Aan het instituut, dierbare gasten en parochianen van deze Vredeskerk; aan het instituut waaraan ik ooit, in een grijs verleden theologie studeerde, hier in Amsterdam; daaraan was als hoogleraar Oude Testament in een eerdere fase (dus “vóór mijn tijd” zoals dat heet); daaraan was als zodanig verbonden gewéést pater Han Renckens S.J. Deze Renckens, die ik zelf nauwelijks heb gekend, was zo iemand die totaal vergroeid was geraakt met zijn object van studie. Hij was, om zo te zeggen, een rondwandelend Oude Testament - dat we overigens in die tijd en eigenlijk nog steeds niet zó mogen noemen, (“Oude” Testament) - want dat is niet respectvol ten aanzien van het boek en ten aanzien van de joden: “oud” alsof het “verouderd” zou zijn; alsof het en alsof zij (de joden met hun geloof) er niet meer toe zouden doen … Welnu. Deze professor Han Renckens schreef eind tachtiger jaren een boek onder de titel: “Je eigen Schrift schrijven”. Ik heb dat nooit gelezen, maar ik denk dat ik wel precies weet wat Renckens met die titel wilde zeggen, namelijk:
1˚: De bijbel, de Heilige Schrift, heeft voor elk mens een eigen, unieke boodschap. Je leest de bijbel altijd op jóuw manier; tegen de achtergrond van jouw eígen levenservaringen en -vragen. En je kunt op dit punt zelf nog een beetje verder gaan. Die titel wil namelijk denk ik ook zeggen:
2˚: Elk mens heeft zijn of haar bijbel, zijn of haar heilige boek. En dat boek, veelgeliefden, dat is ons het boek van ons leven: Wat heb je gedaan in je leven? Welke keuzes heb je gemaakt? Met wie heb je samengeleefd? Met wie heb je je leven gedeeld? Heb je geleerd of niet? En waaróm niet? Heb je gewerkt of niet? En waarom heb je dit of dat werk gedaan? Hoe kwam dat? Hoe heb jij je kostbare levenstijd besteed? Heb je die tijd goed gebruikt? Of heb je ook misschien tijd en een stuk van je leven, bepaalde verhoudingen wellicht verprutst? En wat is de achtergrond daar dan van? Heb je genóten van je leven? Of ben je vaak een soort treurwilg geweest?
- Allemaal vragen die je bij je eigen leven kunt stellen veelgeliefden. En het verhaal dat jij kunt vertellen over jouw leven, dát is jouw eigen schrift, jouw heilige boek van jouw ervaringen. En misschien dat er wel raakvlakken zijn tussen jouw eigen heilige schrift aan de ene kant en aan de andere kant de bijbel, één van de heilige boeken van de mensheid, het heilige boek van ons allen, van het volk God, van de kerk … Misschien veelgeliefden bestaat jouw eigen schrift alleen maar in je hoofd, maar er zijn ook mensen die schrijven ’t uit en op, hun levensverhaal. Vandaag wordt hier bij ons in de kerk en vanmiddag op de pastorie een reünie gevierd van een groep mannen die ooit, in 1955 met elkaar in de 6e klas van de Theodorus-school aan de Roerstraat zaten, één van de parochiescholen die geleid werd door broeders. Die jongens van destijds zijn nu, voor zover nog in leven, allemaal begin zestig. Bij gelegenheid van de reünie is er een boekje uitgekomen onder de titel: “Jongens van zestig”. Een aantal reünisten vertelt daarin het eigen levensverhaal. Het is in die zin dus inderdaad hun “eigen schrift” - in de zin zoals professor Renckens het bedoelde.
Ik heb dat boek van die “jongens van zestig” zeer geboeid gelezen en herlezen. In de kantlijn heb ik allerlei strepen, krabbels en uitroep- en vraagtekens gezet in verband met dingen die míj opvielen en die míj raakten. Graag geef ik U een aantal citaten:
-
“Nog verder was de toren van de Vredeskerk te zien, waar we iedere ochtend naar de mis gingen: niet de meest opwindende herinnering.”
-
“Onze school stond in Amsterdam-Zuid, met bewoners die wat bekakt neerkeken op mensen die uit de buurt van De Pijp kwamen.”
-
“Als katholiek jongetje werd je geïndoctrineerd met een overweldigende informatie die dat je tot het juiste, oorspronkelijke geloof behoorde en de anderen “heidenen” zijn. Je eigen gedrag kon bijdragen tot bekering van de anderen! Je hoorde dus nooit wat over de verschillen tussen en de waardevolle elementen van andere geloven of opvattingen. (…)” Je werd “in een keurslijf gedrongen, dat nu niet meer te geloven is.”
