28e zondag door het jaar C

C-cyclus · Tijd door het jaar · 28e zondag · groen

Dag iedereen,

komende zondag, 28° zondag door het jaar-C - weekend van 8-9 oktober, moet ik niet preken. Beetje jammer, want de lezingen van deze zondag liggen me nauw aan het hart en spreken mij heel erg aan. Alleen is het jammer dat de eerste lezing niet het hele verhaal vertelt van de genezing van Naäman de Syriër. Zo’n sterk verhaal in stukken knippen zou zelfs de liturgische kalendermaker niet mogen doen. Heiligschennis, als je het mij vraagt…

En het verhaal van de tien melaatsen die door Jezus genezen worden is alweer zo knap verteld door Lukas, de meester-verteller - niet voor niets wordt hij de patroon van de schilders genoemd. Met enkele penseeltrekken weet hij een prachtig schilderij te maken, dat ons aankijkt en intrigeert en bevraagt: Wat denk je ervan? En wat doe je er mee..?

In bijlage alweer wat gedachten die mogelijk tot een homilie kunnen leiden. Plus wat ‘prentjes’ - wie weet voor de power-point. En dan ook een sterke homilie die Marc Dhondt drie jaar geleden mede vanuit deze gedachten op papier zette. Ik mocht die met zijn toelating ‘graag’ naar jullie doorsturen…

In de hoop dat ergens iemand daar iets kan mee doen. Voor de homilie van komende zondag, of voor een bezinning en/of groepsgesprek al of niet in het kader van de ‘Synodale Kerk’. Of wie weet in het kader van de Missiemaand…

Met hartelijke groet - in verbondenheid!

geert


28° ZONDAG DOOR HET JAAR – C MARC DHONDT

DE WONDERBAARLIJKE GENEZING VAN NAÄMAN – 2 Koningen 5,1-17

Tien melaatsen… Als er een telwoord staat in de Bijbel is dit nooit ‘zomaar’.

Waarom 10? Tien is het minimum aantal leden van een synagoge, een kerkgemeenschap.

Je zou dus kunnen lezen; de Joodse kerk is ziek.

En je zou dat ook van onze kerk vandaag kunnen zeggen; ze is melaats.

(Wel passend, op deze dag van de chronisch zieke mens.)

Ook Naäman was melaats.

Ik probeer onze kerk - die ene, heilige katholieke en apostolische kerk –

op het verhaal van Naäman te leggen.

Naäman en de kerk vandaag zijn ziek. Maar er zijn betere tijden geweest.

Naäman had oorlogen gewonnen voor zijn koning.

Ook ik, kerk, heb mijn verdiensten, vele eeuwen lang.

De eerste tijd heb ik die ‘blijde boodschap’ verkondigd, overal.

Dat gebeurde niet zonder slag of stoot.

Velen onder ons werden voor het geloof gedood. Maar ook bewonderd.

In geen tijd werd de ganse bekende wereld gekerstend.

Dan kwam de eerste erkenning. Het rijke Roomse leven.

Nog altijd die mooie boodschap van weleer, maar in een gouden kader gepresenteerd.

Soms werd het een gouden kooitje.

Maar ook dan stond er altijd weer iemand op die schudde aan de boom.

Bekering. Terug naar de bron.

Denk maar aan de heilige Franciscus. Bedelmonnik.

Arm met de armen, want zij zijn toch Gods meest geliefde kinderen…

De wereld werd nog breder ontdekt. Nieuwe horizonten, vreemde volken waren te bekeren.

Hoeveel missionarissen zijn er op uit getrokken.

Het ‘goede nieuws’ werd verspreid. Niet altijd even succesvol. Maar wel goed bedoeld.

Verschillende tegenslagen heb ik verwerkt. Uit diepe valkuilen gekropen, keer op keer.

Maar nu ben ik, kerk van vandaag, moe en ziek. Ze lopen van me weg. Ik ben melaats.

