OPENINGSWOORD
Broeders en zusters, allemaal van harte welkom. Wij kennen allemaal mensen voor wie wij wat meer sympathie voelen, onze familie en onze beste vrienden.
Maar ook bijvoorbeeld kleine kinderen. Als zij flink ziek zijn, pijn hebben, dan grijpt dat ons altijd méér aan, omdat zij nog zo klein zijn, er nog zo weinig of zelfs niets van kunnen begrijpen. Of als een volwassene een kind iets aandoet, dan kan er in ons een grote woede oplaaien. Zo is het ook met heel oude mensen. Je gaat er zelf zo teder mee om en als je dan ziet wat het leven hen soms aandoet, of je hoort dat een tasjesdief een oude dame heeft neergeslagen, dan kun je het af en toe niet meer volgen.
Dergelijke gevoelens heeft Jezus Christus t.o.v. álle mensen, die klein en kwetsbaar zijn: armen, zieken, zogenaamde mislukkelingen, uitgestotenen. Zijn goddelijk Hart loopt over van medeleven en Hij hoopt, dat wíj in zíjn Naam deze mensen tegemoet willen treden.
Bidden wij God, dat Hij ons helpt komen tot een wereld waarin iedere mens, de liefde en aandacht krijgt waarop hij recht heeft.
Vragen wij ons in een momentje van stilte af waarin wij zelf tekort geschoten zijn. Vragen wij dan vergeving. Beloven wij beterschap.\
OPENINGSGEBED
Almachtige God, uw zorg gaat uit naar iedereen, maar het meest van al naar hen voor wie niemand oog heeft. Wij vragen U: laat niet toe dat wij berusten in het onrecht. Maak ons bereid met alle mensen het brood te delen van uw liefde. Door onze Heer Jezus Christus, uw Zoon … . Amen.\
KINDERWOORDDIENST
PREEK
Broeders en zusters, vroeger, in de Middeleeuwen, bouwden de mensen hoge en dikke muren om hun steden heen om zichzelf te beschermen tegen mogelijke vijanden. Er zijn van die heel oude steden waar je nog steeds resten van die muren kunt zien.
André Brink is een Zuid-Afrikaans schrijver, die een boek heeft geschreven met de titel “De muur van de pest”. Hij gaat in dat boek op zoek in Zuid-Frankrijk, in de Vaucluse, naar de overblijfselen van een muur, die in de Middeleeuwen gebouwd werd. Met behulp van die muur wilden de mensen zich ook tegen een soort vijanden beschermen, namelijk tegen pestlijders. Die muur was een scheiding tussen zieke en gezonde mensen.
Nu zijn er zichtbare muren, zoals hier in onze kerk. Maar er bestaan ook onzichtbare muren, onzichtbare scheidingslijnen. Vroeger had je in de kerk een mannenkant - ik geloof dat dat de rechterkant was - en een vrouwenkant. Mannen en jongens zaten gescheiden van de vrouwen en meisjes.
In zijn boek vertelt André Brink dat er nog steeds van die onzichtbare muren bestaan. Er lopen van die muren tussen rijke en arme mensen, tussen mensen met een goede opleiding en mensen, die weinig naar school zijn geweest, tussen autochtone en allochtone mensen. Er loopt een duidelijke scheiding tussen oprechte moslims en gewelddadige moslims. Tussen gelovige katholieken en katholieken, die het wel geloven.
En wij hebben natuurlijk ook nog steeds een echte muur, niet meer in Berlijn, maar tussen Joden en Palestijnen.
Het boek van André Brink heet “De muur van de pest”. De pest was een soort muur tussen gezonden en zieken. Maar wij kunnen ook spreken van “De pest van de muur”. Dat er muren zijn tussen mensen, onzichtbare scheidingen, is een pest voor onze samenleving. Wij horen eigenlijk één grote familie te zijn, maar overal lopen van die onzichtbare muren tussen de mensen door. Overal worden mensen van elkaar gescheiden door door mensen verzonnen ideeën. Dat is inderdaad een pest voor een samenleving. Zoals je aan de pest kunt doodgaan, zo kan een samenleving zwakker worden of zelfs ten onder gaan aan het maken van allerlei onnodige verschillen tussen mensen.
De profeet Amos, over wie wij hoorden in de eerste lezing van vandaag, heeft zijn leven lang hard gewerkt om zo’n muur tussen armen en rijken te slopen. Hij geeft de rijken er behoorlijk van langs. Zij hebben volop te eten en te drinken en liggen lui uitgestrekt op hun rustbedden zonder om te kijken naar hun medemensen in nood.
En ook Lucas, de evangelist van vandaag, zegt dat wij de armen niet aan hun lot mogen overlaten. Volgens Lucas heeft Jezus verteld over een rijke over wie door iedereen met eerbied werd gesproken, maar zijn naam wordt door God en door Jezus niet genoemd. Vanwege zijn egoïstische leefwijze vindt God zijn naam niet het noemen waard. Maar God en Jezus kennen wel de arme bij zijn naam: Lazarus. Die naam betekent trouwens ‘God helpt je’.
En inderdaad, in het andere leven loopt het voor Lazarus heel goed af. Wat hij op aarde tekort kwam, krijgt hij in de hemel in overvloed en hij krijgt een ereplaats. Zijn naam wordt een eeuwigheid lang genoemd. De egoïstische rijke echter komt een eeuwigheid lang om van honger en dorst.