-
“Nooit vergeet ik de eerste de beste les Duits waarin pater Brinkhoff S.J. op een meegenomen koffergrammofoon “Der Erlkönig” van Schubert ten gehoren bracht, een schokkende en onvergetelijke belevenis, die zonder twijfel voor de rest van mijn leven mijn passie voor muziek mede heeft bepaald.”
-
" (…) wat me echt naast de dood van m’n moeder en recent van m’n vader ten diepste heeft beroerd zijn twee echtscheidingen (wroeging), m’n drie kinderen en m’n grote liefde (naam) waar ik al zestien jaar mee samenleef en recent ben getrouwd."
-
“Krachten roepen tegenkrachten op, dat lijkt mij wel het sterkste kenmerk van een stabiliserend leven, dat tegelijkertijd in ontwikkeling blijft. Een effectenhandelaar als vaderroept onweerstaanbare sympathieën op voor het socialistische gedachtengoed. Een ondernemende winkelierster als moeder wekt een gezonde weerzin tegen de middenstand als burgerlijke categorie. Een klokkenmaker als grootvader leidt onvermijdelijk tot achteloze omgang met de tijd. Zo voert de militaire dienstplicht tot pacifistische gevoelens en de huwelijkstrouw tot overspel en scheiding.”
-
“Door een aanrijding buiten mijn schuld moest ik van de ene op de andere dag stoppen met werken. Na één jaar belandde ik in de WAO en werd uiteindelijk ontslagen na zevenendertig jaar werkzaam geweest te zijn bij hetzelfde bedrijf. (…) Contact met bedrijf en collega’s is er niet meer. Weg is inderdaad weg.”
-
“Wat me steeds meer gaat opwinden, is hoe er met ouderen wordt omgegaan. Hoe geld uitmaakt of je wel of niet dagelijks wordt gewassen. De schande van een rijk land en een schande voor politiek en kinderen. Het wordt tijd dat alle babyboomers (…) de vlam in de pan smijten om de echte ouderen te beschermen. Ze komen zichzelf in hun geweten tegen als ze dit niet doen (…). Op met de vaandels! Vooruit met gelijke zorg voor ouderen die zelf niet meer uit de voeten kunnen. Geef ze de hartelijkheid en liefde die ze nodig hebben.”
Zomaar wat citaten uit dat boek “Jongens van zestig”: woorden waarin zij hun levenservaringen, -inzichten, -opvattingen en -wijsheid hebben uitgedrukt, woorden waarin zij ook hun gelóóf, hun twijfel en hun ongeloof hebben uitgedrukt. “Ik ben tot op het bot een papenhater geworden” schrijft één van de mannen. Hier op deze plek, onder dit dak, moet het natuurlijk over geloof gaan. De bijbel, de Heilige Schrift, zét ons op dat spoor veelgeliefden. Wat is precies “geloof”? De profeet Jesaja, in de eerste bijbel-lezing die we gehoord hebben, heeft het over mensen die doof en blind zijn, mensen die gewoon niet in de gaten hebben wat er in de wereld aan de hand is: “Ze waren omringd door vlammen, maar zagen niet in waarom, ze stonden in brand, maar trokken er geen lering uit.” Gelóven derhalve, veelgeliefden, gelóven in het spoor van Jesaja dat heeft, zo lijkt mij, te maken met: goed je ogen en je oren gebruiken, goed wáárnemen wat er in de wereld en onder de mensen, wat er in je eigen leven en in je eigen ziel gebéurt. Jezus, in het evangelie, heeft het rechtstreeks over geloof: “Als jullie geloof hadden als een mosterdzaadje, (dan) zouden jullie tegen die moerbeiboom zeggen: “Trek je wortels uit de grond en plant jezelf in zee!” - en hij zou jullie gehoorzamen.” Uiteraard gebruikt Jezus hier een zogenaamde “hyperbool”, oftewel, op z’n hollands: Hij overdrijft. Om ons wakker te schudden natuurlijk. “Geloven” dat heeft in deze evangelie-passage niet te maken met het “Credo”, met het geloof in de Heilige Drieëenheid of met dat in de werkelijke tegenwoordigheid van de Heer in de Heilige Eucharistie. Nee, mensen, geloven is op de allereerste plaats geloven in jouw eigen mogelijkheden om wat van je leven en van de wereld te máken, om er invloed op uit te oefenen en om iets te veranderen, liefst ten goede; zodanig dus dat mensen er gelukkig van worden. , Heel vaak hoor je van mensen: “met een computer omgaan, dat kán ik niet, ik ben te oud om dat te leren.” Of: “Nee, zingen kan ik niet.” “Ik kan geen noten lezen.” “Ik kan geen toon houden.” Of: “Nee, engels leren