zal geven, als deze hem om brood vraagt ?…” (Lc 11, 1-13). Jezus is hierin formeel. Hij beloofde de verhoring van ons smeken. - En dan komt onze courante reactie: " Ik heb in tranen gebeden voor de genezing van mijn vrouw; ze werd gisteren begraven"; " ik heb bij herhaling gebeden dat ik werk zou vinden, en ik mag nog steeds gaan stempelen"… En zo kunnen we verder gaan. Is ons smeekgebed dan zelfbedrog ? God komt blijkbaar niet tussen ? Hij luistert niet of Hij is machteloos.
Merkwaardig is de slotzin: “Zal de Mensenzoon bij zijn terugkomst het geloof op aarde vinden ?” Het komt erop aan dat we bidden in geloof. En dat omvat twee voorwaarden:
- We moeten alle evangelieteksten samen zien. Jezus zegt in zijn tweede afscheidsrede: “Voorwaar, voorwaar (en dat is heel sterk), Ik zeg u: Wat gij de Vader ook zult vragen, Hij zal het u geven in Mijn Naam. Tot nog toe hebt ge niets in mijn Naam gevraagd. Vraagt en gij zult verkrijgen opdat uw vreugde volkomen zij.” (Joh 16, 23) Eerste voorwaarde. Men moet dus vragen in Jezus’ Naam. Daarom eindigen de liturgische gebeden steeds met de formule: “Dat vragen wij in de naam van J. C. uw Zoon”, of " Door J.C. onze Heer." Maar het moet meer dan een uiterlijke formule zijn; het moet in het hart zo zijn. Dat veronderstelt een innerlijke gezindheid. In iemands naam iets gaan vragen, betekent dan ook dat ge één zijt met deze persoon. Geruggesteund door Hem. We moeten dus in Jezus’ visie treden, ons bekeren tot zijn kijk op ons leven. Hij ziet verder, veel verder. Hij ziet juist. Zoals in onze kindertijd, onze ouders die verder zagen dan wij, terecht niet altijd onze grillige vragen hebben ingewilligd.
* Zo verstaan we perfect Jezus’ woorden: “Als gij in Mij blijft, en mijn woorden in u blijven, vraagt dan wat ge wilt, en ge zult het verkrijgen. " (Joh 15, 7). Het is een zaak van diepe eenheid met Hem, waarin we eerst Hem aan het woord laten: als Jezus’ woorden in ons blijven… Het is zaak van de Geest in ons te laten bidden: instrument zijn van de H. Geest die bidt. Paulus zei het zo: “De Geest komt onze zwakheid te hulp; want wij weten niet eens hoe wij behoren te bidden. Maar de Geest zelf pleit met onuitsprekelijke verzuchtingen… Hij spreekt ten beste naar Gods bedoeling.” (Rom. 8, 26-27).
* Het is dus niet zo dat we God voor ons karretje kunnen spannen. God is niet een automaat noch een toverfee. Godsdienst is ten slotte God God laten zijn. “Zoek eerst het Rijk Gods, en de rest wordt u erbij gegeven” Dat is de volgorde van het Onzevader: eerst de U-beden, en daarna de ons-beden. We moeten het zwaartepunt niet in ons, maar buiten onszelf leggen. Onze zorgen onderschikken aan Gods droom. Hij weet op afstand wat voor ons goed is. Hij weet wat we nodig hebben. En toch moeten we het vragen. Als we Gods Geest laten bidden in ons, gaan we misschien anders zien, anders verlangen en anders vragen. Echt smeken vergt bekering bij ons.
- En de tweede voorwaarde is dat we bidden in verbondenheid ook met de anderen. Verbondenheid zuivert ons van individualisme. We zijn nooit christen alleen, maar in de kerkgemeenschap. Vandaar dat andere woord van Jezus: “Dit is mijn gebod dat gij elkaar liefhebt zoals Ik u heb liefgehad… Dan zal de Vader u geven al wat gij Hem (nogmaals) in Mijn Naam vraagt.” (Joh 15, 12-16) En verder: “Wanneer twee van u eensgezind iets vragen… zullen zij het verkrijgen; want waar twee of drie in mijn Naam samen zijn, daar ben Ik in hun midden.” (Mt 19, 19). Het individuele bidden wordt ingeschakeld, verruimd en gelouterd in het gemeenschappelijk bidden van de Kerk.
* Wie zo verruimd is en vernieuwd is (a) in zijn verbondenheid met Christus, en (b) in verbondenheid met onze zusters en broeders in de Kerk, haalt ook de adem en het vertrouwen om voortdurend te bidden, volhardend, dag en nacht: zoals Mozes op de heuvel naast zijn broeder Aäron en naast Chur, die op den langen duur zijn open armen ondersteunden (1ste lezing). Dat is gelovig bidden. Gelovig bidden veronderstelt onthechting, innerlijke vrijheid en zekerheid van God, die verder ziet..zekerheid van God, st in volle vrijheid kunnen wij belijden dat Gij onze Vader zij.“eid van God, die ziet. broeders Zo baden wij daarnet in de openingsbede: “Kom Gij ons bevrijden, want pas in volle vrijheid kunnen wij belijden dat Gij onze Vader zijt.” Amen.