Naäman kreeg de richting aangewezen.

Ga naar Israël. Daar is een profeet. Die zal je wel genezen.

Maar ik, kerk, naar wie zou ik gaan?

Er zijn allerlei artsen, psychologen en therapeuten met allerlei adviezen en remedies.

Er zijn trendwatchers en gedoodverfde studiogasten, allerlei krantencommentatoren, de woordvoerders van de officiële kerk en de eeuwige oppositievoerders.

De enen zeggen bijna niets, en de anderen weten bijna alles.

Waarom werd ik ziek?

Ik weet het niet… Men kwam toch altijd naar mij toe? Ik had God in mijn hand…

Nee, zei men mij. Je ziet er niet uit. De mensen keren zich van je af. Je bent melaats.

Oké. Ik zie er niet uit. Maar binnenin, daar draag ik nog de schat van Gods woorden.

Ik ga op zoek naar zo ’n profeet, zoals destijds die Naäman.

Die geeft me dan wel een facelift à la pano. Die brengt me weer verkoopbaar onder de mensen.

Die maakt mijn buitenkant, mijn imago weer schoon.

Naäman hoorde de boodschap van de profeet, hoe hij kon genezen. Die profeet kwam niet eens zelf naar buiten. Hij wist zeker niet wie daar stond?

De held die vele oorlogen had gewonnen, die vele watertjes had doorzwommen.

En wat die profeet dan zei: daal in de Jordaan en ga je wassen, zeven keer.

Dat was toch al te gek. Dat was het enige advies dat de profeet hem had mee te delen.

Naäman kon enkel genezen door af te dalen in die lage rivier.

Eerst wou Naäman daar niet van weten.

Maar door zijn dienaren raakte hij toch overtuigd, deed het én genas.

Wat volgens de Schriften en de God van Israël ook onze kerk tot genezing strekt,

is eigenlijk zeer eenvoudig.

De Jordaan is naar ‘t schijnt de laagste van alle rivieren ter wereld.

Ze ontspringt aan de voet van de Hermon

en daalt zo’n vierhonderd meter onder de zeespiegel af, om dan in de Dode Zee uit te monden.

Eigenlijk wil dat dus zeggen dat ik, kerk, moet neerdalen, dat ik heel diep moet gaan.

Het zal niet genoeg zijn als ik mijn buitenkant wat oppoets.

De Bijbel herhaalt het telkens weer: wie voet aan de grond wil krijgen in het Beloofde Land,

moet eerst helemaal ondergedompeld worden in het water van de Jordaan.

Moet zich laten dopen. Moet laag willen mikken

en nederig de nederigheid opzoeken van het laagst mogelijke stand-punt op aarde.

Dat maakt het meteen ook makkelijker om op te kijken naar wie geen leven heeft of slachtoffer is…

Ik moet aan de kant gaan staan van de naamloze mens.

Zo kopje onder gaan, als een vrij gekozen sterven om waarlijk ‘anders’ weer op te staan.

Ik ben de kerk.

Ik zal roepen: ‘Jezus, Meester, heb medelijden met mij. Ontferm U over mij.’

Ik moet de dieperik in. Ik moet radicaal een ander stand-punt gaan innemen.

Eerst, noodgedwongen, mijn trots afleggen, me laten dopen in nederigheid.

Om tenslotte uit dat doopwater weer omhoog te stijgen, op mijn Paasbest.

En Hij zal mij liefdevol aankijken, met die ogen van ‘Ik zal er zijn’.

En Hij zal me wegsturen en zeggen dat ik me moet laten zien aan de priesters.

Onderweg, al gaande, voortdoende zal ik dan genezen.

Alleen al door te vertrouwen op dit woord, zal ik veranderen.

En als ik dan van mijn melaatsheid genees, zal ik terugkeren,

me aan Zijn voeten werpen en Hem bedanken.

Misschien als enige van die tien…

Zoeken in Preken Online