a. Met mate “Heer, geef ons meer geloof.” Het is niet zeker dat wij de bede van de apostelen tot de onze maken. Wij vragen veeleer: “Heer laat mij mijn klein geloof behouden en belet dat het te groot wordt.” Dan hebben we er niet te veel last van en komen wij niet te vroom over. Wij laten niet merken dat wij stevig geloven, zeker niet overdag. Misschien branden we in de nacht toch een kaarsje voor onze lievelingsheilige! Wie weet waarheen een te groot geloof kan leiden. Volgens Jezus heel ver! Hij verzint om dit te verduidelijken een gesprek tussen een mostaardzaadje en een moerbeiboom. Het kleine mostaardje vraagt aan de stevig in de grond gewortelde moerbeiboom zich te ontwortelen en zich in de zee te planten. Jezus zegt dat wij ons aan het gewone moeten durven ontrukken, zelfs de stabiliteit van de grond opgeven om ons toe te vertrouwen aan de golven van de zee. Hij zet de dingen op hun kop. Wie durft dergelijk avontuur aan? Het gebed om meer geloof gelijkt op dat gebed om heiligheid, waarvoor Leon Bloy waarschuwde. “Bid niet om heiligheid, want het zou wel eens kunnen dat God je gebed verhoort.” Wij houden het daarom bij een alledaags geloof. In het begin van de tweede wereldoorlog schreef Jacques Leclerq een schalks boek over heiligen uit ons Belgenland. Hij beweerde daarin dat ons land in vergelijking met andere geen gespuis en geen heiligen had. Mocht dit sindsdien gewijzigd zijn, dan voelen wij ons toch nog gemakkelijker bij het gewone en het middelmatige. Juist daardoor schokt Jezus ons vandaag. Want hij wil dit doorbreken! b. Dienen met vertrouwen Anderzijds willen we niet voor een “gewone” sterveling doorgaan. Wat doen wij al niet om op te vallen. Daarom voelen wij niet zoveel voor die parabel van Jezus over de gewone knecht. De verhouding meester knecht ligt ons absoluut niet. Ik ben niemands knecht en niemands meester. En als het dan toch over knechten gaat, dan liever een ‘buitengewone’ knecht dan een ‘gewone’. Met de parabel van de ‘gewone’ dienstknecht eert Jezus de mens, die zijn werk trouw doet en daarin zijn voldoening vindt. Nadat gans de weg afgelegd is, verklaart Jezus in zijn afscheidsrede dat zijn apostelen voor hem vrienden zijn geworden. In het leven en werk van elke dag is dit niet zo duidelijk. Daar voelen wij ons als een ondergeschikte, een pion op een bord, een schakel van een ketting, zo vlug vergeten als je niet meer dient. Als wij echter weten wie wij dienen en waarvoor wij dienen, kunnen wij een opdracht gemakkelijker aan. Dan kunnen wij beamen dat de dienst aan de Heer een koninklijke taak is. Cui servire, regnare est. De Heer dienen, dat is met Hem regeren. In dienst staan van een goede heer is een gunst. Belangrijk is hierbij te weten wat je werk betekent. Die mensen zouden zich het gelukkigst voelen, die zien dat hun werk iets uithaalt. Zo scoren zorgverleners hoog onder de beroepen, die zich zichzelf gelukkig achten. Ze stonden in een enquête met hun 40 percent de eerste, gevolgd door kappers, loodgieters en koks. Het succes is in het pastoraal werk niet verzekerd. Het gaat gepaard met lijden. Het kan wachten zijn zonder uitkomst te zien (Habakuk). Het is zo menselijk om in het pastoraal dienstwerk graag pluimen op den hoed te steken. Jezus waarschuwt tegen hoogmoed in het pastoraal werk. Jezus gebruikt het beeld van de knecht om de vraag te beantwoorden naar meer geloof. Hij zegt aldus dat het geloof groeit door te werken in zijn gezelschap. Orthopraxie en orthodoxie hebben verband met mekaar. Het juiste doen is een weg naar het juiste geloven. c. Met kracht Het woord van Jezus is ontstaan in polemiek met mensen, die op hun verdiensten stonden. Niemand mag en kan zich eisend tegenover God opstellen. De heilige Teresia van Lisieux verwoordde die ontvankelijke houding tegenover God mooi in een gebed: “O mijn God, gelukzalige Drieëenheid, ik verlang U te beminnen en U te doen beminnen. Ik verlang uw heilige wil volmaakt te volbrengen en de graad van glorie te bereiken, die Gij mij in uw Rijk hebt bereid. Ik hoop van U in het vaderland te genieten. Maar ik wil geen verdiensten voor de hemel verzamelen. Ik wil alleen voor uw Liefde werken. Op de avond van dit leven zal ik met lege handen voor U verschijnen, want ik vraag U niet, Heer, mijn werken te tellen.” (Hl. Teresia van Lisieux, Mijn roeping is de liefde; geciteerd in het Geloof van de Kerk). Geloven is leren leven van Gods genade en zijn lankmoedigheid (Z.J. 431). Jezus leefde zelf als dienstknecht vanuit het vertrouwen in zijn Vader. Waar wij dienend leven, groeit geloof. Jezus komt op voor de kracht van het mosterdzaadje en de kracht van de gewone knecht. In plaats van almacht na te streven of ineen te krimpen uit onmacht en tijd te steken in machtsstrijd is volgens hem het uitstralen van kracht het voornaamste.
Preken Online gebruikt Matomo, een eigen statistiektool, om te zien welke preken gelezen worden. We delen dit nooit met derden. Kies wat we mogen meten: niets, anoniem zonder cookies, of met een cookie die ook terugkerende bezoekers herkent.