Beste medegelovigen, er zijn voldoende economen, politici en journalisten, die bijna dagelijks vertellen over de muur tussen rijken en armen. Aan de ene kant van de muur moeten de mensen grote moeite doen om af te vallen. Aan de andere kant van de muur weten ze niet hoe ze in leven kunnen blijven.
De bijbellezingen zeggen ons dat God het zo niet heeft gewild. Dat dit verschil in Gods Naam moet worden bestreden. Het is eigenlijk ongelofelijk, dat wij, westerlingen, met al onze wetenschap en techniek en rijkdommen niet in staat zijn om al onze medemensen te eten te geven. Wij kunnen wel satellieten sturen naar Mars en nog verder, maar brood en werk geven aan een medemens op slechts 10.000 km. afstand… dat kunnen we niet. Je kunt je afvragen of wij het wel echt willen!?
Rijkdom maakt niet gelukkig. Sinds de eerste eerstecommuniebijeenkomst, afgelopen dinsdag, weten zelfs de communicantjes dat. En wij weten het allemaal. Maar wie is er bereid om te leven volgens dat inzicht, om zelf wat meer te geven!?
Jezus’ verhaal over de arme Lazarus heeft een dubbele betekenis. Jezus mag tegen de arme Lazarus zeggen, dat strakjes alles goed komt. Maar tegen ons zegt Hij, dat wij gerust rijk mogen zijn. Dat is de beloning van eerlijke en harde arbeid, maar dat wij tegelijk - royaal - moeten omkijken naar medemensen in nood.
Er komt een dag van vergelding, broeders en zusters, een dag dat de rollen worden omgedraaid. De armen worden rijk en de egoïstische rijken worden arm en hun naam wordt vergeten.
Leven wij zo dat wij strakjes op de Dag van het Laatste Oordeel aan de goede kant staan. Wij mogen rekenen op Gods barmhartigheid, natuurlijk, maar alleen als wij echt hebben geprobeerd te zorgen voor mensen in nood. Kijken wij verder dan ons eigen geluk. Zien wij wie ons nodig heeft. Denken wij er aan: Jezus Christus heeft ons gewaarschuwd!\
SLOTWOORD
“AI wie honger heeft kome en viere Pesach met ons mee!” zo klinkt het uitnodigend aan het begin van het joodse paasmaal. Alles is gereed. De gedekte tafel met sederschotel en bekers, een mandje met matses en een karaf met wijn. Voor ieder is er plaats, maar één stoel blijft leeg. Op die plek staat ook een beker wijn klaar. Want nog altijd verwacht men dat de profeet Elia als gast aan tafel zal terugkeren. Daarom ook laat men de deur openstaan, zodat Elia kan binnenkomen.
Aldus wordt ook in het huis van de rijke koopman Joël het paasmaal gereedgemaakt. Het ontbreekt hun aan niets. De tafel staat schitterend gedekt met volbeladen schotels en bekers wijn tot aan de rand gevuld. Veel voorname vrienden zijn samen met het gezin van Joël aan de rijke feesttafel aangeschoven.
Als de maaltijd nog maar juist begonnen is, klopt er een oude bedelaar, in lompen gehuld, aan bij de openstaande poort. Omdat niemand acht op hem slaat komt de bedelaar langzaam naderbij en schuift aan bij het feestmaal. Niemand legt hem iets in de weg, behalve Joël zelf, als deze zijn ongenode gast gewaarwordt. “Scheer je weg man,” roept hij nijdig, “ik wil hier geen bedelaarsgespuis aan tafel zien.”
De bedelaar kijkt Joël recht in de ogen en vertrekt uit het ongastvrije huis. Korte tijd daarna dient zich een nieuwe gast aan. Het is een hoveling van de koning die in een schitterende koets komt voorrijden. Dadelijk wordt Joël gewaarschuwd dat er een hoge gast is aangekomen en haastig gaat hij naar buiten om de man op gepaste wijze te ontvangen. “Het is een hoge eer voor mijn huis, excellentie”, spreekt de gastheer. “Komt u binnen en zet u op de ereplaats aan mijn zijde en bedien u van de spijzen en dranken.” Joël weet niet hoe hij zijn voorname gast terwille kan zijn.
Maar als hij de beker naar zijn gast heft en hem recht in de ogen ziet, schrikt Joël zoals hij van zijn leven nog niet geschrokken is. Want de rijzige figuur naast hem aan tafel blijkt niemand anders te zijn dan de haveloze bedelaar die hij kort tevoren uit zijn huis heeft verjaagd. Waar hij de koets met paarden heeft gezien ziet hij nu alleen nog de sporen van de bedelaar in het zand. “Wat gebeurt hier,” stamelt Joël, “ik begrijp het niet.”
“Ik wil je alleen maar van je dwaasheid overtuigen”, zegt de man die de profeet Elia blijkt te zijn. Als ik als bedelaar aan je deur klop, ben ik je geen hap eten waard, maar zodra ik me als hoveling van de koning aandien, ben ik meer dan welkom en is er niets goed genoeg voor mij. Je kijkt naar de kleren, Joël, en niet naar de man. Jij die zoveel bezit mag de armen niet vergeten. Pas op voor gierigheid en hoogmoed, want die zullen je nog tot de bedelstaf brengen.
Zo gaat Elia zijns weegs en keert Joël in gedachten naar zijn gasten terug. Voorgoed bekeerd wellicht, want dit paasmaal zal hem nog lang heugen.