of een andere vreemde taal leren, dat kan ik niet.” Of: “Vroeg opstaan kan ik niet. Ik ben een avondmens …” Als mensen dit soort dingen zeggen, veelgeliefden, dan zijn dat gelóófsuitspraken, uitspraken waarin mensen een negatief geloof, ja óngeloof omtrent zichzelf tot uitdrukking brengen. Als wij vroeger thuis zeiden: “Dat kan ik niet”, dan zei m’n moeder altijd: “Kan-niet die ligt op ’t kerkhof” - en gelijk had ze. Dus als mensen zeggen: Ik kan niet computeren of zingen of engels leren of vroeg opstaan of wat dan ook, dan geloof ik daar geen snars van - waar je mensen heel boos mee kunt maken als je dat laat blijken, want zelf geloven ze vaak heílig in hun eigen ongeloof omtrent zichzelf. Misschien zegt U: Ja, maar ik wíl helemaal niet computeren of engels leren of leren zingen of vroeg opstaan. Ja, veelgeliefden, dat zou natuurlijk kunnen, dat iemand dat niet wil. Maar zeg dát dan. En zeg niet: Ik kan dat niet. ĺk kan dat niet. Jij kunt veel meer dan je denkt. Je kunt in elk geval een heel eind komen - als je er maar in gelooft, als je maar durft te geloven in jezelf. Want, veelgeliefden, hoe zou je in liefde en vriendschap tussen mensen, hoe zou je in een ander mens, in een partner of in wie dan ook en hóe zou je in God kunnen geloven als je niet eens in jezelf durft of kunt geloven?
Iemand die er helemaal geen last van had, van ongeloof in zichzelf en haar eigen mogelijkheden dat was de heilige Theresia van Lisieux, de kloosterzuster die in 1897 op vierentwintigjarige leeftijd stierf, maar die het wèl tot kerklerares heeft gebracht. Met een lang citaat uit haar autobiografie “De geschiedenis van een ziel” wil ik deze verkondiging besluiten: Omdat tijdens de meditatie mijn verlangens mij een echte marteling waren, deed ik de brieven van de heilige Paulus open om een antwoord te vinden. Mijn oog viel op het twaalfde en dertiende hoofdstuk van de eerste brief aan de Korintiërs. In het eerstgenoemde hoofdstuk las ik dat niet allen apostelen, profeten of leraars kunnen zijn… dat de kerk uit verschillende leden bestaat, en dat het oog niet terzelfder tijd hand kan zijn. Het antwoord was duidelijk, maar stilde mijn verlangens niet, het gaf me geen vrede.
Zonder de moed te verliezen las ik verder, en deze zin vertroostte mij: ‘Gij moet naar de hoogste gaven streven. Maar eerst wijs ik u een weg die verheven is boven alles’ (1 Kor. 12, 31). En dan legt de Apostel uit hoe zelfs de volmaaktste gaven niets zijn zonder de liefde, en dat de liefde de verheven weg is die zeker leidt naar God.
Eindelijk had ik rust gevonden. Bij het beschouwen van het mystieke lichaam, de kerk, had ik mij in geen van de ledematen die de heilige Paulus beschrijft, herkend, of liever, ik wilde me in alle ledematen herkennen. De liefde gaf mij de sleutel van mijn roeping. Ik begreep dat, als de kerk een lichaam is dat uit verschillende ledematen is samengesteld, het noodzakelijkste en edelste lid haar niet kan ontbreken; ik begreep dat de kerk een hart bezat, en dat dit hart brandde van liefde. Ik begreep dat alleen de liefde de leden van de kerk tot handelen aanzette, en dat, als het vuur van de liefde zou gedoofd worden, de apostelen zouden ophouden het evangelie te verkondigen, de martelaren zouden weigeren hun bloed te vergieten. Ik begreep dat de liefde alle roepingen insloot, dat de liefde alles was, dat zij alle tijden en alle plaatsen omvatte, in een woord: dat zij eeuwig is!
Toen heb ik in de overmaat van mijn uitzinnige vreugde uitgeroepen: 0 Jezus, mijn Liefde, eindelijk heb ik mijn roeping gevonden: mijn roeping is liefde! Ja, ik heb mijn plaats in de kerk gevonden, en deze plaats, mijn God, hebt Gij mij gegeven: in het hart van de kerk, mijn moeder, zal ik de liefde zijn. Zo zal ik alles zijn. Zo wordt mijn droom werkelijkheid! Moge, veelgeliefden, moge die liefde waarover Theresia spreekt, moge die liefde die alles is, moge die in ons allen zíjn. God is liefde. Liefde is God. Dat wij erin mogen geloven. Dat wij erin mogen zíjn. Dat jij in liefde je eigen schrift kunt schrijven. Amen.