28e zondag door het jaar C

C-cyclus · Tijd door het jaar · 28e zondag · groen

Homilie op de Missiezondag (20 oktober 2013)

Tielt, 20 oktober 2013

In de geschiedenis van Europa is er een groot hoofdstuk waarover we niet fier kunnen of mogen zijn, namelijk het hoofdstuk over het kolonialisme. Daarmee bedoel ik hoegenaamd niet dat al wie in één of andere kolonie gewerkt heeft, slecht werk heeft verricht. Integendeel! Economisch hebben de koloniale mogendheden veel gerealiseerd: ze hebben wegen en spoorwegen aangelegd, mijnen ontgonnen, fabrieken gebouwd, landbouw en veeteelt tot bloei gebracht, enz… De Europese landen hebben met dat alles vooral zichzelf verrijkt. Dat was ook hun bedoeling.

Om dat doel te bereiken, leken vele middelen gewettigd: de inlandse bevolking werd soms verknecht en uitgebuit, soms zelfs als slaaf verkocht en verdreven naar een ander continent, soms ook uitgemoord. Meestal werd weinig rekening gehouden met de eigen geaardheid, godsdienst, cultuur of leefgewoonten van de inheemse bevolking. De bijzonder bitsige toespraak van de eerste Kongolese premier Patrice Lumumba bij de plechtige onafhankelijksverklaring van Kongo in 1960 was op dat moment zeker ongepast, te scherp en te eenzijdig, maar zijn striemende aanklacht tegen de koloniale misbruiken was toch op feiten gebaseerd. Dat kunnen we, tot onze grote spijt, niet loochenen. Je hoeft maar het bekroonde boek “Congo, een geschiedenis” te lezen van David Van Reybrouck, dat in 2010 verscheen.

Zo totaal anders is in ons geschiedenisboek het hoofdstuk over de missionarissen. Niet dat ook zij geen fouten gemaakt hebben of volmaakt waren! Lange tijd hebben ze onze westerse beleving van het geloof misschien te veel opgedrongen en te weinig rekening gehouden met de eigen culturele en religieuze tradities van de mensen in die missielanden. Soms was de missionaire aanpak te paternalistisch, enz… Dat alles kan best waar zijn. Maar dat is het verleden beoordelen of veroordelen met de normen van vandaag, wat steeds onrechtvaardig is.

Wat zeker waar blijft, is dat de missionarissen naar de missielanden getrokken zijn, niet om zichzelf te verrijken. Wel integendeel! Ze hebben zelf veel ontberingen doorstaan, hebben spaarzaam geleefd en in hun thuisland gebedeld om scholen en kerken op te richten, ziekenhuizen te bouwen en uit te rusten, om de noden van de vele armen te lenigen, enz… En ze hebben daarbij aan de mensen ter plaatse Jezus’ blijde boodschap van liefde verkondigd als een bron van geluk. Wat ze gedaan hebben om de mensen in die landen te bevrijden uit de angst van hun bijgeloof of primitieve godsdienst of animisme, hun inzet en boodschap voor de emancipatie van de vrouw en voor de liefde in het gezin, zijn bronnen van bevrijding geweest voor de mensen in die landen.

In 1982 heb ik een reis of liever een expeditie meegemaakt in de Afrikaanse Sahel-landen Mali en Burkina-Faso. De laatste dagen was ik te gast bij een oud-leerling, die in opdracht van de F.A.O. (de Wereldvoedselorganisatie) als landbouwingenieur werkte in Ouagadougou, de hoofdstad van Burkina-Faso, toen nog Opper-Volta genoemd. Die jonge man was sinds zijn collegetijd ongelovig geworden, maar had een enorm respect voor een missionaris die reeds meer dan 30 jaar daar werkte. Het getuigenis van die ongelovige landbouwingenieur is onvergetelijk. “Wat ik hier doe, zei hij, haalt niets uit. Ik word hier goed betaald, woon in een mooie villa met alle comfort en over 2 jaar ben ik hier weg. Maar wat die pater doet, dat is serieus: hij heeft aan de mensen hier geleerd hun land te bewerken en beesten te kweken. Hij heeft een school en een ziekenhuisje opgericht en hij heeft hun vooral geleerd dat ze pas gelukkig worden als ze elkaar graag zien. Aan ons, zo zei die oud-leerling, moet je niets geven: dat rendeert toch niet! Maar als zo een missionaris naar België komt, geef dan maar veel. Hij zal het goed gebruiken. Zelfs als hij er een fles whisky mee koopt voor zichzelf, dan is het nog goed besteed, want ook dat heeft hij soms nodig om het vol te houden.” Het getuigenis van die jonge ongelovige landbouwingenieur in Burkina-Faso was onverdacht eerlijk en realistisch.

Vandaag is het Missiezondag. Als gelovigen worden we opgeroepen om te bidden voor onze missionarissen, omdat wij overtuigd zijn dat zij het soms heel lastig hebben. Het vergt op vandaag veel inspanning om zich bestendig in te leven in de volksaard en de gebruiken van de lokale bevolking. Vooral sinds het 2e Vaticaanse Concilie zijn de lokale kerken in die landen in handen gegeven van de inheemse bisschoppen, priesters, religieuzen en leken. Ook dat is voor vele missionarissen een hele aanpassing en vergt bijzonder veel onthechting. Daarbij komt nog dat ze in veel onrustige landen haast nog de enige buitenlanders zijn die ter plaatse durven of mogen blijven. Bid er maar voor, in de overtuiging dat wij, westerse christenen, van die jonge kerken veel te leren en te ontvangen hebben en dat zij zelf missionair geworden zijn. Misschien staat hier over 25 jaar een zwarte of bruingele priester te preken.

We doen ook een beroep op uw vrijgevigheid. Wees gerust, zoals die landbouwingenieur in Burkina-Faso het zei: uw gift wordt goed gebruikt!

G. Buyse, pastoor-deken em. Tielt

Zoeken in Preken Online