Deelnemen zonder pretentie

C-cyclus · Tijd door het jaar · 27e zondag · groen

Zowel de profeet Habakuk in de eerste lezing als de apostelen in het evangelie zitten met vragen. Maar als we er goed over nadenken, blijken het dezelfde vragen te zijn die wij ook stellen. Waarom is er zoveel ellende in de wereld en hoe kunnen we voldoende kracht opbrengen om er iets aan te doen? Waarom wordt het goede in de wereld niet wat beter beloond?

Dat zijn precies de zaken waar ook onze gemeenschap van te lijden heeft. Ook nu bestaat er de dreiging dat de onderlinge band tussen mensen steeds minder voorstelt. Mensen vluchten voor de pijn die het samenleven met zich meebrengt. Mensen denken: het haalt toch allemaal niets uit wat ik doe; wat betekent mijn kleine bijdrage in het geheel nou helemaal? Zie ik er ooit iets van terug?

Misschien is daarom dit woord van Jezus voor ons van zo’n groot belang. Want juist onze manier van leven versterkt deze vragen nog. Nooit eerder hebben mensen vanuit hun luie stoel zo duidelijk kunnen horen en zien hoezeer mensen aan elkaar lijden. Hoe zij opgeofferd worden aan elkanders behoefte aan veiligheid. Daardoor krijgt het iets noodlottigs. Zie je wel, het is overal hetzelfde. Het is altijd zo geweest. Er is niets nieuws onder de zon. Wat kunnen nietige mensen ertegen inbrengen. Alleen het kwade lijkt te lonen.

Daar komt nog iets anders bij. Nooit eerder zijn we - vooral hier in het vrije westen - zo sterk gericht geweest op wat we het ‘ik’ noemen. Ook daardoor vermindert de saamhorigheid met elkaar. Het is het afbrokkelen van het saamhorigheidsgevoel dat ons erg eenzaam kan maken. We hebben dan wel minder rekening te houden met anderen, maar het wordt ook erg leeg om ons heen. Maakt het eigenlijk zoveel uit wat ik nu wel of niet doe. Er zit niet veel anders op dan die leegte op te vullen met wat ‘ik’ fijn en lekker vind. Het is toch ‘mijn’ leven. Dan gaan mensen vaak heel veel dingen alléén doen, die vroeger samen gedaan werden: alleen wonen of zich alleen verplaatsen in auto’s, naar het voetballen kijken, of eten. We doen het wel allemaal, maar vaak in ons eentje. Wij leven hij gebrek aan onderdak in een hechte gemeenschap, in een ‘ego’-tijdperk. Bij gebrek aan beter, werken we aan ons privé-geluk, om toch ergens een beetje onderdak te vinden. Maar erg gelukkig worden de meeste mensen er niet van. Integendeel veel mensen kunnen op die manier het leven helemaal niet aan.

Wat kan Jezus op deze vragen voor antwoord geven? Om te beginnen laat Hij ons even nadenken over twee uitersten. Iets groots: een moerbeiboom; en iets onooglijk kleins: een mosterdzaadje. Het is duidelijk dat hij met dat stofkleine zaadje onze kracht bedoelt, en met die enorme boom onze vragen en moeilijkheden. Maar Hij wil ons inprenten dat we daar helemaal niet wanhopig van moeten worden. Als dat mosterdzaadje, zo klein als het is, gezond is, dan is het een geweldige kracht. Als onze innerlijke kracht van binnen goed gericht is, kunnen we het onmogelijke aan. Hij zegt: zoiets als een boom in zee planten. Wij zouden kunnen zeggen: de oorlogen in de wereld uitbannen, of die eeuwige ruzie in de familie uitpraten. Of voor een ander: eindelijk die relatie aandurven, of onze depressies te boven komen.

Maar wat heet dan gezond. Wanneer is onze innerlijke kracht goed gericht? Hij bedient ons op onze wenken met het vervolg van zijn onderricht. Laat je niet misleiden door de gedachte dat je eerst zelf aan je trekken moet komen. Misschien ben je vergeten dat jullie mensen niet het middelpunt van de schepping zijn. Dus zeker jij alléén niet. Geloof dus niet dat God zich op de eerste plaats om ons kleine ik bekommert. God zegt niet als we het niet meer zien zitten: Ach, kom maar gauw hier kleintje. Geloof is niet zoiets als een privé-kapitaaltje, geen appeltje voor de dorst van ons ‘ik’. We zijn pas echt goed bezig als we heel diep beseffen dat we samen in dienst staan van een kracht die alles en iedereen te boven gaat. Een miniem mosterdzaadje met die kracht geladen, is in ieders leven terechtgekomen. Het kan in ieder van ons op zijn eigen plaats zijn werk doen. De één achter zijn computer, de ander in de kapsalon; de dokter in zijn praktijk en de huisvrouw of -man voor hun gezin. Als we daar gewoon in opgaan, worden als bij toverslag de spoken en de vragen verjaagd. We bouwen op de grondslag die God in ons gelegd heeft.

Wees blij dat je daarbij de gedachte aan privégeluk kunt loslaten. Wees blij, met dat veel grotere perspectief dat te maken heeft met heel de schepping, en met de samenhang van alle mensen.

Mogen we uit Jezus’ woorden die vreugde putten. Een zaadje zonder pretenties, maar met een opdracht die ons rust en vreugde geeft, die ons solidair maakt met heel de wereld.

Zoeken in Preken Online