Homilie op de 27e zondag: Geloof als een mosterdzaad (Lc. 17, 5-10)
Tielt, 6 oktober 2013
De evangelietekst, die we zopas beluisterd hebben, bevat twee stukjes die niet zo direct met elkaar verband houden.
Toch gaat het in beide gevallen om de juiste verhouding met God: het geloof en de dienstbaarheid.
Dat mensen dienstbaar moeten zijn, lijkt vanzelfsprekend. Ze ervaren immers elke dag dat egoïsme een bron is van miserie in een gezin, in de maatschappij, in de grote wereld. En wie zich opsluit in de bunker van zijn egoïsme, verstikt zelf erin op korte tijd.
Met het geloof is het op onze dagen heel anders gesteld. Geloven is thans voor de meeste mensen niet langer vanzelfsprekend.
Ik weet wel, elke tijd heeft zijn geloofsproblemen gekend. Maar het typische van de geloofscrisis, - of, moeten we zeggen de afwezigheid van het geloof? – is dat die algemeen is: doorgedrongen tot in de brede volkslagen, zowel bij hoog- als bij laaggeschoolden, in elke stand of beroep, in heel West- en Midden-Europa en zelfs ver daarbuiten. Zelfs in de meeste van onze traditioneel gelovige families en gezinnen, - kijken we maar in onze eigen familie, - zijn er mensen met geloofsproblemen of zelfs zonder geloof.
Die geloofscrisis is niet alleen algemeen. Ze is ook veel radicaler: ze brengt de zin zelf van het geloof in het gedrang. Het is een kwestie van “to be or not to be”. Wat door de hedendaagse mens in vraag wordt gesteld, is niet zozeer dit of dat geloofspunt, maar wel de zin zelf van het geloof.
De ouderen onder ons hebben een andere tijd gekend, waarin het geloof en de geloofspraktijken de meest natuurlijke zaak ter wereld waren.
De moeder in verwachting bad voor het kindje dat moest geboren worden. Nu gaat ze terecht naar de gynaecoloog, die haar zelfs kan voorspellen of het een jongen of een meisje wordt.
Er werd gebeden of men ging dienen om de genezing van een zieke te bekomen. Bij middel van de geavanceerde medische apparatuur en onderzoeken allerlei kan de arts nu met grote nauwkeurigheid aantonen om welke ziekte het gaat en hoe groot de kans op genezing is.
We moeten blij zijn om de spectaculaire vooruitgang van de geneeskunde.
Er werd gebeden om mooi weer of, als het te lang regende, deed men een noveen om regen te bekomen. Nu luistert men naar het weerbericht, dat vrij nauwkeurig ongeveer een week op voorhand voorspelt welk weer er ons te wachten staat. Met ons weerkundig instituut moeten we gelukkig zijn.
Men bad voor de vruchten der aarde. De bio-ingenieurs leggen je nu uit waarom die vruchten op dat veld groeien of niet groeien. Dat ze dat kunnen is een zegen voor de landbouw.
Dat lijstje waarom de mensen vroeger baden, kun je zelf aanvullen.
Daarenboven heeft men bij de mensen de illusie gewekt dat je voor alles wat je niet in handen hebt een verzekering kunt afsluiten. In ieder huis is er een grote lade met verzekeringspolissen. De moderne mens is verzekerd tegen ziekte en invaliditeit, tegen werkloosheid, tegen de ouderdom. Hij is zelfs verzekerd tegen de dood, want hij heeft een hoge levensverzekering. Hij is verzekerd tegen brand en, sinds enkele jaren, ook tegen een aardbeving of een natuurramp. En voor de gevallen waarvoor je geen verzekeringspolis hebt, is er het nationaal rampenfonds.
Die ontwikkeling moet ons verheugen op voorwaarde dat we niet zelfgenoegzaam of hoogmoedig worden, op voorwaarde dat we niet gaan denken dat we zelf alles in handen hebben, op voorwaarde dat we nog beseffen dat we wel heel veel kunnen verklaren behalve misschien onze diepste levensproblemen, op voorwaarde dat we nog beseffen dat we ons tegen heel veel onheil kunnen verzekeren behalve tegen b.v. de liefde in een relatie, het lijden van een zieke of stervende, het verdriet om een afsterven, de eenzaamheid van de oude dag, het onbegrip onder mensen, enz…
Dan kom je op een heel ander terrein, dan bots je op je grenzen. Voor die problemen biedt het geloof, - ik durf niet zeggen een antwoord, - maar in elke geval een boodschap: een boodschap die geen theorie is!
Hoe dikwijls horen we niet uit de mond van een zieke, van een vrouw die vroeg haar man verloor, van mensen getroffen door tegenslagen: “Gelukkig dat ik geloof heb!”
Heeft onze wereld, waar er toch zoveel ellende, ontevredenheid en droefheid zijn, veroorzaakt door het egoïsme van mensen, niet dringend behoefte aan mensen die Gods blijde boodschap verkondigen en beleven, mensen als een Pater Damiaan die het lijden van melaatsen poogde te verzachten door zijn aanwezigheid, een Mother Teresa en haar volgelingen die de sukkelaars en stervenden op straat letterlijk oprapen, een Soeur Emmanuelle die in een interview zei: “La vie est belle quand on aime en quand on partage” (Het leven is mooi als je bemint en deelt). Onze huidige paus heeft heel bewust de naam Franciscus gekozen, omdat hij heel goed beseft dat, als we mensen weer gelukkig willen maken, er nood is aan vrede en dienstbaarheid.
Er is misschien meer dan ooit te voren nood aan dat mosterdzaadje van het geloof. Het hoeft geen moerbeiboom te zijn met zijn diepe, vertakte wortels, die 50 meter hoog worden en de eeuwen trotseren met hun versterkte wortels, zodat er sterke mannen vandoen zijn om hem los te graven en uit te trekken. Het kleinste zaadje geloof kan dat ook. En zoals je weet, er zijn geen grote mosterdzaadjes.
Als we maar dat greintje geloof zouden hebben, dan zouden we in moeilijke omstandigheden niet langer zeggen “Ik zie er als een berg tegen op!”. Neen, dan zou ons greintje geloof bergen verzetten.
Dat is bemoedigend en een troost voor ons allen.
Gabriël Buyse, pastoor-deken em. Tielt